Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2011:BP6268

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
17-01-2011
Datum publicatie
01-03-2011
Zaaknummer
AWB 10/897
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

afwijzing toevoegingsaanvraag - van elke grond ontbloot - restrictieve uitleg

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

procedurenummer: AWB 10/897

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 januari 2011 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde: mr. B. van Dijk, advocaat te Groningen,

en

de raad voor rechtsbijstand Leeuwarden (thans: het bestuur van de raad voor rechtsbijstand Utrecht), verweerder,

gemachtigde: mr. K.A. Hofstra, werkzaam bij de raad voor rechtsbijstand.

Procesverloop

Bij brief van 25 maart 2010 heeft verweerder eiser mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende de toepassing van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb).

Tegen dit besluit heeft de gemachtigde van eiser beroep ingesteld.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 29 november 2010. Eiseres en haar gemachtigde zijn niet verschenen. Namens verweerder is voornoemde gemachtigde verschenen.

Motivering

Feiten

1.1 Op 19 augustus 2009 heeft de gemachtigde van eiseres namens haar een aanvraag om een toevoeging, als bedoeld in de Wrb, ingediend (hierna: de eerste aanvraag). Bij besluit van 2 oktober 2009 heeft verweerder de eerste aanvraag afgewezen, omdat de gemachtigde van eiseres het maximum aantal zaken heeft bereikt waarvoor hij in 2009 kon worden toegevoegd. Tegen dit besluit heeft mr. [X] namens eiseres bezwaar gemaakt.

1.2 Op 11 november 2009 heeft [mr. X] namens eiseres een aanvraag om een toevoeging, als bedoeld in de Wrb, ingediend (hierna: de tweede aanvraag) ten behoeve van het verlenen van rechtsbijstand in verband met het maken van bezwaar tegen het besluit van verweerder tot afwijzing van de eerste aanvraag.

1.3 Bij besluit van 11 december 2009 heeft verweerder de tweede aanvraag afgewezen op de grond dat deze aanvraag van elke grond is ontbloot omdat deze betrekking heeft op een verweer of vordering waarvan gezien de recente rechtspraak redelijkerwijs mag worden aangenomen dat deze geen kans van slagen heeft.

1.4 Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar tegen het besluit van 11 december 2009 ongegrond verklaard.

Geschil

2.1 De gemachtigde van eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder de tweede aanvraag ten onrechte heeft afgewezen. Volgens de gemachtigde is geen sprake van een vordering of verweer die van elke grond is ontbloot. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de bezwaarprocedure, waarvoor de tweede aanvraag is ingediend, betrekking had op de afwijzing van de eerste aanvraag wegens het bereiken van het maximum aantal toevoegingen. Volgens de gemachtigde werden in die bezwaarprocedure niet alleen argumenten aangevoerd die gingen over het bereiken van het maximum op zich, maar ook argumenten over het al dan niet zorgvuldig handelen van verweerder voorafgaande aan het bereiken van het maximum.

2.2 Verweerder handhaaft het bestreden besluit. Hij stelt zich op het standpunt dat blijkens vaste en recente rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) de inschrijvingsvoorwaarden van de raad voor rechtsbijstand algemeen verbindende voorschriften zijn, waarvan het bestuur niet kan afwijken. Volgens verweerder kon het al dan niet zorgvuldig handelen voorafgaand aan de afwijzing van de eerste aanvraag op grond van de maximumbepalingen nooit leiden tot afgifte van een toevoeging in strijd met dit algemeen verbindende voorschrift. Daarom had het bezwaar geen kans van slagen en is de tweede aanvraag volgens verweerder terecht afgewezen omdat deze van iedere grond is ontbloot.

Beoordeling van het geschil

3.1 Ingevolge artikel 12, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wrb wordt rechtsbijstand niet verleend indien de daartoe strekkende aanvraag kennelijk van elke grond is ontbloot.

3.2 Ingevolge artikel 3, aanhef en onder e, van het Besluit rechtsbijstand- en toevoegingscriteria (Brt) wordt rechtsbijstand als zijnde van elke grond ontbloot niet verleend indien de aanvraag betrekking heeft op een vordering of verweer

waarvan gezien de recente rechtspraak redelijkerwijs mag worden aangenomen dat deze geen kans van slagen maakt.

