Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2011:BP9433

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
28-03-2011
Datum publicatie
28-03-2011
Zaaknummer
11143 / KG ZA 11-67
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

vordering aansluiting nutsvoorzieningen; beroep op opschortingsrecht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 111043 / KG ZA 11-67

Vonnis in kort geding van 28 maart 2011

in de zaak van

[eiser],

wonende te [adres],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat: mr. M.R. Bartels, kantoorhoudende te Drachten,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

POSTMA RECREATIE BARRADEEL,

gevestigd te Tzummarum,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat: mr. M.M. Kroone, kantoorhoudende te Alkmaar.

Partijen zullen hierna [eiser] en Postma genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- de akte overlegging producties van de zijde van [eiser];

- het faxbericht d.d. 16 maart 2011 van de zijde van Postma, inhoudende de aankondiging van een eis in reconventie en toezending producties;

- de mondelinge behandeling van de zaak, gehouden op 16 maart 2011, die gevoegd heeft plaatsgevonden met de mondelinge behandeling van de zaak die bij de rechtbank bekend staat onder zaak- en rolnummer 111014 / KG ZA 11-66;

- de pleitnota van Postma.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] heeft op 23 oktober 2004 een koopovereenkomst gesloten met de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Schatzenburg B.V., ten behoeve van de aankoop van een perceel recreatieterrein in het recreatiecentrum Barradeel (hierna: het vakantiepark) te Tzummarum, gemeente Franekeradeel. Dit perceel recreatieterrein is bij notariële akte van 30 december 2004 aan [eiser] geleverd.

2.2. In de verkoopbrochure van Van Schagen Makelaardij te Tzummarum, die [eiser] voorafgaand aan de koop en levering van voornoemd perceel heeft ontvangen, staat op pagina 12 onder het kopje “4. Jaarlijks Bijkomende Kosten” onder meer vermeld:

“ Jaarlijks bijkomende kosten bij aankoop van een bouwkavel voor (sta) caravans

Parkbijdrage € 450,00*

Bijdrage gebruik zwembad € 92,31**

Kabel € 50,55*

Riool € 72,85

Afvalstofheffing / huisvuil € 175,10*

Gas/Water/Licht Gefactureerd door het park

* Excl. 19 % BTW

** Excl. 6 % BTW”

2.3. Op pagina 7 van de akte van levering met betrekking tot het perceel recreatieterrein d.d. 30 december 2004 is onder het kopje “Bijzondere Bepalingen” – voor zover van belang – bepaald:

“In gemelde tussen verkoper en verkrijger gesloten koopovereenkomst staat ondermeer nog vermeld, woordelijk luidende:

“Artikel 14 Algemene Voorzieningen/Parkkosten.

14.1. De in het recreatiecentrum waarin het verkochte is gelegen, gelegen wegen, paden, groenstroken, speelattributen, waterpartijen e.d. zijn en blijven eigendom van de verkoper, die verplicht is een en ander in goede staat van onderhoud te houden.

Koper verbindt zich jegens de verkoper of een namens de verkoper nader aan te wijzen derde en is jegens de verkoper of de door de verkoper namens hem aangewezen derde gehouden om bij te dragen in de parkkosten/lasten van onderhoud/vervanging, instandhouding en exploitatie van deze algemene voorzieningen.

14.2. De parkkosten bedragen € 450,00 per jaar, excl. 19 % BTW. Deze bestaan uit onderhoudskosten van openbare groenvoorzieningen/waterpartijen hetgeen ondermeer inhoud het schoonhouden van duikers, uitgraven en verwijderen van begroeiing, het verzorgen en uitbreiden van nieuwe aanplant. Verder behoort tot deze bijdrage het ophalen en afvoeren van huisvuil, en het schoonhouden van het recreatiecentrum en de verzekeringen.

(…)

14.4. De sub 1 en 2 bedoelde bijdragen zijn voor het eerst pro rato (vast te stellen door de verkoper) verschuldigd op de datum van oplevering van het verkochte en vervolgens telkens binnen 14 dagen na opgave door de verkoper van het verschuldigde bedrag.

Ieder beroep op compensatie of korting is uitgesloten.

Bij niet-tijdige betaling van de bijdrage of een gedeelte daarvan is de koper over de bijdrage een rente verschuldigd gelijk aan 1% per maand waarbij een gedeelte van een maand geldt als een volle maand. Tevens komen de buitengerechtelijke incassokosten met een minimum van € 50,00 voor rekening van de koper. (…)”

2.4. [eiser] heeft op het perceel recreatieterrein een mobiele stacaravan geplaatst.

2.5. Postma is in december 2008 eigenaar geworden van het vakantiepark.

2.6. Postma heeft [eiser] door middel van facturen de parkkosten over de jaren 2009, 2010 en 2011 in rekening gebracht, alsmede de kosten van de aansluiting op de kabeltelevisie, de hemelwaterafvoer, de rioolafvoer, de straatverlichting en de afvalstoffenheffing over deze jaren. Daarnaast heeft Postma een bijdrage van [eiser] gevraagd voor het groot onderhoud van de asfaltwegen op het recreatieterrein in 2010 en de kosten van het gas-, water- en elektraverbruik over de jaren 2010 en 2011 aan hem in rekening gebracht.

2.7. [eiser] heeft de facturen van Postma – ondanks diverse aanmaningen daartoe – tot op heden niet volledig voldaan.

2.8. Met betrekking tot de kosten die Postma [eiser] over het jaar 2009 in rekening heeft gebracht is een zaak aanhangig bij de sector kanton van de rechtbank

’s-Hertogenbosch, locatie Eindhoven. Deze zaak staat reeds geruime tijd voor vonnis.

2.9. Postma heeft in verband met het niet (volledig) betalen van de hiervoor bedoelde facturen de mobiele stacaravan van [eiser] op 10 maart 2011 afgesloten van het gas- water- en elektranetwerk.

3. Het geschil in conventie

3.1. [eiser] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, op de minuut en op alle dagen en uren:

a. Postma veroordeelt om binnen twee uren na betekening van het te wijzen vonnis, hem aan te (doen) sluiten op gas, water en elektriciteit en aangesloten te houden, op verbeurte van een dwangsom van EUR 1.000,00 voor elke dag of gedeelte van een dag dat zij dit gebod niet naleeft;

b. Postma veroordeelt in de kosten van het geding.

3.2. Postma voert verweer, met conclusie tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], en met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. Het geschil in reconventie

4.1. Postma vordert dat het de voorzieningenrechter moge behagen bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. [eiser] te veroordelen om aan haar te betalen een bedrag van EUR 3.396,94, vermeerderd met de overeengekomen rente van 1% per maand vanaf de vervaldata van de betreffende onderliggende facturen;

2. [eiser] te veroordelen in de proceskosten.

4.2. [eiser] voert verweer, met conclusie tot afwijzing van de vorderingen van Postma, onder veroordeling van Postma in de proceskosten.

4.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling

5.1. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om eerst de vordering in reconventie van Postma te beoordelen, omdat de beslissing op deze vordering van invloed is op de beoordeling van de vordering in conventie van [eiser].

in reconventie

5.2. De reconventionele vordering van Postma strekt tot veroordeling van [eiser] tot betaling van de openstaande bedragen op de facturen die zij hem in de periode van januari 2009 tot en met maart 2011 heeft gestuurd. Postma heeft deze facturen als productie 3 overgelegd. Postma heeft aan haar vordering – kort gezegd – ten grondslag gelegd dat [eiser] vanaf januari 2009 gebruik maakt van de (algemene) voorzieningen op het vakantiepark, maar dat hij grotendeels in verzuim is met de voldoening van de verplichte (want: overeengekomen) bijdragen voor dit gebruik.

5.3. [eiser] heeft de verschuldigdheid van de openstaande bedragen op de facturen van Postma grotendeels betwist.

5.4. De voorzieningenrechter overweegt als volgt met betrekking tot de reconventionele geldvordering van Postma. Voor toewijzing van een vordering tot betaling van een geldsom in kort geding is slechts plaats als het bestaan en de omvang van de vordering in hoge mate aannemelijk is, terwijl voorts uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist en het risico van onmogelijkheid van terugbetaling – bij afweging van de belangen van partijen – aan toewijzing niet in de weg staat (zie onder meer HR 28 mei 2004, NJ 2004, 602).

