Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2011:BP8611

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
22-03-2011
Datum publicatie
22-03-2011
Zaaknummer
17/880517-10 VON
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Brandstichting, containerbranden, veroordeling.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 157
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector straf

parketnummer 17/880517-10 VON

ad informandum gevoegd parketnummer 17/880517-10

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 22 maart 2011 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

thans gedetineerd in P.I. Noord, gevangenis De Marwei, te Leeuwarden.

De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 8 maart 2011.

Verdachte is niet verschenen; wel is verschenen mr. C. Niens, advocaat te Joure, die verklaard heeft uitdrukkelijk tot de verdediging te zijn gemachtigd.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 9 oktober 2010, te [plaats, in de gemeente naam] opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een, op de [adres], aldaar, aanwezige (vuil)container/klikobak, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk met de vlam van een aansteker een hoeveelheid (in die container/klikobak aanwezig) papier en/of plastic en/of afval in brand gestoken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan dat papier en/of plastic en/of afval geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die container/kliko bak en/of in de directe nabijheid geplaatste andere container(s)/kliko(s) bak(ken) en/of een zich in de directe nabijheid bevindende (kastanje)boom en/of een zich in de directe nabijheid bevindende schutting, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was;

(Art. 157 onder 1 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte

hij op of omstreeks 9 oktober 2010, te [plaats, in de gemeente naam] opzettelijk en wederrechtelijk een (vuil)container/klikobak, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Eetcafé [naam], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

(Art. 350 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 26 juli 2010, te [plaats, in de gemeente naam]

opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een schuur, gelegen aan of bij de [adres], aldaar, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk met de vlam van een aansteker een of meer houten de(e)l(en)/planken, deeluitmakende van die schuur, in brand gestoken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die schuur geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor in die schuur bevindende goederen en/of voor in de directe nabijheid gelegen woning(en)/garage(s) en/of zich in die woning(en)/garage(s) bevindende goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of

levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de aanwezige perso(o)n(en) in die in de directe nabijheid gelegen woning(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

(Art. 157 onder 1 en/of onder 2 Wetboek van Strafrecht)

3.

hij in of omstreeks de periode van 16 september 2010 tot en met 17 september 2010, te [plaats, in de gemeente naam] opzettelijk brand heeft gesticht in/aan de [adres], aldaar, aanwezige (papier)container(s)/klikobak(ken), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk met de vlam van een aansteker een hoeveelheid (in die container(s)/kliko bak(ken) aanwezig) karton en/of papier en/of plastic en/of afval in brand gestoken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan dat karton en/of papier en/of plastic en/of afval geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die container/kliko bak en/of in de directe nabijheid geplaatste andere container(s)/kliko(s) bak(ken) en/of in de directe nabijheid gelegen woning(en)/bedrijfspand(en) en/of zich in die woning(en)/bedrijfspand(en) bevindende goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de aanwezige perso(o)n(en) in die in de directe nabijheid gelegen woning(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

(Art. 157 onder 1 en/of onder 2 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte

hij in of omstreeks de periode van 16 september 2010 tot en met 17 september 2010,

te [plaats, in de gemeente naam] opzettelijk en wederrechtelijk (een) (papier)container(s)/klikobak(ken), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Henk Ten Hoor Textiel, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

(Art. 350 Wetboek van Strafrecht)

4.

hij in of omstreeks de periode van 29 juli 2010 tot en met 20 augustus 2010, te [plaats, in de gemeente naam] meermalen, althans eenmaal, opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een, in of aan de [adres], aldaar, aanwezige stapel (openhaard)hout, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een hoeveelheid lampenolie, in ieder geval een brandversnellend middel over die houtstapel gesprenkeld en/of/vervolgens met de vlam van een aansteker die houtstapel in brand gestoken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die houtstapel en/of een afdekzeil, dat zich op die houtstapel bevond, geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die houtstapel en/of dat afdekzeil en/of voor in de directe nabijheid gelegen woning(en) en/of zich in die woning(en) bevindende goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was;

