Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2011:BQ3675

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
09-05-2011
Datum publicatie
20-05-2011
Zaaknummer
AWB 11/743 en AWB 11/744
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Binnenplanse vrijstelling en binnenplanse ontheffing en bouwverguning voor (een) bouwmarkt(en) te Sneek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

procedurenummers: AWB 11/743 en AWB 11/744

uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 mei 2011 op grond van artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in de gedingen tussen

Bouwmarkt 82 Sneek B.V. en Syjoni Vastgoed B.V.,

beide gevestigd te Sneek,

verzoeksters (hierna te noemen: Karwei),

gemachtigde: mr. A. Kaspers, advocaat te Amsterdam,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Súdwest Fryslân (voorheen: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sneek),

verweerder (hierna te noemen: het college),

gemachtigde: M. Sinnema-Grondsma, werkzaam bij de gemeente Súdwest Fryslân.

Procesverloop

1.1 Bij besluit van 19 december 2008 heeft het college binnenplanse vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van twee bedrijfspanden ten behoeve van de vestiging van twee bouwmarkten, inclusief horecagedeelte, op het perceel Kolenbranderstraat 1 en 3 te Sneek. Bij besluit op bezwaar van 9 juni 2009 heeft het college het besluit van 19 december 2008 herroepen en alsnog binnenplanse vrijstelling en bouwvergunning geweigerd.

1.2 Bij besluit van 17 september 2009 heeft het college binnenplanse ontheffing en bouwvergunning verleend voor het gedeeltelijk veranderen van paviljoen drie (het horecagedeelte) op het perceel Kolenbranderstraat 1 te Sneek. Het college heeft dit besluit gehandhaafd bij zijn besluit op bezwaar van 1 februari 2010. Tegen dit besluit heeft Karwei op 19 februari 2010 beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder AWB 10/412.

1.3 Bij uitspraak van 30 maart 2010 (AWB 09/1576), voor zover hier van belang, heeft de rechtbank het besluit op bezwaar van 9 juni 2009 vernietigd en het college opgedragen opnieuw te beslissen op het door Karwei ingediende bezwaarschrift tegen het besluit van 19 december 2008. Bij besluit op bezwaar van 19 oktober 2010 heeft het college dit bezwaarschrift ongegrond verklaard voor zover het bezwaar is gericht tegen het verlenen van binnenplanse vrijstelling en bouwvergunning voor het oprichten van twee bedrijfspanden en het bezwaar gegrond verklaard voor zover het bezwaar is gericht tegen het verlenen van binnenplanse vrijstelling en bouwvergunning voor het horecagedeelte. In verband hiermee heeft het college het besluit van 19 december 2008 gedeeltelijk herroepen in die zin dat de vrijstelling en de bouwvergunning voor het horecagedeelte worden geweigerd. Op 24 november 2010 heeft Karwei beroep ingesteld tegen het besluit van 19 oktober 2010. Dit beroep is geregistreerd onder AWB 10/2393.

1.4 Op 25 maart 2011 heeft Karwei zich tot de voorzieningenrechter gewend met het verzoek om op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek is geregistreerd onder AWB 10/743 (besluit op bezwaar van 1 februari 2010) en AWB 10/744 (besluit op bezwaar van 19 oktober 2010). Met toepassing van artikel 8:26, eerste lid, van de Awb zijn Praxis Vastgoed B.V., Praxis doe-het-zelf Center B.V. en Corlijnen B.V. (hierna tezamen te noemen: Praxis) in de gelegenheid gesteld als partij aan de gedingen deel te nemen. Praxis heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt en door haar gemachtigde mr. J.C. van Oosten, advocaat te Amsterdam, is op 18 april 2011 een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.

1.5 De verzoeken zijn ter zitting behandeld op 21 april 2011, waarbij partijen zich hebben laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Verder zijn verschenen T. Vellinga, namens Karwei, en A. Haarsma en J. Buitenhuis, namens Praxis.

1.6 Met toestemming van partijen heeft de voorzieningenrechter kennis genomen van het op de zaak AWB 09/1576 betrekking hebbende rechtbankdossier.

Motivering

Inleidende overwegingen

2.1 Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de verzoeken overweegt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken van beletselen om Karwei te kunnen ontvangen. Voorts is genoegzaam aangetoond dat Karwei een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorzieningen. Ter zitting is gebleken dat Praxis een aanvang heeft gemaakt met de uitvoering van het bouwplan door het heien van 527 heipalen en voornemens is haar deuren in augustus 2011 te openen.

2.3 Ter zitting is aan de hand van de beschikbare bouwtekeningen van het oorspronkelijke bouwplan en het gewijzigde bouwplan aan de orde gekomen of het bouwplan voorziet in een zuil of een voorgevel (façade). Mr. van Oosten heeft in dit verband opgemerkt dat het bouwplan niet voorziet in een zuil. Buitenhuis heeft aangegeven dat geen sprake is van een zuil, maar van een voorgevel. Vervolgens heeft mr. Kaspers zich afgevraagd of de zuil of de voorgevel wel is vergund. Daarop heeft Sinnema-Grondsma aangegeven dat een zuil of een voorgevel niet is aangevraagd. De voorzieningenrechter oordeelt dat de onderhavige procedures zich niet lenen voor het scheppen van duidelijkheid op dit punt, maar dat deze kwestie nader onderzoek vergt. De voorzieningenrechter zal zich daarom beperken tot een beoordeling van de verzoeken en geen toepassing geven aan artikel 8:86, eerste lid, van de Awb. Voor zover de beoordeling van de verzoeken met zich brengt dat het geschil in de hoofdzaken (de beroepen) wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter en is de bodemrechter niet gebonden aan dit oordeel. Aan verzoeken als de onderhavige kan in beginsel worden voldaan, indien de voorzieningenrechter verwacht dat de aangevallen besluiten geen stand zullen houden.

Inhoudelijke beoordeling

3.1 Op 6 mei 2009 heeft de initiatiefnemer van het onderhavige bouwplan een bouwvergunning aangevraagd in verband met een wijziging van het bij het besluit van 19 december 2008 vergunde bouwplan. Blijkens deze aanvraag (vraag 6 van het aanvraagformulier) houdt deze wijziging verband met de hoogte van het horecapand (paviljoen drie), vier meter in plaats van de aanvankelijk aangevraagde 6,72 meter. Op deze wijzigingsaanvraag heeft het college op 17 september 2009 beslist, welke beslissing door het college is gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 1 februari 2010.

De voorzieningenrechter stelt vast dat ten tijde van deze besluiten van een bouwvergunning voor het oorspronkelijk ingediende bouwplan geen sprake (meer) was. De bouwvergunning van 19 december 2008 bestond toen immers niet (meer), als gevolg van het besluit op bezwaar van 9 juni 2009, waarbij de bouwvergunning van 19 december 2008 werd herroepen. Voor het wijzigen van deze bouwvergunning bestond dus geen juridische basis. Dat de rechtbank het besluit op bezwaar van 9 juni 2009 op 30 maart 2010 heeft vernietigd, waardoor de bouwvergunning van 19 december 2008 is herleefd, doet hier niet aan af. Gelet op de ex tunc beoordeling gaat het immers om de situatie op 17 september 2009 en, in bezwaar, op 1 februari 2010. De voorzieningenrechter verwacht echter dat het college zijn besluitvorming ten aanzien van het horecadeel kan repareren. Voor een schorsing van het besluit van 1 februari 2010 en de primaire beslissing van 17 september 2009 bestaat dus geen aanleiding. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat het het college vanzelfsprekend vrijstaat om voor wat betreft een aantal voorwaarden weer te verwijzen naar de voorwaarden zoals opgenomen in het besluit van 19 december 2008.

3.2 Voor wat betreft de besluitvorming ten aanzien van de bouwmarkten overweegt de voorzieningenrechter dat op basis van het thans geldende bestemmingsplan "Detailhandel De Hemmen, Sperkhem II, Houkesloot", dat voorziet in een geüniformeerd detailhandelsbeleid in de gemeente Súdwest Fryslân (parapluplan), bouwmarkten op de onderhavige projectlocatie rechtens zijn toegestaan en dat voor de vestiging hiervan geen vrijstelling of ontheffing (meer) nodig is. In hoofdstuk 4 van het bestemmingsplan (Planregels), onder artikel 1, is aangegeven dat onder een bouwmarkt wordt verstaan: een al dan niet geheel overdekte verkoopplaats, waarop het volledige assortiment aan grove bouwmaterialen, bouwgrondstoffen, alsmede materialen voor het verrichten van bouw en verbouwwerkzaamheden waaronder begrepen doe-het-zelf producten uit voorraad ter verkoop worden aangeboden. De voorzieningenrechter oordeelt dat het bouwplan voorziet in de oprichting van (een) bouwmarkt(en) als bedoeld in het bestemmingsplan. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding om te bepalen dat de verdere uitvoering van het bouwplan (voorlopig) gestaakt moet worden.

3.3 Resumerend luidt het oordeel van de voorzieningenrechter dat geen aanleiding bestaat om de besluiten van 1 februari 2010 en 19 oktober 2010 te schorsen. De daartoe strekkende verzoeken zullen daarom worden afgewezen.

Proceskosten

4.1 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken af.

Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van

mr. J.R. Leegsma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2011.

w.g. J.R. Leegsma

w.g. P.G. Wijtsma

Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend.