Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2011:BQ1161

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
13-04-2011
Datum publicatie
13-04-2011
Zaaknummer
110036 / KG ZA 11-24
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

plaatsen camera's onrechtmatig? Inbreuk op persoonlijke levenssfeer? Weegt recht op bescherming privacy zwaarder dan recht om eigendom te beschermen? Rechtvaardigingsgrond?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2011/285
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 110036 / KG ZA 11-24

Vonnis in kort geding van 13 april 2011

in de zaak van

de coöperatieve vereniging U.A.

[eiseres].,

gevestigd te [adres],

eiseres,

advocaat mr. J.M.E. Hamming te Drachten,

tegen

1. [gedaagde 1],

wonende te [adres],

2. [gedaagde 2],

wonende te [adres],

gedaagden,

advocaat mr. M.J. Oudman te Joure.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagden] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. [eiseres] heeft [gedaagden] in kort geding doen dagvaarden tegen de openbare terechtzitting van 10 februari 2011.

1.2. [eiseres] heeft op de bij dagvaarding geformuleerde gronden gevorderd dat de voorzieningenrechter, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. [gedaagden] zal bevelen de camera geplaatst in de in gezamenlijk eigendom van partijen zijnde boom te verwijderen en daaruit verwijderd te houden;

II. [gedaagden] zal bevelen binnen twee dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis de camera’s op zijn perceel enkel en alleen op zijn eigen perceel te richten en [gedaagden] te bevelen de advocaat van [eiseres] hiervan binnen vier dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis schriftelijk in kennis te stellen;

III. [eiseres] vervolgens tot vijf werkdagen na ontvangst van het voornoemde schriftelijke bericht op eerste verzoek aan [gedaagden] in het bijzijn van een deurwaarder toe zal staan de met deze camera’s gemaakte beelden op het bovenstaande te controleren;

IV. alles op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per overtreding of per dag dat de overtreding voortduurt, met een maximum van € 25.000,00 per afzonderlijke overtreding;

V. [gedaagden] zal veroordelen in de kosten van dit geding.

1.3. Partijen hebben producties overgelegd.

1.4. Ter zitting hebben partijen hun standpunten toegelicht, waarbij hun advocaten gebruik hebben gemaakt van pleitnotities en waarbij [gedaagden] heeft geconcludeerd tot niet ontvankelijkheid van [eiseres] dan wel tot afwijzing van haar vorderingen, onder veroordeling van [eiseres] in de kosten van het geding.

1.5. Vervolgens is de zitting van 11 februari 2011 aangehouden zodat partijen in overleg konden treden om een minnelijke regeling te bereiken. Per brief van 7 maart 2011 heeft de advocaat van [eiseres] de voorzieningenrechter medegedeeld dat dit overleg niet tot een oplossing heeft geleid en namens [eiseres] verzocht om voortzetting van de behandeling van het kort geding.

1.6. Op 30 maart 2011 heeft een descente plaatsgevonden te [adres]. [eiseres] heeft bij gelegenheid van de descente de vordering ingetrokken voor zover deze betrekking heeft op de camera die aan de voorgevel van de woning van [gedaagden] hangt.

1.7. Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

2. De feiten

2.1. [eiseres] is eigenaresse van diverse kadastrale percelen die zich bevinden in het bungalowpark Het [eiseres] (verder: het park) te [adres]. Op deze percelen bevinden zich voornamelijk wegen en groen, aangelegd ten behoeve van de bewoners van het park. De bungalows en bijbehorende percelen zijn eigendom van diverse particulieren.

2.2. Op grond van de statuten van [eiseres] is een ieder die een zakelijk recht van eigendom verwerft in het plan van [eiseres] te [adres], lid van de vereniging. Het doel van de vereniging is ingevolge artikel 2 lid 1 van de statuten: ‘het behartigen en bevorderen van gemeenschappelijke belangen van hen die gerechtigd zijn tot een zakelijk recht van eigendom in het plan [eiseres] te [adres].’

2.3. [gedaagden] is eigenaar van een vakantiewoning met erf en ondergrond in het park. Deze vakantiewoning is gelegen aan het [adres] te [adres] (kadastrale aanduiding [adres] C 1788). Het perceel van [gedaagden] grenst aan de kadastrale percelen [adres] C 1800 en C1882, welke eigendom zijn van [eiseres].

2.4. Begin 2009 is een geschil ontstaan tussen [gedaagden] enerzijds en mevrouw [X], eveneens bewoonster van het park, anderzijds. Uiteindelijk heeft dit geleid tot een aantal vernielingen van eigendommen van [gedaagden] Zo werd ondermeer de heg, welke zich op het perceel van [gedaagden] bevindt, vernield.