(Art. 157 onder 1 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte

hij in of omstreeks de periode van 29 juli 2010 tot en met 30 augustus 2010, te [plaats, in de gemeente naam] meermalen, althans eenmaal, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten in/aan een zich in of bij de [adres] bevindende stapel (openhaard)hout, met dat opzet een hoeveelheid lampenolie over die houtstapel heeft gesprenkeld en/of/vervolgens met de vlam van een aansteker die houtstapel in brand heeft gestoken, in elk geval met dat opzet (open) vuur in aanraking heeft gebracht met die houtstapel, althans met (een) brandbare stof(fen), terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(Art. 157 jo. art. 45 Wetboek van Strafrecht)

meer subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte

hij in of omstreeks de periode van 29 juli 2010 tot en met 30 augustus 2010, te [plaats, in de gemeente naam] opzettelijk en wederrechtelijk een stapel (openhaard)hout en/of een afdekzeil, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

(Art. 350 Wetboek van Strafrecht)

5.

hij op of omstreeks 13 november 2010, te [plaats, in de gemeente naam]

opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een, in de [adres], aldaar, aanwezige (afval)container/klikobak, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk met de vlam van een aansteker een hoeveelheid (in die container/kliko bak aanwezig) papier en/of plastic en/of afval in brand gestoken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan dat papier en/of plastic en/of afval geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die container/kliko bak en/of in de directe nabijheid geplaatste andere container(s)/kliko(s) bak(ken) en/of in de directe nabijheid gelegen woning(en) en/of zich in die woning(en) bevindende goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen;

(Art. 157 onder 1 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte

hij op of omstreeks 13 november 2010, te [plaats, in de gemeente naam] opzettelijk en wederrechtelijk een (afval)container/klikobak, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de Noord Nederlandse Reinigings Dienst, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

(Art. 350 Wetboek van Strafrecht)

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De rechtbank leest in het onder 4. primair en subsidiair ten laste gelegde in de vijfde zin de zinsnede "middel over die houtstapel gesprenkeld " als "middel over een aantal houtblokken in die houtstapel gesprenkeld". In de zesde zin leest de rechtbank "die houtstapel" als "die houtblokken". Deze verbeterde lezing geldt ook ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde. De rechtbank acht namelijk een feit van algemene bekendheid dat een houtstapel uit meerdere losse houtblokken bestaat. De rechtbank voegt aan de laatste zin van het onder 5. primair ten laste gelegde toe de woorden: "te duchten was" nu de weglating van die woorden een kennelijke misslag betreft.

De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- veroordeling voor het onder 1. primair, 2., 3. primair, 4. primair en 5. primair ten laste gelegde;

- oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- oplegging van de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht;

- verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen fles lampolie en (stuk) hout;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] tot een bedrag van € 6.500,00 vanwege de materiële en immateriële schade en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor dat bedrag;

- niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij [benadeelde partij] met betrekking tot het gevorderde bedrag van € 24.004,48 inzake de asbestsanering/schadeclaim;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [naam] tot een bedrag van € 225,00 en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor dat bedrag.

Beoordeling van het bewijs

Met betrekking tot het gebruik van de camerabeelden

Door de raadsvrouw is bepleit dat de verdachte van alle ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat tijdens het opsporingsonderzoek gebruik is gemaakt van camera's terwijl daartoe geen bevel voor stelselmatige observatie verstrekt was. Deze camerabeelden zijn daarom op onrechtmatige wijze verkregen. Deze onrechtmatig verkregen camerabeelden hebben geleid tot de aanhouding van verdachte, waardoor ook de aanhouding van verdachte onrechtmatig is geweest. Immers, het redelijk vermoeden van schuld voor de aanhouding van de verdachte was enkel gebaseerd op deze onrechtmatig verkregen camerabeelden. Dit vormverzuim leidt tot uitsluiting van de verklaringen van verdachte van het bewijs en aldus, bij gebrek aan ander bewijs, tot vrijspraak van verdachte.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Uit de stukken van het dossier blijkt dat er gedurende het opsporingsonderzoek gebruik is gemaakt van camera's die zijn geplaatst en gericht op de openbare weg in de bebouwde kom van [plaats]. Deze camera's zijn geplaatst in de periode van 1 oktober 2010 tot en met 2 december 2010. Om te beoordelen of het gebruik van de door de politie geplaatste camera's een stelselmatige observatie oplevert moet volgens de jurisprudentie worden gekeken naar de frequentie, de intensiteit, de plaats, het doel en de duur van de observaties, de inzet van een technisch hulpmiddel en de mate van verdenking. De rechtbank leidt uit de stukken af dat de camera's zijn geplaatst om te onderzoeken wie als verdachte kan worden aangemerkt van een serie brandstichtingen in [plaats]. Op dat moment was nog niemand aangemerkt als mogelijke verdachte, dus ook verdachte niet. Nu bovendien de camera's geplaatst en gericht waren op de openbare weg kan niet worden gesproken van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verdachte waarbij min of meer een volledig beeld is verkregen van bepaalde aspecten van zijn privéleven. Er is derhalve geen sprake van een stelselmatige observatie als bedoeld in artikel 126g van het Wetboek van Strafvordering. Een machtiging van de officier van justitie was in casu dan ook niet vereist. De rechtbank verwerpt het verweer.

Met betrekking tot het onder 1. ten laste gelegde

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte dient te worden veroordeeld voor de onder 1. primair ten laste gelegde brandstichting. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat verdachte bij de politie heeft verklaard dat hij denkt dat hij deze brandstichting zou kunnen hebben gepleegd.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Zoals blijkt uit de processen-verbaal van bevindingen van politie, waarin de camerabeelden worden omschreven, wordt verdachte om 02:33 uur in de nabije omgeving van de containerbrand in de [adres] gesignaleerd. Het proces-verbaal van bevindingen en de aangifte vermelden dat omstreeks 03:17 uur een melding wordt gedaan van een containerbrand in de [adres]. De rechtbank is van oordeel dat, gezien dat tijdsverschil, niet kan worden uitgesloten dat een ander dan verdachte deze brand heeft gesticht. Bovendien bevat de verklaring van verdachte geen redenen van wetenschap maar is deze verklaring slechts een gissing van verdachte. Het dossier bevat voorts geen ander bewijs dat duidt op de betrokkenheid van verdachte bij de brandstichting. Bovendien is verdachte woonachtig in de omgeving van de [adres] en is aldus te verklaren dat verdachte is gesignaleerd op de camera's. De rechtbank merkt ten overvloede op dat, in dezelfde periode als waarin deze brand heeft gewoed, naast verdachte twee andere personen zijn aangehouden op verdenking van brandstichtingen in [plaats]. Dat gegeven ondersteund de rechtbank in haar oordeel dat niet kan worden uitgesloten dat een ander dan verdachte betrokken is bij deze brandstichting. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van het onder 1. primair en subsidiair ten laste gelegde.

Met betrekking tot het onder 2. ten laste gelegde

De rechtbank past de hierna te noemen bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder weergegeven.

1. De verklaring van verdachte, -zakelijk weergegeven- onder meer inhoudende:

Ik heb alle branden in de omgeving van mijn woning gesticht. De tweede brand was het schuurtje. Ik heb het schuurtje met mijn aansteker aangestoken.1 Het ging om een houten schuur. Ik zag dat een gedeelte van het hout los was gekomen en naar buiten uitstak. Ik pakte mijn aansteker en stak deze aan. Ik hield de aansteker tegen de houten buitenlaag aan. Na een tijdje begon het te branden. Toen ik zag dat het hout begon te branden ben ik er even bij blijven staan. Toen ik zag dat het heviger begon te branden ben ik snel weg gelopen. Er wonen wel mensen omheen en er staan lantaarnpalen. Na de brand kon ik vanaf de [adres] zien dat een gedeelte van het schuurtje weg was.2 Als ik er later over nadenk, denk ik dat het nog maar net goed is gegaan. Er is toch gevaar ontstaan voor mensen en andere goederen.3

2. De verklaring van aangever [benadeelde partij], -zakelijk weergegeven- onder meer inhoudende:

Op 26 juli 2010 omstreeks 03:45 uur werd ik wakker van geknal. Ik sliep met mijn vrouw en onze paar maanden oude baby op de eerste verdieping aan de voorzijde van onze woning aan de [adres] te [plaats]. Ik keek uit het raam en zag dat mijn schuur in de brand stond. Het was inmiddels al een grote vuurzee.4

3. Een schriftelijk stuk, zijnde een brief van de commandant van de Brandweer Skarsterlân en Lemsterland5, -zakelijk weergegeven- onder meer inhoudende:

Door de politie is mij verzocht een verklaring af te geven over de mogelijke gevolgen van een brand in een houten schuurt aan de [adres] te [plaats] op 26 juli 2010. Achter het pand [adres] stond een houten schuur voorzien van een asbestcement dkaplaat. Aan de zijde van de [adres] grenst de woning [adres] direct aan de schuur. Het pand [adres] 26 grenst aan de zijkant van de schuur. Aan de achterzijde is een grote schuur gelegen met eveneens een asbestcement dakplaat. Aan de zijde van de [naam] grenst op 2 meter afstand een woning aan de schuur. Aan de zijkant van deze woning is een raam gelegen. Tijdens het onstaan van de brand waren in het pand [adres] twee volwassen personen en een baby aanwezig. In de woning [adres] was 1 persoon aanwezig. Al deze personen waren aan het slapen en zijn tijdens de brand wakker geworden. De bewoners van de direct aanliggende panden weten ternauwernood de eigen woningen te verlaten. Door de hevigheid van de brand spatten delen van de asbestcementplaten van het dak van de schuur en deze komen neer in de omgeving zoals in de tuinen van omliggende panden en op de daken van naastgelegen gebouwen. Het vuur slaat door naar de woning op [adres] in deze woning ontstaat brandschade en grote rook- en waterschade. De brand breidt eveneens uit naar het pand naast de schuur [adres]. Ook dit pand heeft brandschade en daarnaast rook- en waterschade. De woning op [adres] wordt natgehouden. Er ontstaat water- en rookschade aan de woning. Als de brand later was ontdekt was de kans reëel geweest dat het incident zich verder had ontwikkeld. Bij latere ontdekking was de kans groot geweest dat personen (dodelijk) letsel hadden opgelopen tengevolge van de brand. Vooral voor de drie bewoners, waaronder een baby, van het pand [adres] vormde het vuur een zeer grote bedreiging, omdat de brand al doorgeslagen was naar de woning. Ook had door de dichte bebouwing het vuur zich verder kunnen uitbreiden waardoor meerdere gebouwen verloren zouden zijn gegaan.

3. Het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van brandonderzoek door Unit Forensische Opsporing Techniek6, bevattende de verklaringen van verbalisanten [naam] -zakelijk weergegeven- onder meer inhoudende:

Wij hebben onderzoek ingesteld naar een brand aan een schuur aan de [adres] te [plaats], [gemeente]. Gezien vanaf de openbare weg bevond zich rechts van de schuur een brandgang en links was de schuur tegen een andere schuur aangebouwd. De schuur stond achter de woning. Tussen de woning en de schuur bevond zich een smalle opening van circa 80 cm. Aan de rechterzijde van de schuur was een grote houten schuur gelegen. De brand had zich ontwikkeld tot een uitslaande brand in het object. Door de brand was de uitbouw van de woning, die aan de schuur grensde, beschadigd. De boeirand en een deel van het dak was aangetast door de brand. In de badkamer en de keuken van de woning was veel brand en waterschade. Van de aangrenzende schuur was de tussenwand en een deel van de nok van het dak verbrand. Behalve voor inpandige goederen en voorwerpen was er, mede gelet op de geringe afstand tot naastgelegen objecten, gemeen gevaar voor personen en goederen te duchten.

Met betrekking tot het onder 3. ten laste gelegde

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte dient te worden veroordeeld voor de onder 3. primair ten laste gelegde brandstichting. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat verdachte bij de politie heeft verklaard dat hij denkt dat hij deze brandstichting zou kunnen hebben gepleegd.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij bang is dat hij deze brand heeft aangestoken. Deze verklaring van verdachte bevat geen redenen van wetenschap doch slechts een gissing van verdachte. Zonder steunbewijs is deze verklaring onvoldoende om de betrokkenheid van verdachte bij de brandstichting te bewijzen. Het dossier bevat niet zulk steunbewijs. De rechtbank is daarom van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte deze brand heeft gesticht en zal de verdachte vrijspreken van het onder 3. primair en subsidiair ten laste gelegde.

Met betrekking tot het onder 4. ten laste gelegde

De rechtbank past de hierna te noemen bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder weergegeven.

1. De verklaring van verdachte, -zakelijk weergegeven- onder meer inhoudende:

Ik heb de houtstapel met lampenolie in de brand proberen te steken. De eerste keer ben ik specifiek naar de houtopslag gelopen. Dit had ik thuis al bedacht. De houtopslag zit in de steeg tegenover mijn woning. Ik heb vervolgens mijn aansteker gepakt. Ik probeerde met mijn aansteker de houtblokken aan te steken. Ik zag dat het begon te smeulen. Ik heb vervolgens geprobeerd het blauwe zeil aan te steken. Ik heb toen lampenolie over het zeil en de blokken gedaan. Vervolgens heb ik met mijn aansteker het zeil en de houtblokken proberen aan te steken. Ik heb later nog een keer geprobeerd om een houtopslag in de brand te steken. Toen ik bij het hout stond heb ik mijn aansteker gepakt en heb ik geprobeerd om het hout aan te steken. Op het moment dat het een beetje brandt loop ik weg.7 Ik heb gezien dat het iets begon te branden.8

2. De verklaring van aangever [naam]9, -zakelijk weergegeven- onder meer inhoudende:

Ik woon aan de [naam] in [plaats]. In de nacht van 29 juli 2010 op vrijdag 30 juli 2010 hebben onbekenden getracht een stapel hout in brand te steken. Deze stapel staat tegen het aan mijn woning vastzittende schuurtje. In het afdekzeil zat een brandgat, terwijl het daar achter liggende hout geschroeid was. Het kozijn en de dakrand van het schuurtje zitten vlakbij de stapelhout en de stapel hout staat slechts op enkele meters van mijn woning. De kans dat mijn woning in brand zou zijn geraakt, als de stapel hout was gaan branden, was dan ook erg groot.

3. Het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van brandonderzoek door Unit Forensische Opsporing Techniek10, -zakelijk weergegeven- onder meer inhoudende:

Aan de achterzijde van de woning [adres] 5 bevond zich een aangebouwde stenen garage c.q. berging. Tegen de zijmuur van deze garage waren twee houten schotten gemonteerd, waartussen openhaardhout lag opgestapeld. Deze stapel werd aan de voorzijde bijeengehouden door een pallet. De voorzijde was afgedekt met een dekzeil. Deze stapel hout stond slechts enkele meters van de achtergevel van de woning. In het dekzeil van de houtopslag zat een ovaalvormig gat van ongeveer 20 bij 30 cm. Een pallet achter dit gat vertoonde sporen van brand. Het gat in het dekzeil was hoogstwaarschijnlijk ontstaan door het vuur in de pallet erachter. Op een plankje, wat als openhaardhout direct achter de genoemde pallet lag, zag ik een donkere vlek, mogelijk veroorzaakt doordat er een vloeistof op terecht was gekomen. Het genoemde plankje met donkere vlek werd door mij in een gasdichte zak veiliggesteld. Het stuk pallethout en het plankje werden onder monsternummers AAAM2697NL en AAAM2696NL naar het NFI verzonden.

4. Een schriftelijk stuk, zijnde een rapportage van het Nederlands Forensisch Instituut11 d.d. 8 september 2010, -zakelijk weergegeven- onder meer inhoudende:

In monsternummers AAAM2697NL en AAAM2696NL zijn vluchtige stoffen aangetoond die van een deels paraffinisch, deels isoparaffinisch product afkomstig zijn. Deze combinatie van deze vluchtige stoffen komt voor in bepaalde lampolies.

5. De verklaring van aangever [naam]12, -zakelijk weergegeven- onder meer inhoudende:

Ik woon aan de [naam] 5 te [plaats]. In de nacht van 20 augustus 2010 tussen 01:00 en 07:45 uur werd het feit gepleegd. Vanochtend ontdekte ik op de houtstapel een plastic fles. Deze fles was voorzien van het opschrift "lampolie". Ik zag dat rondom de fles vele blokken hout nat waren. Ik zag ook dat er een houtblok behoorlijk zwart verbrand was.

6. Het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van brandonderzoek door Unit Forensische Opsporing Techniek13, -zakelijk weergegeven- onder meer inhoudende:

Tijdens het door mij uitgevoerde onderzoek werd het volgende gezien en bevonden: in de stapel hout lag een stuk afgezaagd pallethout wat lichte brandschade vertoonde. Kennelijk was het vuur in dit stuk hout uit zichzelf gedoofd. Dit stuk hout en het omringende hout had een enigszins donkere verkleuring, alsof het nat was. Dit stuk hout is door mij opgestuurd naar het NFI onder monsternummer AABJ7185NL.

7. Een schriftelijk stuk, zijnde een rapportage van het Nederlands Forensisch Instituut14 d.d. 22 oktober 2010, -zakelijk weergegeven- onder meer inhoudende:

De aangetoonde reeks n-alkanen en iso-alkanen in monster [AABJ7185NL] is kenmerkend voor een deels paraffinisch, deels isoparaffinisch product afkomstig zijn. Deze combinatie van deze vluchtige stoffen komt voor in bepaalde lampolies.

Door de raadsvrouw is ter terechtzitting bepleit dat verdachte van het ten laste gelegde moet worden vrijgesproken nu er geen sprake is van een voltooid delict maar een poging tot brandstichting nu de uitvoeringshandelingen van verdachte niet verder zijn gekomen dan het aansteken van stukjes hout en het afdekzeil. Nu de goederen niet verder zijn afgebrand is er geen sprake van een voltooide brandstichting.

De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

Op grond van de bovenstaande bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte op twee verschillende momenten open vuur in aanraking heeft gebracht met een of meer, met lampolie besprenkelde, blokken hout. Beide keren heeft daardoor, weliswaar in geringe mate, brand gewoed. Daarbij is tijdens een van deze branden het dekzeil, dat over de houtstapel lag, deels verbrand. De rechtbank is vanwege het voorgaande van oordeel dat beide branden als voltooide delicten kunnen worden gekwalificeerd, namelijk brandstichting. Dat de branden van geringe omvang en mogelijk korte duur zijn geweest doet niet aan dat oordeel af nu het gevolg niet essentieel is voor de kwalificatie brandstichting.

Met betrekking tot het onder 5. ten laste gelegde

De rechtbank past de hierna te noemen bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder weergegeven.

1. De verklaring van verdachte, -zakelijk weergegeven- onder meer inhoudende:

Ik kan vertellen dat ik inderdaad een papiercontainer in de brand heb gestoken. Het was op een vrijdagavond.15 Ik heb op 13 november 2010 een papiercontainer op de [adres] in de brand gestoken.16 Toen ik op de [adres] liep, ter hoogte van een winkel welke net geopend is, zag ik containers staan. Deze containers staan op de straat in de omgeving van de garageboxen.17 Ik ben toen de [adres] ingelopen naar de containers.18 De containers stonden op een rijtje. De middelste container was een plastic container en hij was niet klein. Naast deze container stonden twee stalen containers. Ik ben naar de grijs zwarte container gelopen. Ik zag dat er karton in de container lag. Ik heb vervolgens mijn aansteker gepakt. Ik heb vervolgens met mijn aansteker een stuk karton in de brand gestoken. Ik zag dat het karton begon te branden. De container was bijna in zijn geheel gevuld. Ik wist dat de container vrijwel zeker verder zou afbranden.19

2. De verklaring van aangever [naam]20, -zakelijk weergegeven- onder meer inhoudende:

Op 13 november 2010 te 04:43 uur werd op de [adres] te [plaats], binnen de [gemeente] brand gesticht. Aan het bedrijf [naam], [adres] 12 te [plaats] hebben wij een afvalcontainer verhuurd. Dit betreft een grijze container op 4 wieltjes met een inhoud van 1100 liter. Afgelopen dinsdag 16 november 2010 werd ons bedrijf gebeld door de politie [plaats]. Zij vertelden ons dat onze container volledig was uit-/afgebrand. Door de brand in de container is deze totaal verloren gegaan.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat door de brand sprake is geweest van gemeen gevaar voor goederen nu het dossier geen stukken bevat over de situatie ter plaatse en uitsluitend de verdachte heeft verklaard dat er andere containers naast de in brand gestoken container stonden.

De rechtbank volgt de raadsvrouw niet in haar stelling. Volgens de verklaring van verdachte heeft hij in een plastic container brand gesticht terwijl naast deze container tevens twee andere containers stonden. De rechtbank is van oordeel dat het gemeen gevaar voor deze twee containers wettig en overtuigend kan worden bewezen nu geen rechtsregel verplicht dat elk bestanddeel van een bewezenverklaring met twee bewijsmiddelen behoeft te worden belegd.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 2., 4. primair en 5. primair ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

2.

hij op 26 juli 2010, te [plaats], in de [gemeente], opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een schuur, gelegen aan de [adres], aldaar, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk met de vlam van een aansteker een of meer houten delen/planken, deeluitmakende van die schuur, in brand gestoken, ten gevolge waarvan die schuur geheel is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor in die schuur bevindende goederen en voor de in de directe nabijheid gelegen woningen en garage en zich in die woningen en die garage bevindende goederen te duchten was, en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de aanwezige personen in die in de directe nabijheid gelegen woningen te duchten was;

4. primair

hij in de periode van 29 juli 2010 tot en met 20 augustus 2010, te [plaats, in de gemeente naam] meermalen, opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een, in of aan de [adres], aldaar, aanwezige stapel openhaardhout, immers heeft verdachte telkens toen aldaar opzettelijk een hoeveelheid lampenolie over een aantal blokken hout in die houtstapel gesprenkeld en vervolgens met de vlam van een aansteker die houtblokken in die houtstapel in brand gestoken, ten gevolge waarvan die houtstapel en een afdekzeil, dat zich op die houtstapel bevond, gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die houtstapel en dat afdekzeil en voor in de directe nabijheid gelegen woning en zich in die woning bevindende goederen te duchten was;

5. primair

hij op 13 november 2010, te [plaats], in de [gemeente], opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een, in de [adres], aldaar, aanwezige container, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk met de vlam van een aansteker een hoeveelheid in die container aanwezig papier in brand gestoken, ten gevolge waarvan dat papier geheel of gedeeltelijk is, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die container en in de directe nabijheid geplaatste andere containers te duchten was.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

2. Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

4. primair Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is, meermalen gepleegd.

5. primair Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking:

- de aard en de ernst van de gepleegde feiten;

- de omstandigheden waaronder deze zijn begaan;

- de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komt uit het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, de Pro Justitia rapportage van de psychiater d.d. 28 februari 2011, de Pro Justitia rapportage van de psycholoog d.d. 18 februari 2011 en het adviesrapport van Verslavingszorg Noord Nederland d.d. 2 maart 2011;

- de gedane erkenning van de verdachte zich nog aan het overige op de dagvaarding genoemde ad informandum onder 4. gevoegde strafbare feit te hebben schuldig gemaakt, welke zaken derhalve hiermee zijn afgedaan;

- de vordering van de officier van justitie;

- het pleidooi van de raadsvrouw.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een aantal brandstichtingen. Verdachte heeft een houten schuur in brand gestoken, terwijl de bewoners van de nabij gelegen woning, een echtpaar en een 10 weken oude baby, lagen te slapen. Toen zij bemerkten dat hun schuur in lichterlaaie stond, zijn zij in blinde paniek de straat op gevlucht. Ook andere omwonenden moesten hun woning verlaten. Als gevolg van de brand hebben de slachtoffers 5 maanden niet in hun huis kunnen wonen. Verder heeft verdachte brand gesticht in een afvalcontainer en in een stapel brandhout. In beide gevallen was er sprake van gemeen gevaar voor goederen. Verdachte heeft door zijn handelen veel onrust en angst bij de bewoners van [plaats] veroorzaakt.

Volgens de psychiater en de psycholoog leed verdachte ten tijde van het plegen van de strafbare feiten aan PDD-NOS, waardoor hij niet het hoofd kon bieden aan diverse problemen waar hij de afgelopen jaren mee werd geconfronteerd. Dit resulteerde in een depressieve stoornis en alcoholmisbruik. De brandstichtingen lijken voor verdachte een manier te zijn geweest om aan te geven dat het niet goed met hem ging. De deskundigen achten verdachte verminderd toerekeningsvatbaar. De kans op herhaling wordt hoog ingeschat, indien verdachte geen passende behandeling ondergaat. De deskundigen achten een behandeling bij de Ambulante Forensische Psychiatrie Nederland (AFPN) alsmede een verplicht reclasseringscontact aangewezen.

Gelet op de ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat een langdurige gevangenisstraf op zijn plaats is. Gezien de adviezen van de deskundigen acht de rechtbank het tevens noodzakelijk dat verdachte een behandeling ondergaat om de recidivekans in te perken. De rechtbank zal derhalve bepalen dat een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk zal zijn, met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht alsmede het volgen van behandeling bij de AFPN.

Inbeslaggenomen goederen

De rechtbank acht de inbeslaggenomen stuk hout en fles lampolie vatbaar voor onttrekking aan het verkeer nu het onder 4. ten laste gelegde feit met behulp van die voorwerpen is begaan en van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan door verdachte in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

Benadeelde partijen

[benadeelde partij] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 2. ten laste gelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voor wat betreft de immateriële schade voldoende aannemelijk is geworden en voor toewijzing vatbaar is. De rechtbank is van oordeel dat voor wat betreft de overige gevorderde materiële schade, waaronder de kosten voor asbestsanering, de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert nu de definitieve hoogte van de asbestsaneringskosten onvoldoende is onderbouwd en nog niet duidelijk is wie uiteindelijk aansprakelijk is voor deze saneringskosten. Voorts is de overige gevorderde materiële onvoldoende onderbouwd met stukken waaruit blijkt of deze schade voor rekening van benadeelde is gebleven of dat de benadeelde reeds schadeloos is gesteld door de verzekeringsmaatschappij. De rechtbank zal dan ook bepalen dat deze delen van de vordering niet ontvankelijk zijn en dat de benadeelde partij dat deel van haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. De rechtbank acht de vordering derhalve deels gegrond en voor toewijzing vatbaar.

