Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2011:BP6024

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
24-02-2011
Datum publicatie
28-02-2011
Zaaknummer
17/885297-09 VON
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verduistering in functie, misleiding, bouwmaterialen

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 321, geldigheid: 2011-02-24
Wetboek van Strafrecht 322, geldigheid: 2011-02-24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector straf

parketnummer 17/885297-09

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 24 februari 2011 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1957 te [geboorteplaats]

wonende te [adres]

De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 10 februari 2011.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. E. Albayrak, advocaat te Leeuwarden.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 28 augustus 2007 tot 1 augustus 2008, op diverse data en/of tijdstippen, te Leeuwarden en/of te [plaats], (althans) in het arrondissement Leeuwarden, (meermalen) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) een (aantal) weeksta(a)t(en) (van [bedrijf 1]) en/of een bestel/ontvangstbon en/of een (aantal) factu(u)r(en), - (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte en/of (met) zijn mededader(s) valselijk:

- op een weekstaat van week 35 (van het jaar 2007) een hoeveelheid gewerkte uren van [naam 1] geboekt op het project [naam project] en/of (vervolgens) voornoemde weekstaat ondertekend en/of

- op een weekstaat van week 36 (van het jaar 2007) een hoeveelheid gewerkte uren van [naam 2] en/of [naam 3] en/of [naam 1] en/of [naam 4] geboekt op het project [naam project] en/of (vervolgens) voornoemde weekstaat ondertekend en/of

- op een bestel/ontvangstbon van de periode 7 september 2007 - 12 september 2007 vermeld dat er een vlindermachine is besteld voor het project [naam project] en/of (vervolgens) voornoemde bestelbon ondertekend en/of

- een (aantal) factu(u)r(en) van [bedrijf 2] waarop staat vermeld dat er werkzaamheden zijn verricht voor het project [naam project]/[naam 5] ondertekend als zijnde daadwerkelijk gemaakte kosten voor voornoemd project, zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken en/of (vervolgens) (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van voornoemd(e) geschrift(en) - als ware dat/deze geschrift(en) echt en onvervalst - bestaande dat gebruikmaken hierin dat verdachte en/of (met) zijn mededader(s) voornoemde weeksta(a)t(en) en/of bestel/ontvangstbon heeft doen toekomen aan de boekhouder en/of de administratie van voornoemde [bedrijf 1];

2.

hij in of omstreeks de periode van 28 augustus 2007 tot 1 augustus 2008, te Leeuwarden en/of te Noardburgum, (althans) in het arrondissement Leeuwarden, opzettelijk een (aantal) bos(sen) houten regels en/of een hoeveelheid playwoodplaten en/of een hoeveelheid rockpanelplaten en/of een hoeveelheid beton triplex en/of een hoeveelheid dakplaten en/of een hoeveelheid underlaymentplaten en/of een hoeveelheid (gevel)stenen, in elk geval een hoeveelheid bouwmaterialen, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [bedrijf 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk(e) goed(eren) verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking van/als regiodirecteur van vestiging [plaats] bij voornoemde [bedrijf 1] (uit hoofde van welke functie hij, verdachte, zeggenschap had over het gebruik en/of het vervoer en/of de bestemming van voornoemde materialen), in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend (door voornoemde bouwmaterialen te gebruiken voor de bouw van een paardenstal voor privégebruik);

Subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en

strafoplegging aan verdachte

hij in of omstreeks de periode van 28 augustus 2007 tot 1 augustus 2008 te Leeuwarden en/of te Noardburgum, (althans) in het arrondissement Leeuwarden, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (aantal) bos(sen) houten regels en/of een hoeveelheid playwoodplaten en/of een hoeveelheid rockpanelplaten en/of een hoeveelheid beton triplex en/of een hoeveelheid dakplaten en/of een hoeveelheid underlaymentplaten en/of een hoeveelheid (gevel)stenen, in elk geval een hoeveelheid bouwmaterialen, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

en/of

hij in of omstreeks de periode van 28 augustus 2007 tot 1 augustus 2008 te Leeuwarden en/of te Noardburgum, (althans) in het arrondissement Leeuwarden, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft doen wegnemen een (aantal) bos(sen) houten regels en/of een hoeveelheid playwoodplaten en/of een hoeveelheid rockpanelplaten en/of een hoeveelheid beton triplex en/of een hoeveelheid dakplaten en/of een hoeveelheid underlaymentplaten en/of een hoeveelheid (gevel)stenen, in elk geval een hoeveelheid bouwmaterialen, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, immers heeft hij, verdachte, aan een (aantal) medewerker(s) van voornoemde [bedrijf 1] opdracht(en) gegeven om voornoemde goederen (vanaf het bouwproject [naam project]/[naam 5]) weg te nemen en/of (vervolgens) af te leveren bij zijn, verdachtes, paardenstal;

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- veroordeling voor het onder 1. en 2. primair ten laste gelegde;

- oplegging van een werkstraf voor de duur van 140 uren waarvan 40 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

- hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [bedrijf 1] tot een bedrag van € 1.583,25 plus de wettelijke rente;

- niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij [bedrijf 1] met betrekking tot het overige deel van de vordering.

Beoordeling van het bewijs

De rechtbank is -met de officier van justitie en de raadsman- van oordeel dat het onder 1. ten laste gelegde feit, ten aanzien van het derde gedachtenstreepje, niet wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Ten aanzien van het overige onder 1. ten laste gelegde heeft de officier van justitie gerequireerd tot een bewezenverklaring. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat vast staat dat op de weekstaten en de facturen van het [bedrijf 2] is vermeld dat de gewerkte uren en werkzaamheden ten dienste zijn gekomen van [naam project], terwijl deze in werkelijkheid aan de paardenstal van verdachte zijn besteed. Verdachte heeft hiertoe expliciet opdracht gegeven aan medeverdachte [medeverdachte]. Verdachte wist dat deze manier van handelen niet klopte. De weekstaten en de facturen zijn als echt en onvervalst gebruikt en ingeleverd bij de boekhouder van het bouwbedrijf waarna de administratie de uren en kosten heeft afgeboekt op het project [naam project]. De officier van justitie stelt voorts dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte]. Dat verdachte de weekstaten niet zelf heeft ingevuld en afgeleverd, maar dat [medeverdachte] dit heeft gedaan, doet aan het bestaan van medeplegen niet af. Ten aanzien van de facturen van het kraanbedrijf merkt de officier van justitie nog op dat blijkens de verklaring van [naam 6] de facturen voor het gebruik van de kraan zijn betaald door [bedrijf 1] omdat [medeverdachte] op de bon heeft ingevuld dat de kraan enkel nodig was voor het project [naam project]. [medeverdachte] heeft bij de politie verklaard dat hij hiertoe opdracht heeft gekregen van verdachte. Verdachte heeft dit weliswaar ontkend ter terechtzitting, maar gelet op hoe onderling afspraken zijn gemaakt ten aanzien van het invullen van de weekstaten, dient verdachte ook verantwoordelijk te worden gehouden voor het op valse wijze invullen van de facturen door [medeverdachte], aldus de officier van justitie.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Aan verdachte is onder 1. ten laste gelegd dat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan het plegen van valsheid in geschrift tezamen en in vereniging met een ander. Vast staat dat verdachte het oogmerk heeft gehad op misleiding. Uit het dossier en tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte opdracht heeft gegeven tot het valselijk invullen van de papieren door [medeverdachte]. Verdachte heeft hiervoor geen overleg of toestemming gehad van de directie van [bedrijf 1] Uit het dossier en tijdens het onderzoek ter terechtzitting is ook komen vast te staan dat verdachte de betreffende stukken niet zelf heeft opgemaakt maar dat dit door [medeverdachte] is gedaan. Van medeplegen met [medeverdachte] is geen sprake omdat [medeverdachte] door de rechtbank wordt vrijgesproken, nu in zijn geval niet is komen vast te staan dat hij de stukken heeft opgemaakt met het oogmerk tot misleiding. Dientengevolge zal de rechtbank ook verdachte vrijspreken van het onder 1. ten laste gelegde.

De rechtbank past ten aanzien van het onder 2. primair ten laste gelegde de hierna te noemen bewijsmiddelen1 toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder weergegeven.

1. De verklaring van verdachte2, inhoudende:

Het klopt dat ik goederen heb ontvangen van [bedrijf 1]. Het gaat onder meer om bossen houten regels en een hoeveelheid gevelstenen. Ik heb deze goederen verzuimd te betalen. De goederen zijn bij mij geleverd door personeel van [bedrijf 1]. Ik heb vooraf niet om toestemming gevraagd van de directie.

