Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2011:BQ1656

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
21-03-2011
Datum publicatie
19-04-2011
Zaaknummer
AWB 09/1797 IB/PVV
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser maakt niet aannemelijk dat de uitgaven aan zijn ex-echtgenote zijn gedaan op basis van een overeengekomen uit het familierecht voortvoeiende onderhoudsverplichting. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingadvies 2011/11.6
V-N 2011/28.17.12
FutD 2011-0993
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 09/1797 IB/PVV

Uitspraakdatum: 21 maart 2011

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/[te P], verweerder.

I PROCESVERLOOP

1.1. Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2006 een aanslag (aanslagnummer [nummer]) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd.

1.2. Eiser heeft tegen deze aanslag bezwaar gemaakt. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 1 juli 2009 de aanslag gehandhaafd.

1.3. Eiser heeft daartegen bij brief van 1 augustus 2009, ontvangen bij de rechtbank op 4 augustus 2009, beroep ingesteld. Bij brief van 9 oktober 2009 zijn namens eiser de gronden van het beroep ingediend.

1.4. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2010.

Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door [A]. Namens verweerder zijn verschenen [B] en [C].

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en heeft daarbij bepaald dat het vooronderzoek zal worden hervat.

1.6. Eiser heeft bij brief van 21 oktober 2010 meegedeeld dat hij de ter zitting besproken mappen met stukken heeft afgeleverd bij verweerder. Verweerder heeft bij brief van 19 november 2010 op deze stukken gereageerd en de stukken aan de rechtbank toegezonden. De stukken zijn in afschrift aan het dossier toegevoegd.

1.7. Partijen hebben vervolgens bij brief van 19 januari 2011 (verweerder) en per telefax van 8 maart 2011 (eiser) toestemming gegeven om een nadere zitting achterwege te laten. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten en heden uitspraak gedaan zoals hieronder is vermeld.

II OVERWEGINGEN

Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Met dagtekening 12 februari 2009 is aan eiser een aanslag inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van € 26.872. Bij de aanslagregeling is verweerder afgeweken van de aangifte in die zin dat een bedrag van € 6.000 aan aftrek voor betaalde alimentatie door verweerder niet is geaccepteerd.

2.2. Eiser is in april 2006 duurzaam gescheiden gaan leven van [D], hierna te noemen: de ex-echtgenote. De echtscheiding is uitgesproken op 8 november 2006 en is ingeschreven op 19 december 2006.

2.3. Eiser en zijn ex-echtgenote zijn ter zitting van het Gerechtshof te Leeuwarden op 20 oktober 2008 een partneralimentatie overeengekomen van € 200 per maand, ingaande 19 december 2006.

Geschil

2.4. In geschil is of het bedrag van € 6.000 is aan te merken als onderhoudsverplichting in de zin van artikel 6.3, eerste lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij sinds april 2006 vele uitgaven (ongeveer € 15.000) heeft gedaan ten behoeve van zijn ex-echtgenote. Deze bijdragen zijn gedaan in het kader van haar levensonderhoud. Op grond van een mondelinge afspraak met zijn ex-echtgenote voert eiser echter slechts € 6.000 als partneralimentatie op.

Verweerder concludeert primair tot ongegrondverklaring van het beroep. In het geval dat de rechtbank zou oordelen dat alsnog een bedrag als betaalde partneralimentatie in aanmerking moet worden genomen, stelt verweerder zich op het standpunt dat de aftrek voor kosten levensonderhoud voor de kinderen tot een bedrag van € 2.187 ten onrechte is verleend. Verweerder verzoekt in dat geval om interne compensatie van dat bedrag.

2.5. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

2.6. Op grond van artikel 6.1, tweede lid, onder a van de Wet IB 2001 wordt als persoongebonden aftrekpost aangemerkt uitgaven voor onderhoudsverplichtingen. Ingevolge artikel 6.3, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet IB 2001 worden als onderhoudsverplichtingen aangemerkt: periodieke uitkeringen en verstrekkingen op grond van een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting, tenzij deze worden gedaan aan bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn.

2.7. De persoonsgebonden aftrek voor de uitgaven voor onderhoudsverplichtingen is ontleend aan de aftrek van persoonlijke verplichtingen van artikel 45, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van dit laatste artikel blijkt dat de in de wettekst voorkomende woorden 'rechtstreeks voortvloeien uit het familierecht' inhouden dat het hier gaat om periodieke uitkeringen die hun ontstaansgrond direct in het in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek neergelegde familierecht vinden. Deze ontstaansgrond brengt met zich dat dergelijke periodieke uitkeringen in rechte vorderbaar zijn. Betalingen die niet voortvloeien uit een rechtens afdwingbare verplichting zijn derhalve niet aftrekbaar.

2.8. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt met zich dat eiser aannemelijk dient te maken dat de door hem genoemde betalingen aangemerkt kunnen worden als rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser in dat bewijs niet geslaagd.

Eiser heeft gesteld dat hij met zijn ex-echtgenote mondeling heeft afgesproken dat hij vanaf het moment dat hij en zijn ex-echtgenote apart gingen wonen, in haar onderhoudskosten zou bijdragen tot ten minste een bedrag € 6.000. Verweerder heeft weersproken dat eiser en zijn echtgenote een dergelijke afspraak hebben gemaakt en wijst daarbij op het gegeven dat de ex-echtgenote voor het jaar 2006 geen aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen heeft gedaan van de ontvangst van een dergelijk bedrag. Eisers ex-echtgenote is er kennelijk niet van uitgegaan dat zij over de in geding zijnde periode belaste onderhoudsbijdragen heeft ontvangen. Nu eiser verder zijn stelling over het bestaan van de mondelinge afspraak op geen enkele manier heeft onderbouwd is de rechtbank van oordeel dat eiser, gelet op de gemotiveerde weerspreking door verweerder, niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij en zijn ex-echtgenote zijn overeengekomen dat - en tot welke hoogte - eiser vanaf april 2006 periodiek een bijdrage zou leveren in de kosten van het levensonderhoud van de echtgenote. Dat uit de - tot de stukken van het geding behorende - kopieën van bankafschriften blijkt dat in die periode kosten van levensonderhoud van de echtgenote en/of de kinderen zijn betaald van een bankrekening waarover eiser en zijn echtgenote de beschikking hadden en dat het salaris van eiser op diezelfde bankrekening is gestort, is daartoe onvoldoende. Daaruit zou hoogstens kunnen blijken dat eiser zich moreel gedrongen voelde bij te dragen in het levensonderhoud van zijn echtgenote en de kinderen, maar daarmee is het bestaan van een afspraak tussen eiser en zijn echtgenote in vorenbedoelde zin (nog) niet aannemelijk gemaakt.

2.9. Ook uit de overige door eiser overgelegde stukken blijkt niet van het bestaan van een afspraak tussen eiser en zijn echtgenote over het betalen van kosten van levensonderhoud in de periode april tot en met 18 december 2006 zodat niet kan worden gesproken van het bestaan van een rechtens afdwingbare verplichting. Eiser heeft derhalve geen recht op aftrek ter zake van onderhoudsverplichtingen en verweerder heeft dan ook terecht de aftrek daarvan niet geaccepteerd. Gelet op het vorenstaande behoeft het secundaire standpunt van verweerder geen bespreking.

2.10. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

2.11. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III BESLISSING

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. G.J. Ebbeling, in tegenwoordigheid van de griffier

mr. P.C. Stroebel.

Uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2011.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 1704, 8901CA Leeuwarden.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.