2.5. [gedaagden] heeft naar aanleiding van deze incidenten een drietal camera’s geplaatst. De eerste camera bevindt zich aan de voorzijde van de woning van [gedaagden] De tweede camera is geplaatst op een paal in een van de hoeken aan de achterzijde van het perceel van [gedaagden] en de derde camera is geplaatst in een boom aan de voorzijde van het perceel.

2.6. In een brief van 22 februari 2010 van [eiseres] aan [gedaagden] wordt – voor zover van belang – vermeld:

“Wij hebben echter sterk de indruk dat tenminste één camera zich bevindt in een boom die toebehoort aan de vereniging, en dat bovendien ook delen van de doorgaande verenigingsweg door uw camera’s worden bestreken.

Wij willen u daarom dringend verzoeken deze camera of camera’s ten spoedigste te verwijderen of in elk geval te verplaatsen naar uw eigen erf en ervoor te zorgen dat alleen uw eigen terrein zich binnen het bereik van uw camera’s bevindt.”

2.7. Op 22 mei 2010 heeft een algemene ledenvergadering van het [eiseres] plaatsgevonden. Van de 91 leden waren er 21 aanwezig. In de notulen staat – voor zover van belang – vermeld:

“Het bestuur stelt voor het plaatsen van camera’s anders gericht dan op het eigen terrein actief te gaan bestrijden. (…) Na deze discussie wordt er over het voorstel gestemd. Alleen de heer Frankema (101) blijkt er tegen. Het bestuur zal dus actie gaan nemen om het plaatsen van dergelijke camera’s tegen te gaan en reeds geplaatste camera’s te gaan verwijderen.”

2.8. Op 12 november 2010 is [gedaagden] wederom door [eiseres] gesommeerd om de camera’s niet meer op de percelen van [eiseres] te richten en de camera in de boom te verwijderen. Landman heeft per brief van 20 november 2010 gereageerd en aangegeven dat de boom ook voor de helft op zijn grond staat en dat de camera’s volgens hem geen inbreuk maken op de privacy.

2.9. Op 3 januari 2011 heeft de advocaat van [eiseres] [gedaagden] aangeschreven met het verzoek om een tweetal bestuursleden de camerabeelden te laten bekijken. Op dit verzoek heeft [gedaagden] niet gereageerd.

3. Het standpunt van [eiseres]

3.1. [eiseres] stelt dat [gedaagden] onrechtmatig handelt door zonder toestemming van [eiseres], permanent camera’s op de aan [eiseres] toebehorende percelen te richten en beelden daarvan, inclusief de daarop zich bevindende bewoners en bezoekers ook op te nemen. [gedaagden] maakt daardoor inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van bewoners en bezoekers van het park. Bovendien is het doel dat [gedaagden] met de camera’s nastreeft volgens [eiseres] al bereikt, nu het inmiddels duidelijk is wie de vernielingen pleegde. Het door [gedaagden] ingezette middel om de vernielingen te voorkomen is naar mening van [eiseres] buitenproportioneel zwaar. Een belangenafweging dient volgens [eiseres] dan ook in haar voordeel uit te vallen. [eiseres] vordert dan ook dat [gedaagden] onder meer wordt bevolen om de camera’s alleen op zijn eigen perceel te richten.

Daarnaast bevindt één van de camera’s zich in een aan partijen in gezamenlijk eigendom toebehorende boom, zonder dat hiervoor toestemming is gevraagd aan [eiseres]. Hierdoor maakt [gedaagden] volgens [eiseres] inbreuk op het (mede-)eigendomsrecht van [eiseres], hetgeen onrechtmatig is. [eiseres] vordert ook om die reden dat deze camera uit de boom wordt verwijderd.

Doordat er sprake is van een voortdurende inbreuk op de privacy van de bewoners en de bezoekers van het park en een inbreuk op het (mede-)eigendomsrecht van [eiseres] is [eiseres] van mening dat zij een spoedeisend belang heeft bij haar vordering. Daarnaast heeft zij lang gewacht met procederen, nu dit een zwaar middel is en zij eerst via andere wegen wilde proberen om het probleem op te lossen.

4. Het standpunt van [gedaagden]

4.1. [gedaagden] betwist als eerste het spoedeisend belang van [eiseres] nu [eiseres] al sinds november 2009 bekend is met het feit dat [gedaagden] een drietal camera’s op zijn perceel heeft geplaatst.

[gedaagden] voert aan dat hij het recht heeft om zichtbaar camera’s te plaatsen ter beveiliging van zijn erf en woning en dat dit noodzakelijk is gelet op de voortdurende vernielingen van aan hem in eigendom toebehorende zaken. Volgens [gedaagden] wordt door de camera’s geen inbreuk gemaakt op de privacy nu slechts een klein gedeelte van de weg is te zien op twee van de drie van de camera’s. Bovendien komen personen volgens [gedaagden] niet herkenbaar in beeld. [gedaagden] betwist bovendien dat de beelden lang bewaard blijven, nu deze na 10 tot 12 dagen worden “overschreven”.

Mocht er wel sprake zijn van een inbreuk op de privacy van bewoners en bezoekers dan voert [gedaagden] aan dat deze wordt gerechtvaardigd door het recht van [gedaagden] om zijn eigendommen te beschermen. [gedaagden] betoogt dat het noodzakelijk is dat hij een stuk van de weg die langs de heg loopt filmt, nu juist hier de vernielingen hebben plaatsgevonden.

Ten aanzien van de camera die zich in de boom bevindt voert [gedaagden] aan dat artikel 5:67 Burgerlijk Wetboek (verder: BW) analoog moet worden toegepast nu de boom in gemeenschappelijk eigendom aan partijen toebehoort. Op grond van dit artikel stelt [gedaagden] dat hij geen toestemming van [eiseres] nodig heeft om de camera te plaatsen. [gedaagden] beroept zich voorts op artikel 3:169 BW, nu volgens [gedaagden] niet gesteld kan worden dat plaatsing van de camera in de boom niet te verenigen zou zijn met het recht van [eiseres] ten aanzien van de boom. Ten slotte stelt [gedaagden] dat de vordering van [eiseres] tot verwijdering van de camera uit de boom misbruik van bevoegdheid oplevert.

5. De beoordeling

5.1. Het spoedeisend belang bij de vorderingen van [eiseres] is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aanwezig, nu [eiseres] aanvoert dat er enerzijds sprake is van een voortdurende inbreuk op haar privacy en er anderzijds volgens haar sprake is van een voortdurende inbreuk op haar (mede-)eigendomsrecht. Bovendien zijn de camera’s nog niet zodanig lang aanwezig dat het spoedeisend belang om die reden is komen te vervallen.

5.2. In deze zaak gaat het in de kern genomen om de vraag wiens recht prevaleert: het recht van [eiseres] op bescherming van haar privacy of het recht van [gedaagden] om zijn eigendom te beschermen. Bij de beoordeling daarvan heeft te gelden dat een inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer in beginsel een onrechtmatige daad oplevert. De aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond kan echter aan een inbreuk het onrechtmatige karakter ontnemen. Of zulk een rechtvaardigingsgrond zich voordoet, kan slechts worden beoordeeld in het licht van de omstandigheden van het geval door tegen elkaar af te wegen enerzijds de ernst van de inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en anderzijds de belangen die met de inbreuk makende handelingen redelijkerwijs kunnen worden gediend (vgl. HR 31 mei 2002, NJ 2003, 589). De voorzieningenrechter zal per camera oordelen of de vorderingen van [eiseres] dienen te worden toegewezen.

5.3. Tijdens de descente van 30 maart 2011 heeft de voorzieningenrechter het volgende waargenomen en in aanwezigheid van partijen vastgesteld:

- op de beelden van de camera die aan de boom is bevestigd is een klein gedeelte van de weg te zien, welke eigendom is van [eiseres]. Op het moment dat de heer [Y] (secretaris van [eiseres]) op verzoek van de voorzieningenrechter over het op de camera zichtbare stuk weg loopt, constateert de voorzieningenrechter dat meneer [Y] slechts kortstondig en niet herkenbaar in beeld verschijnt;

- op de beelden van de camera die aan de paal is bevestigd is een gedeelte van de heg van [gedaagden] te zien en is een smalle, maar relatief lange strook van de weg, welke in eigendom toebehoort aan [eiseres], zichtbaar. Op het moment dat de heer [Y] op verzoek van de voorzieningenrechter over het op de camera zichtbare stuk weg loopt, is duidelijk te zien dat er iemand loopt en is deze persoon herkenbaar in beeld.;

- de boom waaraan de camera is bevestigd staat op de erfgrens van [gedaagden] en [eiseres] en staat voor de helft op het perceel van [gedaagden] en voor de andere helft op het perceel van [eiseres].

5.4. Ten aanzien van de camera die is bevestigd aan de boom overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Tijdens de descente is vast komen te staan dat deze camera slechts een klein gedeelte van de weg (welke in eigendom toebehoort aan [eiseres]) opneemt en dat op de beelden van deze camera personen kortstondig en niet herkenbaar

in beeld verschijnen. Van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de leden van [eiseres] is naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook geen sprake, zodat op deze grond de vordering tot verwijdering dan wel aanpassing van de stand van de camera niet voor toewijzing in aanmerking komt.

5.5. Tijdens de descente is met betrekking tot de boom waarin deze camera hangt echter wel gebleken dat – naar tussen partijen niet (langer) in geschil is – deze voor de helft op het perceel van [gedaagden] staat en voor de andere helft op het perceel van [eiseres]. De voorzieningenrechter overweegt dat een boom, die is verenigd met de grond van beide erven in eigendom toebehoort aan de eigenaars van beide erven gezamenlijk, hetgeen partijen tijdens de descente ook hebben erkend.

Nu er sprake is van gemeenschappelijk eigendom is Titel 7 van boek 3 BW van toepassing. [gedaagden] heeft een beroep gedaan op artikel 3:169 BW, welk artikel bepaalt dat tenzij een regeling anders bepaalt, iedere deelgenoot bevoegd is tot het gebruik van een gemeenschappelijk goed, mits dit gebruik met het recht van de overige deelgenoten te verenigen is. De voorzieningenrechter dient aldus te beoordelen of het bevestigen van de camera aan de gemeenschappelijke boom te verenigen is met het recht van [eiseres]. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dit het geval nu [gedaagden] slechts een kleine camera aan de boom heeft bevestigd, waardoor [eiseres] niet wordt belemmerd in haar gebruiksrecht met betrekking tot de gemeenschappelijke boom. Dat er – zoals [eiseres] stelt – een precedentwerking van het plaatsen van de camera in de boom uit zou gaan, maakt niet dat het plaatsen van deze camera onverenigbaar is met recht van [eiseres] ten aanzien van deze boom. Gelet hierop is de toestemming van [eiseres] niet vereist voor het plaatsen van de camera. De voorzieningenrechter zal de vordering van [eiseres] die ziet op het verwijderen van de camera uit de gemeenschappelijke boom dan ook afwijzen.

5.6. Met betrekking tot de camera welke is bevestigd aan een paal in een van de hoeken van het perceel van [gedaagden] overweegt de rechtbank ten slotte het volgende. Tijdens de descente heeft de voorzieningenrechter vastgesteld dat op de beelden van deze camera een relatief lange strook weg (welke eigendom is van [eiseres]) zichtbaar is en dat personen duidelijk en herkenbaar op dit deel van de weg worden opgenomen indien zij pal langs de heg lopen. Door deze camera wordt naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook een inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de leden van [eiseres]. [gedaagden] heeft een rechtvaardigingsgrond aangevoerd in die zin dat camerabewaking noodzakelijk is gelet op de vernielingen die plaats hebben gevonden. De voorzieningenrechter overweegt dat vaststaat dat er vernielingen plaats hebben gevonden en dat daarnaast is gebleken dat de vernielingen van de heg die door de camera wordt opgenomen inmiddels zijn gestopt, zodat de maatregel klaarblijkelijk effectief is. Daarnaast is door [eiseres] onvoldoende betwist dat op andere plaatsen op het perceel van [gedaagden] nog steeds vernielingen plaatsvinden. [gedaagden] heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook een belang bij de aanwezigheid van camera’s. Daar komt bij dat [gedaagden] genoegzaam heeft gesteld dat de door hem te beschermen eigendom (namelijk de heg) niet op een andere manier met de camera kan opnemen, dan zoals hij dit nu doet. Wanneer hij immers niet een gedeelte van het perceel van [eiseres] zou opnemen, zou degene die de heg vernielt niet zichtbaar in beeld komen. Nu [gedaagden] bovendien slechts een smalle strook, welke pal naast de weg loopt, filmt, is er sprake van een geringe inbreuk op de privacy. Het belang van [gedaagden] op bescherming van zijn eigendom dient in dit geval dan ook te prevaleren boven het belang van [eiseres] op bescherming van de privacy van haar leden. Voorgaande overwegingen leiden tot de slotsom dat de vordering van [eiseres], welke er op ziet dat [gedaagden] deze camera enkel en alleen op zijn eigen perceel dient te richten, zal worden afgewezen.

5.7. Nu [gedaagden] niet gehouden is de stand van de camera’s aan te passen, zal de voorzieningenrechter de vordering van [eiseres] om de beelden te mogen controleren, bij gebrek aan belang, eveneens afwijzen. De voorzieningenrechter overweegt ten slotte nog dat zij er daarbij van uitgaat dat [gedaagden] de positie van de camera’s niet op dusdanige manier aan zal passen dat alsnog (een verdergaande) inbreuk wordt gemaakt op de privacy van [eiseres]. Indien dat in de toekomst wel het geval blijkt te zijn kan de zaak opnieuw aan de rechter ter beoordeling worden voorgelegd.

5.8. [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagden] worden begroot op:

- vast recht 258,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal EUR 1.074,00

6. De beslissing

De voorzieningenrechter

6.1. wijst de vorderingen van [eiseres] af,

6.2. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden] tot op heden begroot op EUR 1.074,00,

6.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M. Telman en in het openbaar uitgesproken op 13 april 2011.?