3.3 Naar het oordeel van de rechtbank dient een restrictieve uitleg te worden gegeven aan artikel 12 van de Wrb en artikel 3 van het Brt en kan de conclusie dat een aanvraag kennelijk van elke grond is ontbloot niet licht worden getrokken. Voor deze conclusie bestaat enkel aanleiding indien de aanvraag betrekking heeft op een vordering of verweer dat bij voorbaat geheel kansloos is. De rechtbank verwijst in dit kader naar een uitspraak van de ABRvS van 7 juni 2006 (gepubliceerd op rechtspraak.nl onder LJN AX7031).

3.4 Verweerder heeft de tweede aanvraag afgewezen op de grond dat gezien de recente uitspraak van de ABRvS mocht worden aangenomen dat het bezwaar tegen het afwijzen van de eerste aanvraag geen kans van slagen maakte. Verweerder heeft in dat kader verwezen naar een uitspraak van de ABRvS van 13 mei 2009 (gepubliceerd op rechtspraak.nl onder LJN BI3674). In deze uitspraak heeft de ABRvS geoordeeld dat de bepaling in de inschrijvingsvoorwaarden van de raad voor rechtsbijstand betreffende het maximum aantal toevoegingen dat per jaar op naam van een advocaat wordt afgegeven een algemeen verbindend voorschrift is en dat verweerder daarvan niet kan afwijken. Verder heeft de ABRvS geoordeeld dat de omstandigheid dat verweerder eerder een praktijk heeft gevoerd volgens welke in voorkomende gevallen in een jaar waarin het maximum aantal toevoegingen was bereikt, de besluitvorming op een toevoegingsaanvraag werd doorgeschoven naar het volgende jaar, er niet aan afdoet dat verweerder in het geval van overschrijding van de limiet niet anders kan dan de aanvraag afwijzen.

3.5 De rechtbank is van oordeel dat de door de gemachtigde van eiseres tegen de afwijzing van de eerste aanvraag aangevoerde bezwaargrond dat deze aanvraag ten onrechte is afgewezen omdat uit een andere zaak blijkt dat verweerder in het desbetreffende geval ofwel een toevoeging boven het maximum heeft verleend ofwel zijn hiervoor onder 3.4 beschreven praktijk heeft voortgezet, gelet op de uitspraak van de ABRvS, geen kans van slagen maakte.

3.6 De rechtbank is echter van oordeel dat dit niet geldt voor de door de gemachtigde van eiseres tegen de afwijzing van de eerste aanvraag aangevoerde bezwaargrond dat verweerder bij het afwijzen van de eerste aanvraag ten onrechte geen rekening heeft gehouden met zijn verzoek van 28 september 2009 om al zijn nog niet afgehandelde toevoegingsaanvragen op naam van een aantal met name genoemde collega's te zetten. Uit de voormelde uitspraak van de ABRvS volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat redelijkerwijs mocht worden aangenomen dat deze bezwaargrond geen kans van slagen had. Deze conclusie kon naar het oordeel van de rechtbank evenmin worden verbonden aan andere (ten tijde van het maken van het bezwaar op 5 november 2009) recente rechtspraak. Het feit dat deze rechtbank inmiddels bij uitspraak van 2 september 2010 (gepubliceerd op rechtspraak.nl onder LJN BO9297) heeft geoordeeld dat verweerder de eerste aanvraag terecht heeft afgewezen, doet hier niet aan af, omdat deze uitspraak dateert van na 5 november 2009.

3.7 Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder de tweede aanvraag ten onrechte heeft afgewezen op de grond dat deze kennelijk van elke grond is ontbloot. Dit betekent dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 12, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wrb. Verweerder moet met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit nemen op het bezwaarschrift van eiseres van 15 januari 2010.

Proceskosten

4. Met toepassing van artikel 8:75 van de Awb veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht bedragen de proceskosten van eiseres € 437,00 terzake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (beroepschrift één punt; gewicht van de zaak: gemiddeld; waarde per punt € 437,00).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit neemt op het bezwaarschrift van eiseres van 15 januari 2010;

- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 41,00 aan eiseres vergoedt;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 437,00.

Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in tegenwoordigheid van mr. F.F. van Emst als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2011.

w.g. P.G. Wijtsma

w.g. F.F. van Emst

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:13 gelezen in samenhang met artikel 6:24 van de Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.

Afschrift aangetekend verzonden op: