Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2011:BQ2474

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
18-04-2011
Datum publicatie
26-04-2011
Zaaknummer
17/753021-10VON
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vennootschap onder firma, mede-vennoot, afgescheiden vermogen, veroordeling.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 321
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2011/185
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector straf

parketnummer 17/753021-10 VON

verkort vonnis van de politierechter voor de behandeling van strafzaken d.d. 18 april 2011 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres]

De politierechter heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 4 april 2011.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.T. van Daatselaar, advocaat te Hoogeveen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij in of omstreeks de periode van 1 maart 2008 tot en met 25 juli 2009, te [naam, in de gemeente naam gemeente], meermalen, in elk geval eenmaal opzettelijk geldbedragen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan de [naam v.o.f.] in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk(e) goed(eren) verdachte uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking van/als vennoot van [naam v.o.f.]/verkoopster als kasgeld, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

(art. 322 Wetboek van Strafrecht)

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in haar belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- veroordeling voor het ten laste gelegde;

- oplegging van een werkstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis;

- niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij;

Beoordeling van het bewijs

De officier van justitie heeft veroordeling voor het ten laste gelegde gevorderd.

De raadsman heeft ter zitting vrijspraak bepleit voor het ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat al het bewijs dat in het dossier zit, op onrechtmatige wijze is verkregen, namelijk middels stelselmatige cameraobservatie. Dit vormverzuim moet worden gerepareerd door bewijsuitsluiting.

De politierechter overweegt hieromtrent het volgende.

Mevrouw [naam] heeft bij haar aangifte verklaard dat zij namens de v.o.f. een camera heeft laten ophangen in het winkelpand omdat ze verdachte verdacht van wegnemen van kasgeld. De camera is in werking geweest van 20 juli 2009 tot en met 25 juli 2009 en was gericht op de kassa. Het gedrag van verdachte is door middel van een technisch hulpmiddel, gedurende zes dagen, vastgelegd. Mevrouw [naam] heeft nadat ze aangifte heeft gedaan zelfstandig de beelden aan de politie overhandigd. Het gaat hier echter niet om stelselmatige observatie in de zin van art. 126g Wetboek van Strafvordering, omdat de camera geen beelden vastlegde van het privéleven van verdachte noch opnamen maakte in opdracht van een opsporingsambtenaar. Derhalve stelt de politierechter vast dat er geen vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv is geweest en de politierechter verwerpt het verweer van de raadsman.

Subsidiair heeft de raadsman vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde, nu er geen sprake was van een persoonlijke dienstbetrekking, omdat verdachte vennoot was van [naam v.o.f.]. Voorts was er geen sprake van wederrechtelijke toe-eigening, omdat verdachte als vennoot rechthebbende was van het kasgeld.

De politierechter stelt het volgende vast op basis van het onderzoek ter terechtzitting.

Op de videobeelden die gemaakt zijn in de periode van 20 juli tot en met 25 juli 2009, is te zien dat verdachte met de computermuis het systeem van de kassa bedient en vervolgens geld uit de kassalade haalt. Dit geld stopt ze vervolgens in haar eigen beurs.

Uit de aangifte blijkt dat het met de computermuis mogelijk is om bonnen uit het programma te halen. Op die manier is het mogelijk geld uit de kassa te halen zonder dat het zichtbaar is in het systeem. De verwijderde bonnen zijn niet meer op de computer te zien maar nog wel door een expert in het systeem terug te vinden. Uit het onderzoek dat [naam] heeft verricht in het systeem StoreControl, waarmee bij [naam v.o.f.] wordt gewerkt, blijkt dat er in de periode vanaf begin maart 2008 tot en met 25 juli 2009 door klanten contant betaalde en in StoreControl correct verwerkte verkooporders zijn verwijderd uit het systeem. Het gaat om ruim 170 verkooporders met een totale waarde van ruim € 11.000,00. De gegevens uit het systeem zijn vergeleken met de beelden en daaruit is op te maken dat verdachte in de periode dat de camera hing acht bonnen uit het systeem heeft verwijderd en het geld uit de kassa heeft weggenomen. Verdachte erkent ook in die periode € 130,00 uit de lade te hebben weggenomen.

Uit de oprichtingsakte van [naam v.o.f.] blijkt dat verdachte medevennoot is in de vennootschap onder firma. Haar medevennoot is [naam]. Hieruit blijkt tevens dat de vennoten respectievelijk € 40.000,00 en € 60.000,00 hebben ingebracht in de vennootschap. [Naam v.o.f.] is een vennootschap onder firma en heeft derhalve geen rechtspersoonlijkheid. De vennoten hebben wel een bedrag opzijgezet om daarmee handel te drijven. Dit is daarmee het afgescheiden vermogen van de vennootschap geworden. Dit afgescheiden vermogen blijft in de vennootschap zolang deze bestaat, tenzij daarover afspraken zijn gemaakt (Boeschoten-Besier: Hoge Raad 26 november 1897, W 7047). Kasgelden zijn de liquide middelen van de onderneming en behoren daarmee bij het afgescheiden vermogen.

De politierechter is, met de officier van justitie, van oordeel dat verdachte zich het geld wederrechtelijk heeft toegeëigend. Een vennootschap onder firma heeft een afgescheiden vermogen en verdachte haar inbreng staat niet meer tot haar beschikking. De vennoten hadden afgesproken per maand € 800,00 uit de vennootschap te ontvangen. Door meer geld uit de kas te halen heeft verdachte zich het geld wederrechtelijk toegeëigend.

De politierechter is, met de raadsman, van oordeel dat er geen sprake is van een persoonlijke dienstbetrekking, aangezien er bij medevennoten onderling geen sprake is van een ondergeschikte jegens een meerdere en beide vennoten de vennootschap naar buiten toe mogen vertegenwoordigen. Zelfs nu medevennoot [naam] meer bevoegdheden had dan verdachte maakt dit haar niet een meerdere van verdachte.

Meer subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de ten laste gelegde periode beperkt dient te worden tot de periode waarvan de camerabeelden voorhanden zijn, te weten van 20 juli 2009 tot en met 25 juli 2009, omdat slechts ten aanzien van deze periode meer bewijs is dan de enkele aangifte van [naam]

De politierechter acht de hele ten laste gelegde periode bewezen. Voor de periode van 20 juli tot en met 25 juli 2009 bieden de camerabeelden bewijs. Deze beelden worden ondersteund door het onderzoek van [naam] en de verklaring van mevrouw [naam] over hoe men bonnen kan verwijderen uit het systeem met de muis en dat verdachte niet wist dat deze later nog terug te halen waren. Het verwijderen van de bonnen is alleen mogelijk op de dag van invoeren.

Dit patroon van handelen is blijkens het onderzoek van [naam] in de periode van 1 maart 2008 tot 20 juli 2009 ook gebruikt om bonnen uit de kassa te halen. Op mevrouw [naam] na kon niemand anders de bonnen verwijderen en mevrouw [naam] was op de hoogte van het feit dat de verwijderde bonnen door [naam] teruggehaald konden worden. Daarbij weegt de politierechter mee dat gedurende de vakantie van [naam] wel bonnen zijn verwijderd en gedurende de afwezigheid van verdachte niet. De politierechter acht ook de periode van 1 maart 2008 tot 20 juli 2009 bewezen.

De politierechter acht het ten laste gelegde op grond van voorgaande wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De politierechter acht het ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

zij in de periode van 1 maart 2008 tot en met 25 juli 2009, te [naam, in de gemeente naam gemeente], meermalen opzettelijk geldbedragen, die toebehoorden aan de v.o.f [Naam v.o.f.], en welke goederen verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de politierechter dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

Verduistering, meermalen gepleegd.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De politierechter acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

De politierechter neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking:

- de aard en de ernst van het gepleegde feit;

- de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komt uit het uittreksel uit het algemeen documentatieregister;

- de vordering van de officier van justitie;

- het pleidooi van de raadsman.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verduistering. Zij had samen met een haar medevennoot een vennootschap onder firma, waarmee een kledingwinkel gedreven werd.

Zij heeft hiermee het vertrouwen geschonden van haar medevennoot die door het gedrag van verdachte zodanig gedupeerd is dat het faillissement moest worden uitgesproken. De rechtbank zal verdachte veroordelen tot een werkstraf zoals door de officier van justitie geëist.

Benadeelde partij

[Naam v.o.f.] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De politierechter is van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert nu onduidelijk is wie bevoegd is de benadeelde partij te vertegenwoordigen omdat voor deze het faillissement is aangevraagd, het berekenen van de vordering speciale kennis vereist en op een wijze dient plaats te vinden waarvoor een politierechterzitting zich niet leent en voorts nu verdachte heeft aangevoerd dat ze rechthebbende is van een deel van het geld dat wordt teruggevorderd. De politierechter zal dan ook bepalen dat de vordering niet ontvankelijk is en dat de benadeelde partij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Toepassing van wetsartikelen

De politierechter heeft gelet op de artikelen 22c, 22d, 57 en 321 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE POLITIERECHTER LUIDT, RECHTDOENDE:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld en verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte te dier zake tot:

Een werkstraf, bestaande uit het verrichten van 120 uren onbetaalde arbeid.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 60 dagen zal worden toegepast.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling/voorlopige hechtenis.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [Naam v.o.f.] niet ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. Dölle, politierechter, bijgestaan door M. Heerschop, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 april 2011.