5.5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat Postma geen spoedeisend belang heeft bij haar geldvordering, voor zover deze ziet op de kostenposten die [eiser] over het jaar 2009 in rekening zijn gebracht. Over deze kostenposten is immers reeds een zaak aanhangig bij de sector kanton van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, locatie Eindhoven, die al geruime tijd voor vonnis staat. Niet valt in te zien waarom in zoverre een onmiddellijke voorziening bij voorraad is vereist. De voorzieningenrechter zal dit deel van de geldvordering van Postma dan ook afwijzen.

5.6. De voorzieningenrechter is – anders dan [eiser] – van oordeel dat Postma het spoedeisend belang bij haar geldvordering over de jaren 2010 en 2011 voldoende onderbouwd heeft gesteld. Postma heeft immers gesteld dat zij er belang bij heeft dat de verschuldigdheid van de door haar in rekening gebrachte bijdragen op korte termijn vast komt te staan, omdat er meerdere eigenaren van chalets en stacaravans op haar vakantiepark zijn die – net als [eiser] – de verschuldigdheid van een deel van deze bijdragen betwisten en die [eiser] hebben gevolgd in zijn voorbeeld om deze bijdragen niet aan haar te betalen. Dit laatste is ter zitting genoegzaam gebleken. Postma vreest hierdoor voor liquiditeitsproblemen aan haar zijde.

5.7. De voorzieningenrechter zal thans beoordelen of het bestaan en de omvang van de door Postma ingestelde geldvordering, voor zover deze betrekking hebben op de jaren 2010 en 2011, in hoge mate aannemelijk is. De verschillende kostenposten die [eiser] volgens Postma aan haar is verschuldigd zullen hierna achtereenvolgens worden behandeld.

- de parkkosten

5.8. Postma heeft [eiser] volgens de factuur d.d. 4 september 2009 en de creditfactuur d.d. 6 september 2009, over het jaar 2010 een bedrag van EUR 534,53 inclusief BTW aan parkkosten in rekening gebracht. Over het jaar 2011 heeft Postma [eiser] bij factuur van 18 september 2010 een bedrag van EUR 561,51 inclusief BTW aan parkkosten in rekening gebracht. Postma heeft gesteld dat [eiser] de parkkosten niet aan haar heeft voldaan.

5.9. [eiser] heeft erkend dat hij de parkkosten over jaren 2010 en 2011 niet aan Postma heeft voldaan. [eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat hij gerechtigd is om zijn verplichting tot het betalen van de parkkosten op te schorten, omdat Postma toerekenbaar tekort is geschoten in haar verplichtingen met betrekking tot (de kwaliteit van) de voorzieningen op het vakantiepark.

5.10. De voorzieningenrechter overweegt dat tussen partijen vast staat dat [eiser] de parkkosten over de jaren 2010 en 2011 aan Postma is verschuldigd. Deze verplichting vloeit voort uit artikel 14.1. van de koopovereenkomst d.d. 23 oktober 2004, waarnaar is verwezen op pagina 7 van de akte van levering d.d. 30 december 2004. De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiser] niet is gerechtigd om de verplichting tot het betalen van de parkkosten op te schorten. De voorzieningenrechter overweegt daartoe dat (zoals Postma ook heeft aangevoerd) onvoldoende aannemelijk is geworden dat Postma in zoverre verplichtingen op zich heeft genomen, zodat van een tekortschieten daarin geen sprake kan zijn (en dus ook niet van opschorting). Voor zover [eiser] zich beroept op verrekening van de geldvordering van Postma met de schadevordering die hij bij de sector kanton van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, locatie Eindhoven, heeft ingesteld, overweegt de voorzieningenrechter dat dit beroep niet slaagt, omdat in artikel 14.4. van de koopovereenkomst expliciet is bepaald dat ieder beroep op compensatie of korting is uitgesloten. Gelet hierop is [eiser] naar het oordeel van de voorzieningenrechter gehouden om de parkkosten onverkort aan Postma te voldoen en is de geldvordering van Postma met betrekking tot de parkkosten in hoge mate aannemelijk.

- aansluiting op de kabeltelevisie

5.11. Postma heeft tevens de kosten van de aansluiting op de kabeltelevisie over de jaren 2010 en 2011 van [eiser] gevorderd.

