Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2011:BQ3696

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
03-05-2011
Datum publicatie
09-05-2011
Zaaknummer
AWB 10/1452
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2012:BV9344
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering WW-uitkering. Directe en indirecte gevolgen van buitengewone natuurlijke omstandigheden. Loondoorbetalingsverplichting. Uitleg CAO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

procedurenummer: AWB 10/1452

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 mei 2011 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[naam],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. H.J. Hoekman, advocaat te Stadskanaal,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv),

verweerder,

gemachtigde: M.J.H. Maas, werkzaam bij het Uwv te Eindhoven.

Procesverloop

Bij brief van 18 juni 2010 heeft het Uwv [naam eiser] mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende de toepassing van de Werkloosheidswet (WW). Tegen dit besluit heeft [naam eiser] beroep aangetekend. De zaak is - gevoegd met zaaknummers AWB 10/1459 en AWB 10/1462 - behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 1 april 2011. Namens [naam eiser] zijn voornoemde gemachtigde en L. van Breeden verschenen. Namens het Uwv is voornoemde gemachtigde verschenen. De rechtbank heeft besloten om in de onderhavige zaak afzonderlijk uitspraak te doen.

Motivering

Feiten

1.1 [naam eiser] is 40 uur per week als commercieel medewerker binnendienst werkzaam bij [naam werkgever] (hierna: [X]). In week 2 tot en met 5 van 2010 heeft [naam eiser] per week gemiddeld 22 uur gewerkt, omdat het bedrijf vrijwel stil lag in verband met aanhoudende vorst.

1.2 Op 3 maart 2010 heeft [X] bij het Uwv een melding verzuim wegens onwerkbaar weer gedaan in verband met vorst. Op diezelfde datum is door [X] en [naam eiser] een aanvraag WW-uitkering wegens onwerkbaar weer ingediend voor week 2 tot en met 5 van 2010.

1.3 Bij besluit van 23 april 2010 heeft het Uwv de aanvraag WW-uitkering afgewezen vanwege een uitsluitingsgrond.

1.4 Bij het bestreden besluit heeft het Uwv het bezwaar van [naam eiser] tegen het besluit van 23 april 2010, onder aanpassing van de motivering, ongegrond verklaard. Het Uwv heeft

daartoe gesteld dat de werkgever een loondoorbetalingsverplichting heeft, zodat er geen sprake is van werkloosheid.

Het geschil

2.1 [naam eiser] is van mening dat het Uwv de aanvraag ten onrechte heeft afgewezen nu in de CAO Betonproductenindustrie (hierna: de CAO) is bepaald dat de loondoorbetalings-verplichting is uitgesloten in geval van vorst. [naam eiser] betwist dat voor de toepassing van deze bepaling uit de CAO verschil moet worden gemaakt tussen directe en indirecte gevolgen van vorst. Voorts stelt [naam eiser] dat - voor zover er al een verschil zou worden gemaakt - er geen sprake is van een indirect gevolg van vorst, omdat de werkzaamheden van al het personeel onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. In de desbetreffende periode lag niet alleen de productie volledig stil, maar vond er ook geen verkoop en afname van producten plaats, omdat alle materialen waren vastgevroren. Nu alle bedrijfsactiviteiten stil lagen tengevolge van de vorst waren er voor [naam eiser] geen zinvolle werkzaamheden meer te verrichten.

2.2 Het Uwv stelt zich op het standpunt dat geen recht op WW bestaat, omdat [naam eiser] niet uitsluitend wegens onwerkbaar weer zijn werk niet heeft kunnen verrichten. Er was geen sprake van een fysieke onmogelijkheid het werk uit te oefenen. Artikel 18 WW ziet uitsluitend op de situatie waarbij als direct gevolg van weersomstandigheden niet gewerkt kan worden. Het Uwv zoekt aansluiting bij artikel 8 van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 (BBA) en de Kamerstukken 24071, nr. 4, van het vergaderjaar 1994-1995 van de Tweede Kamer. Op grond van het BBA wordt een werkgever ontheffing verleend van het verbod tot werktijdverkorting in geval van directe gevolgen van onwerkbaar weer. In de desbetreffende Kamerstukken wordt ook onderscheid gemaakt tussen direct en indirect getroffen bedrijven. Daarnaast stelt het Uwv dat ook uit de bepaling van de CAO kan worden opgemaakt dat er een rechtstreeks verband moet zijn tussen vorst en de gevolgen daarvan, waardoor een werknemer zijn werk niet meer kan verrichten. Omdat [naam eiser] in de binnendienst werkzaam is en de overeengekomen arbeid behorend bij deze functie los van de weersomstandigheden kan worden verricht, bestaat dat verband niet. Het niet kunnen werken is dan ook een indirect gevolg van de vorstperiode, zodat om die reden een loondoorbetalingsverplichting bestaat voor de werkgever en geen recht op een WW-uitkering, aldus het Uwv.

Wettelijk kader

3.1 In artikel 16 van de WW is bepaald dat sprake is van werkloosheid indien de werknemer ten minste vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren per week heeft verloren alsmede het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon over die uren en die werknemer beschikbaar is om arbeid te aanvaarden.

3.2 Ingevolge artikel 7:627 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is geen loon verschuldigd als de werknemer niet werkt. Op deze hoofdregel wordt in artikel 7:628, eerste lid, van het BW een uitzondering gemaakt in die zin dat de werknemer recht heeft op het naar tijdruimte vastgestelde loon indien hij de overeengekomen arbeid niet heeft verricht door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen.

3.3 In artikel 17 van de CAO staat - voor zover hier van belang - dat indien naar het oordeel van de werkgever, de weersgesteldheid - uitgezonderd vorst of sneeuwval of waterstand of de gevolgen daarvan - de gewone dagelijkse arbeid belet, de werknemer over de desbetreffende uren zijn maandinkomen ontvangt.

3.4 Ingevolge artikel 18 van de WW heeft de werknemer die werkloos is uitsluitend als gevolg van vorst, sneeuwval, hoog water of andere buitengewone natuurlijke omstandigheden recht op uitkering voor de duur van de buitengewone omstandigheid.

Beoordeling van het geschil

4.1 De rechtbank dient te beoordelen of het Uwv de aanvraag voor het toekennen van de WW-uitkering terecht en op goede gronden heeft afgewezen.

4.2 Uit de toelichting op artikel 18 van de WW kan worden opgemaakt dat een recht op een dergelijke uitkering alleen ontstaat indien de werknemer uitsluitend werkloos is geworden wegens buitengewone natuurlijke omstandigheden. Dit artikel is niet van toepassing indien ook uit anderen hoofde werkloosheid is ingetreden. Met het woord 'uitsluitend' wordt naar het oordeel van de rechtbank gedoeld op genoemde weersomstandigheden. Het Uwv kan dan ook niet worden gevolgd in zijn betoog dat het woord 'uitsluitend' ziet op de gevolgen die direct voortvloeien uit de genoemde weersomstandigheden, dus alleen als het fysiek onmogelijk is arbeid te verrichten. Daarnaast kan het Uwv niet worden gevolgd in zijn standpunt dat uit het bepaalde in artikel 8 van het BBA in samenhang met de tekst van de 'Algemeene machtiging tot werktijdverkorting bij onwerkbaar weer of ongunstigen waterstand' en uit brief van de Minister van Binnenlandse Zaken van 7 februari 1995 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal blijkt dat er sprake dient te zijn van een direct gevolg van onwerkbaar weer om in aanmerking te kunnen komen voor een WW-uitkering. Die tekst spreekt namelijk - voor zover hier van belang - over het tijdelijk stopzetten van de werkzaamheden ten gevolge van de weersgesteldheid. Hiermee zijn indirecte gevolgen niet uitgesloten. Verder blijkt uit de door verweerder aangehaalde kamerstukken, die overigens zien op wateroverlast, dat ook werknemers van indirect getroffen bedrijven toentertijd in aanmerking konden komen voor een WW-uitkering, waarbij de voorwaarden waren gesteld dat er een causaal verband diende te bestaan tussen het productieverlies en de wateroverlast en dat de betrokken medewerkers niet elders in het bedrijf tewerkgesteld konden worden.

4.3 De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat artikel 18 van de WW niet slechts ziet op gevallen waarbij er sprake is van werkloosheid als direct gevolg van de daarin genoemde weersomstandigheden. Evenals de in de Kamerstukken genoemde kwestie werd [naam eiser] indirect getroffen door de weersomstandigheden. Door de aanhoudende vorst lag de productie bij [X] volledig stil. Omdat alle materialen waren vastgevroren vonden er evenmin nog verkopen en/of afnamen plaats. Nu er ook geen ander werk voorhanden was, hetgeen door het Uwv niet is bestreden, kan op grond van hetgeen in de door het Uwv aangehaalde Kamerstukken is vermeld, een WW-uitkering worden verstrekt.

4.4 Daarbij stelt de rechtbank vast dat [naam eiser] voldoet aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 16 van de WW. [naam eiser] heeft blijkens de aanvraag tenminste vijf van zijn arbeidsuren per kalenderweek verloren. Bovendien is de rechtbank, anders dan het Uwv, van oordeel dat er gelet op het bepaalde in artikel 7:628, eerste lid, van het BW en artikel 17 van de CAO geen recht bestond op loondoorbetaling van de werkgever. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

4.5 Blijkens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (zie bijvoorbeeld het arrest van de HR van 2 april 2004, NJ 2005, 495) geldt als uitgangspunt voor de uitleg van de bepalingen van een CAO dat de bewoordingen daarvan en eventueel van de daarbij behorende schriftelijke toelichting, gelezen in het licht van de gehele tekst van die overeenkomst, van doorslaggevende betekenis zijn. Daarbij komt het niet aan op de bedoelingen van de partijen bij de CAO, voor zover deze niet uit de CAO-bepalingen en de toelichting kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de CAO en de toelichting zijn gesteld. Bij deze uitleg kan onder meer acht worden geslagen op de elders in de CAO gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden. Met betrekking tot de CAO’s die niet voorzien zijn van een schriftelijke toelichting (zoals hier het geval is) komt het voor de uitleg vooral aan op de bewoordingen van de CAO-bepalingen, gelezen in het licht van de gehele tekst van de overeenkomst. Uit de tekst van artikel 17 van de CAO blijkt, voor zover hier van belang, dat in het geval dat door vorst of de gevolgen daarvan de gewone dagelijkse arbeid wordt belet er geen loondoorbetalingsverplichting voor de werkgever geldt. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen directe of indirecte gevolgen van vorst, terwijl de rechtbank een dergelijk onderscheid ook uit de rest van de tekst van de CAO niet kan afleiden.

4.6 Alles overziende is de rechtbank van oordeel dat het Uwv ten onrechte een uitkering vanwege onwerkbaar weer heeft geweigerd. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit zal worden vernietigd wegens strijd met artikel 18 van de WW. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit van 23 april 2010 te herroepen en [naam eiser] over de in de aanvraag genoemde periode een uitkering op grond van artikel 18 van de WW toe te kennen.

4.7 Nu het bestreden besluit zal worden vernietigd kunnen de overige gronden onbesproken blijven.

4.8 Met toepassing van artikel 8:75 van de Awb veroordeelt de rechtbank het Uwv in de proceskosten. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht bedragen de proceskosten van [naam eiser] € 874,-- terzake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (beroepschrift één punt; verschijnen ter zitting één punt; gewicht van de zaak: gemiddeld; waarde per punt € 437,00). Nu dezelfde gemachtigde in drie samenhangende zaken een vrijwel identiek beroepschrift heeft geschreven en deze drie zaken gezamenlijk ter zitting zijn behandeld zal de rechtbank de toe te wijzen proceskosten per zaak matigen tot een bedrag van € 292,--.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het besluit van 23 april 2010 en bepaalt dat alsnog aan [naam eiser] een uitkering op grond van de WW wegens onwerkbaar weer over de gevraagde periode wordt toegekend;

- bepaalt dat het Uwv aan [naam eiser] het door hem betaalde griffierecht, te weten € 41,-- vergoedt;

- veroordeelt het Uwv in de door [naam eiser] gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 292,--, welk bedrag aan [naam eiser] moet worden vergoed.

Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in tegenwoordigheid van R.D.A.N. Webster als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2011.

w.g. R.D.A.N. Webster

w.g. P.G. Wijtsma

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Centrale Raad van Beroep

Postbus 16002

3500 DA Utrecht

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.