De rechtbank acht oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen voor wat betreft de toegewezen immateriële schade.

[naam] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 3. ten laste gelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij niet ontvankelijk moet worden verklaard, nu verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 3. ten laste gelegde.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36b, 36c, 36f, 57 en 157 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT, RECHTDOENDE:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1. primair en subsidiair en onder 3. primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2., 4. primair en 5. primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld en verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte te dier zake tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden.

Bepaalt, dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot twaalf maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als algemene voorwaarden:

a. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

b. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

Stelt als bijzondere voorwaarde, dat de veroordeelde:

- zich bij het ingaan van de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland te Leeuwarden;

- ervoor zorgt dat hij gedurende de proeftijd bereikbaar is voor deze reclasseringsinstelling;

- zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen hem te geven door of namens genoemde reclasseringsinstelling, ook als dat inhoudt het volgen van een behandeling bij de AFPN.

Draagt genoemde reclasseringsinstelling op de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart onttrokken aan het verkeer het inbeslaggenomen (stuk) hout en de fles lampolie.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij], [adres] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 2.000,00 (zegge: tweeduizend euro).

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij], te betalen een som geld ten bedrage van € 2.000,00 (zegge: tweeduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van dertig dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en vice versa, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij [naam] niet ontvankelijk is in de vordering.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. Dölle, voorzitter, mr. H. van der Werff en mr. C. Tuinstra, rechters, bijgestaan door mr. J. Houwink, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 maart 2011.

Mr. Tuinstra is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 24 november 2010, pagina 59 van het OPS-dossier 2010101821.

2 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 24 november 2010, pagina 61van het OPS-dossier 2010101821.

3 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 24 november 2010, pagina 62 van het OPS-dossier 2010101821.

4 Het proces-verbaal van aangifte door [benadeelde partij], d.d. 28 juli 2010, pagina 276 van het OPS-dossier 2010101821.

5 Brief van de brandweer Skarsterlân en Lemsterland, d.d. 10 december 2010, pagina's 287 en 288 van het OPS-dossier 2010101821.

6 Het proces-verbaal van brandonderzoek door Unit Forensische Opsporing Techniek d.d. 16 september 2010, pagina's 299 t/m 308 van het OPS-dossier 2010101821.

7 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 24 november 2010, pagina 62 van het OPS-dossier 2010101821.

8 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 1 december 2010, pagina 79 van het OPS-dossier 2010101821.

9 Het proces-verbaal van aangifte door [naam], d.d. 30 juli 2010, pagina's 311 en 312 van het OPS-dossier 2010101821.

10 Het proces-verbaal van brandonderzoek door Unit Forensische Opsporing Techniek d.d. 24 september 2010, pagina's 314 t/m 320 van het OPS-dossier 2010101821.

11 Rapportage van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 8 september, pagina's 328 t/m 331 van het OPS-dossier 2010101821.

12 Het proces-verbaal van aangifte door [naam], d.d. 20 augustus 2010, pagina's 333 en 334 van het OPS-dossier 2010101821.

13 Het proces-verbaal van brandonderzoek door Unit Forensische Opsporing Techniek d.d. 3 september 2010, pagina's 336 t/m 344 van het OPS-dossier 2010101821.

14 Rapportage van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 22 oktober, pagina's 349 t/m 331 van het OPS-dossier 2010101821.

15 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 24 november 2010, pagina 45 van het OPS-dossier 2010101821.

16 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 1 december 2010, pagina 78 van het OPS-dossier 2010101821.

17 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 24 november 2010, pagina 45 van het OPS-dossier 2010101821.

18 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 1 december 2010, pagina 79 van het OPS-dossier 2010101821.

19 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 24 november 2010, pagina 45 van het OPS-dossier 2010101821.

20 Het proces-verbaal van aangifte door [naam], d.d. 18 november 2010, pagina's 259 en 260 van het OPS-dossier 2010101821.