5.12. [eiser] heeft aangevoerd dat hij de aansluiting op de kabeltelevisie jaren geleden reeds heeft opgezegd en dat hij hiervoor over de jaren 2010 en 2011 derhalve geen kosten is verschuldigd.

5.13. Nu [eiser] de verschuldigdheid van de kosten van de aansluiting op de kabeltelevisie heeft betwist en de onderhavige procedure zich niet leent voor bewijsvoering omtrent de stellingen van partijen met betrekking tot de aansluiting op de kabeltelevisie, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voorshands niet in hoge mate aannemelijk geworden dat Postma een geldvordering op [eiser] heeft ter zake van deze kosten. De voorzieningenrechter zal het deel van de geldvordering van Postma dat betrekking heeft op de kosten van de aansluiting op de kabeltelevisie dan ook afwijzen.

- hemelwater- en rioolafvoer, straatverlichting en bijdrage groot onderhoud asfaltwegen

5.14. De geldvordering van Postma strekt verder tot veroordeling van [eiser] tot betaling van de kosten van de hemelwaterafvoer, rioolafvoer en straatverlichting over de jaren 2010 en 2011. Postma heeft [eiser] ter zake van deze kosten bij facturen van

4 september 2009 en 18 september 2010 een totaalbedrag van EUR 71,40 inclusief BTW in rekening gebracht. Tevens heeft Postma van [eiser] betaling gevorderd van een – volgens haar eigen zeggen eenmalige – bijdrage voor het groot onderhoud van de asfaltwegen op het vakantiepark in 2010. Deze bijdrage betreft volgens de factuur van Postma d.d. 21 februari 2010 een bedrag van EUR 274,30 inclusief BTW. Postma heeft gesteld dat de voornoemde kosten en bijdrage niet onder de parkkosten vallen, maar onder de kostenpost “algemene voorzieningen” zoals genoemd in artikel 14.1. van de koopovereenkomst met betrekking tot het perceel recreatieterrein d.d. 23 oktober 2004.

5.15. [eiser] heeft ten verwere aangevoerd dat de kosten van de hemelwaterafvoer, rioolafvoer en straatverlichting en de bijdrage voor het groot onderhoud van de asfaltwegen op het vakantiepark onder de parkkosten vallen, zoals genoemd in artikel 14.1. en 14.2. van de koopovereenkomst d.d. 23 oktober 2004, en dat Postma deze kosten en bijdrage derhalve niet afzonderlijk aan hem in rekening mag brengen. Naar de mening van [eiser] dient Postma de hoogte van deze bijdragen bovendien in overleg met de eigenaren van de stacaravans en chalets vast te stellen.

5.16. De voorzieningenrechter stelt vast dat partijen van mening verschillen over de vraag of de kosten van de hemelwaterafvoer, rioolafvoer en straatverlichting en de bijdrage voor het groot onderhoud van de asfaltwegen op het vakantiepark op grond van artikel 14 van de koopovereenkomst d.d. 23 oktober 2004 al dan niet onder de jaarlijks door [eiser] verschuldigde parkkosten vallen en of Postma deze kosten en bijdrage derhalve al dan niet

– naast de parkkosten – in rekening mag brengen aan [eiser]. De voorzieningenrechter overweegt dat voor de uitleg van artikel 14 van de koopovereenkomst niet slechts de zuiver taalkundige uitleg bepalend is, maar dat het bij de uitleg van dit artikel tevens aankomt op de zin die partijen over en weer in de gegeven omstandigheden aan deze bepaling mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (zie HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635).

5.17. De voorzieningenrechter stelt vast dat in artikel 14.1. van de koopovereenkomst d.d. 23 oktober 2004 – kort gezegd – is bepaald dat [eiser] is gehouden “om bij te dragen in de parkkosten/ lasten van onderhoud/vervanging, instandhouding en exploitatie van deze algemene voorzieningen’. [eiser] heeft aangevoerd dat dit artikel aldus moet worden uitgelegd, dat alle hierin genoemde lasten onder de parkkosten vallen. De voorzieningenrechter volgt [eiser] niet in deze uitleg. In artikel 14.2. van de koopovereenkomst is immers duidelijk omschreven welke kosten onder meer onder de parkkosten vallen. In dit artikellid zijn niet de lasten van onderhoud, vervanging, instandhouding en exploitatie van de algemene voorzieningen op het park genoemd. Nu bovendien in artikel 14.4. van deze overeenkomst wordt gesproken over de in ‘sub 1 en 2 bedoelde bijdragen’, is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat artikel 14.1. aldus moet worden uitgelegd, dat [eiser] jaarlijks is gehouden om de parkkosten te betalen, alsmede om bij te dragen in de lasten van onderhoud, vervanging, instandhouding en exploitatie van de algemene voorzieningen op het vakantiepark.

5.18. De voorzieningenrechter stelt bovendien vast dat in de verkoopbrochure die [eiser] voorafgaand aan het sluiten van de koopovereenkomst heeft ontvangen de kostenpost ‘riool’ als jaarlijks bijkomende kosten naast de parkkosten zijn vermeld. Gelet op het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de geldvordering van Postma met betrekking tot de kosten van de hemelwaterafvoer, rioolafvoer en straatverlichting (ad EUR 71,40 inclusief BTW) en de bijdrage voor het groot onderhoud van de asfaltwegen op het vakantiepark (ad EUR 274,30 inclusief BTW) in hoge mate aannemelijk is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eiser] zijn stelling dat Postma de hoogte van de bijdragen in overleg met de eigenaren van de stacaravans en chalets op het park dient vast te stellen, niet dan wel onvoldoende onderbouwd. De voorzieningenrechter zal dan ook aan deze stelling voorbijgaan.

- afvalstoffenheffing

5.19. De vordering van Postma strekt voorts tot veroordeling van [eiser] tot betaling van de facturen van 4 september 2009 en 18 september 2010, voor zover deze betrekking hebben op de afvalstoffenheffing. Postma heeft [eiser] over de jaren 2010 en 2011 een totaalbedrag van EUR 503,81 inclusief BTW in rekening gebracht aan afvalstoffenheffing. Postma heeft gesteld dat de gemeente Franekeradeel haar als onderneming jaarlijks afvalstoffenheffing in rekening brengt voor het storten van huisvuil en dat zij deze heffing omslaat over de eigenaren van de stacaravans en chalets op haar park. De afvalstoffenheffing ziet volgens Postma niet op het ophalen en afvoeren van huisvuil op haar vakantiepark. Het ophalen en afvoeren van het huisvuil op haar park, als bedoeld in artikel 14.2 in de koopovereenkomst d.d. 23 oktober 2004, bestaat er volgens Postma uit dat de containers, die op centrale plekken in het vakantiepark staan, wekelijks door middel van een vrachtwagen worden geleegd. Postma heeft gesteld dat de gemeente Franekeradeel het legen van deze afzonderlijke containers niet voor haar rekening neemt.

5.20. [eiser] heeft aangevoerd dat de door Postma in rekening gebrachte afvalstoffenheffing ziet op het ophalen en afvoeren van het huisvuil, voor welke kostenpost de parkkosten ingevolge artikel 14.2. van de koopovereenkomst d.d. 23 oktober 2004 reeds een vergoeding omvatten. Derhalve mag Postma deze kosten naar zijn mening niet nogmaals afzonderlijk aan hem in rekening brengen. [eiser] heeft ter zitting d.d. 16 maart 2011 voorts verklaard dat hij de gemeentelijke afvalstoffenheffing rechtstreeks aan de gemeente Franekeradeel betaalt.

5.21. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de geldvordering van Postma met betrekking tot de afvalstoffenheffing ad EUR 503,81 inclusief BTW eveneens in hoge mate aannemelijk is. De voorzieningenrechter overweegt daartoe als volgt. Op pagina 12 van de verkoopbrochure die [eiser] voorafgaand aan de koop en levering van het perceel recreatieterrein heeft ontvangen, zijn de jaarlijks bijkomende kosten bij de aankoop van een bouwkavel voor (sta)caravans vermeld. Naast de parkbijdrage, is afzonderlijk de kostenpost “Afvalstoffenheffing / huisvuil” vermeld. Hieruit kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter worden afgeleid dat de door Postma in rekening gebrachte afvalstoffenheffing niet onder de parkkosten vallen (en dat [eiser] dat ook niet zo heeft mogelijk begrijpen) en aldus ook niet onder de kosten voor het “ophalen en afvoeren van huisvuil” vallen, zoals genoemd in artikel 14.2. van de koopovereenkomst d.d. 23 oktober 2004. De voorzieningenrechter is van oordeel dat Postma het verschil tussen de afvalstoffenheffing en de kosten van het ophalen en afvoeren van huisvuil ter zitting d.d.

16 maart 2011 ook voldoende onderbouwd uiteen heeft gezet. De voorzieningenrechter zal voorbijgaan aan de stelling van [eiser] dat partijen in de koopovereenkomst van

23 oktober 2004 zijn afgeweken van hetgeen in de verkoopbrochure is opgenomen met betrekking tot de afvalstoffenheffing, nu deze stelling in het geheel niet is onderbouwd. Voorts is de voorzieningenrechter van oordeel dat [eiser] niet dan wel onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat hij de afvalstoffenheffing rechtstreeks aan de gemeente Franekeradeel betaalt.

- gas-, water- en elektraverbruik

5.22. Postma heeft ten slotte van [eiser] betaling gevorderd van de factuur d.d. 6 maart 2011, die ziet op de kosten voor het gas-, water- en elektraverbruik over de maand februari 2011. Nu Postma ter zitting d.d. 16 maart 2011 heeft verklaard dat deze factuur nog niet opeisbaar is, zal de voorzieningenrechter de geldvordering van Postma met betrekking tot deze factuur afwijzen.

5.23. Gelet op het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het in hoge mate aannemelijk is dat Postma in ieder geval een geldvordering van EUR 1.945,55 (inclusief BTW) op [eiser] heeft. Dit bedrag is – volgens de onderstaande berekening – de optelsom van de geldvorderingen ter zake van de verschillende kostenposten die Postma aan [eiser] in rekening heeft gebracht en waarvan de voorzieningenrechter hiervoor heeft geoordeeld dat deze geldvorderingen in hoge mate aannemelijk zijn.

- parkkosten EUR 1.096,04

- hemelwater- en rioolafvoer / straatverlichting EUR 71,40

- groot onderhoud asfaltwegen EUR 274,30

- afvalstoffenheffing EUR 503,81

Totaalbedrag EUR 1.945,55 (inclusief BTW)

5.24. Nu niet gesteld of gebleken is dat bij toewijzing van de in hoge mate aannemelijke geldvordering van Postma (ad EUR 1.945,55 inclusief BTW) het risico van onmogelijkheid van terugbetaling door Postma bestaat of dat de belangen van [eiser] zich verzetten tegen toewijzing van deze vordering, zal de voorzieningenrechter de door Postma in reconventie ingestelde geldvordering deels toewijzen, in die zin dat [eiser] zal worden veroordeeld om aan Postma een bedrag te betalen van EUR 1.945,55 inclusief BTW. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om dit bedrag – conform de vordering van Postma – te vermeerderen met 1 % rente per maand vanaf de vervaldata van de betreffende onderliggende facturen, nu Postma onweersproken heeft gesteld dat zij de verschuldigdheid van deze rente met [eiser] is overeenkomen en [eiser] geen verweer heeft gevoerd tegen de vordering van Postma op dit punt.

5.25. De voorzieningenrechter zal [eiser] als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten veroordelen. De kosten aan de zijde van Postma worden vastgesteld op EUR 816,00 aan salaris advocaat.

in conventie

5.26. De voorzieningenrechter begrijpt de conventionele vordering van [eiser] aldus, dat hij veroordeling van Postma wenst tot het (doen) aansluiten van zijn mobiele stacaravan op het gas-, water- en elektranetwerk. [eiser] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat Postma door het afsluiten van zijn stacaravan op dit netwerk toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de afspraak om hem gebruik te laten maken van de nutsvoorzieningen. Postma pleegt naar de mening van [eiser] althans een onrechtmatige daad jegens hem, dan wel maakt misbruik van haar bevoegdheid. [eiser] heeft gesteld dat hij een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering, omdat hij en zijn gezin bijna elk weekend in de stacaravan verblijven en het gebruik van de stacaravan niet goed mogelijk is, indien zij geen gebruik kunnen maken van de nutsvoorzieningen.

5.27. Postma heeft ten verwere aangevoerd dat zij haar verplichting om de stacaravan van [eiser] op het gas-, water- en elektranetwerk aan te sluiten heeft opgeschort, omdat [eiser] in verzuim is met het voldoen van de (volledige) bijdragen voor het gebruik van het recreatieterrein over de jaren 2010 en 2011. Postma is van mening dat de afsluiting van de nutsvoorzieningen geen noodsituatie voor [eiser] oplevert, omdat de afsluiting hem slechts belemmert in het recreëren ter plaatse.

5.28. De voorzieningenrechter overweegt als volgt met betrekking tot de conventionele vordering van [eiser]. Tussen partijen staat vast dat Postma jegens [eiser] de verplichting heeft om de stacaravan van [eiser] aan te sluiten op het gas-, water- en elektranetwerk. Partijen verschillen echter van mening over de vraag of Postma deze verplichting gerechtvaardigd heeft mogen opschorten. Ingevolge artikel 6:52 lid 1 BW is een schuldenaar die een opeisbare vordering heeft op zijn schuldeiser, bevoegd de nakoming van zijn verbintenis op te schorten totdat voldoening van zijn vordering plaatsvindt, indien tussen de vordering en de verbintenis voldoende samenhang bestaat om deze opschorting te rechtvaardigen. Gelet op hetgeen in reconventie is overwogen en beslist, staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter vast dat Postma (in ieder geval) een opeisbare geldvordering van EUR 1.945,55 inclusief BTW op Postma heeft en dat [eiser] in verzuim is met de betaling van dit bedrag. De voorzieningenrechter is – anders dan [eiser] – ook van oordeel dat er voldoende samenhang bestaat tussen de geldvordering van Postma en de verbintenis van Postma tot nakoming van de afspraak om de stacaravan van [eiser] aangesloten te houden op het gas-, water- en elektranetwerk. Deze verbintenissen vloeien immers voort uit dezelfde rechtsverhouding, nu zowel de geldvordering van Postma, als de verplichting voor Postma om de stacaravan van [eiser] aan te sluiten op het gas-, water- en elektranetwerk voortvloeien uit de afspraken die zij onderling hebben gemaakt over het gebruik van het perceel recreatieterrein en de stacaravan. Gelet op deze samenhang, alsmede op het gegeven dat niet gesteld of gebleken is dat Postma had kunnen volstaan met de opschorting van een minder vergaande verplichting, is de opschorting door Postma naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook gerechtvaardigd. De voorzieningenrechter neemt hierbij mede in aanmerking dat de afsluiting van de stacaravan van [eiser] op het gas-, water- en elektranetwerk geen noodtoestand aan de zijde van [eiser] oplevert. Deze afsluiting raakt immers niet een primaire levensbehoefte van [eiser], maar belemmert hem slechts in het recreëren ter plaatse. Het afsluiten van de stacaravan van [eiser] op het gas-, water- en elektranetwerk levert naar het oordeel van de voorzieningenrechter – anders dan [eiser] heeft gesteld – derhalve geen eigenrichting, misbruik van bevoegdheid of toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de tussen partijen gemaakte afspraken op. De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat [eiser] niet althans onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat de opschorting een onrechtmatige daad jegens hem oplevert dan wel in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. De voorzieningenrechter zal dan ook voorbijgaan aan deze stellingen en de conventionele vordering van [eiser] afwijzen.

5.29. [eiser] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Postma worden vastgesteld op:

- vast recht EUR 568,00

- salaris EUR 816,00

Totaal EUR 1.384,00

6. De beslissing

De voorzieningenrechter,

in conventie

6.1. wijst de vorderingen van [eiser] af,

6.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Postma tot op heden vastgesteld op EUR 1.384,00,

6.3. verklaart dit vonnis in conventie voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

6.4. veroordeelt [eiser] om aan Postma een bedrag van EUR 1.945,55 inclusief BTW te betalen, te vermeerderen met 1% rente per maand vanaf de vervaldata van de betreffende onderliggende facturen tot aan de dag der algehele voldoening,

6.5. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Postma tot op heden vastgesteld op EUR 816,00,

6.6. verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.7. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M. Telman en in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2011.?