2. De verklaring van getuige [getuige 1]3, inhoudende:

Sinds de bouwvak van 2007 ben ik werkzaam bij [bedrijf 1]. Omstreeks de maand september kreeg ik de opdracht van [naam 7] een aanhangwagen met platen hout te gaan laden. De aanhangwagen was gekoppeld achter de auto van [naam 7]. Deze platen lagen op de bouw van het [naam project] aan [naam 5].

Ten aanzien van het onder 2. primair ten laste gelegde heeft de raadsman bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte verzuimd heeft de goederen te betalen maar dat hij dit niet heeft gedaan uit onwil, maar omdat de facturen hem niet hebben bereikt. Het opzet op de wederrechtelijke toe-eigening ontbreekt.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting verklaard dat hij goederen heeft ontvangen van [bedrijf 1] en deze vervolgens verzuimd heeft te betalen. Het ging daarbij onder meer om houten regels en een hoeveelheid gevelstenen. Verdachte, die toentertijd vestigingsdirecteur was, heeft ter terechtzitting verklaard dat hij geen toestemming heeft gekregen van de directie om de goederen vanaf de bouwplaats van het project [naam project] te verplaatsen naar zijn terrein om daar te worden gebruikt voor zijn paardenstal.

Naar het oordeel van de rechtbank had verdachte moeten vermoeden dat hij de directie om toestemming had moeten vragen. De goederen waren eigendom van [bedrijf 1] Verdachte heeft uit hoofde van zijn dienstbetrekking de opdracht gegeven de goederen te verplaatsen naar zijn terrein. Daar zijn de goederen gebruikt voor de bouw van zijn paardenstal. Vanaf dat moment heeft verdachte de goederen verkregen en is hij er als heer en meester over gaan beschikken. Uit de handelingen van verdachte volgt dat sprake is geweest van opzet op de wederrechtelijke toe-eigening van de goederen. Dat verdachte naderhand heeft aangegeven voor de goederen te willen betalen, doet daaraan niet af. De rechtbank acht het onder 2. primair ten laste gelegde voor wat betreft de houten regels en de gevelstenen wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van de overige ten laste gelegde goederen is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting niet is komen vast te staan dat verdachte de goederen uit hoofde van zijn functie, anders dan door misdrijf, onder zich heeft gehad.

In het dossier bevinden zich namelijk verklaringen die er op duiden dat de overige tenlastegelegde goederen niet nodig waren voor het project [naam project], waardoor er aanwijzingen zijn dat de verdachte de goederen door eigen misdrijf heeft verkregen. Derhalve kan de verduistering van de betreffende goederen niet wettig en overtuigend worden bewezen. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van verduistering ten aanzien van de overige tenlastegelegde goederen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 2. primair ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

hij in de periode van 28 augustus 2007 tot 1 augustus 2008, te Noardburgum, in het arrondissement Leeuwarden, opzettelijk een aantal bossen houten regels en een hoeveelheid gevelstenen die toebehoorden aan [bedrijf 1] en welke goederen verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als regiodirecteur van vestiging [plaats] bij voornoemde [bedrijf 1], uit hoofde van welke functie hij, verdachte, zeggenschap had over het gebruik en het vervoer en de bestemming van voornoemde materialen, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend door voornoemde bouwmaterialen te gebruiken voor de bouw van een paardenstal voor privégebruik.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

2. primair Verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking:

- de aard en de ernst van het gepleegde feit;

- de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komt uit het uittreksel uit het algemeen documentatieregister en het voorlichtingsrapport;

- de vordering van de officier van justitie;

- het pleidooi van de raadsman.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van verduistering tijdens dienstbetrekking. Verdachte was directeur van een bouwbedrijf en heeft gevelstenen en houten regels van de bouwplaats meegenomen en voor privédoeleinden gebruikt. Verdachte heeft hiermee het vertrouwen dat het bedrijf in hem mocht stellen beschaamd. Juist daar waar grote hoeveelheden en vaak kostbaar materiaal worden gebruikt, zal de werkgever niet altijd op alle onderdelen het overzicht hebben over de in- en uitgaande stroom daarvan.

Hij moet dus onvoorwaardelijk kunnen vertrouwen op zijn medewerkers en zeker als deze, zoals verdachte, de verantwoordelijkheid draagt als directeur.

Verdachte is nog nooit met justitie in aanraking gekomen en in het reclasseringsrapport wordt een positief beeld van hem geschetst. De rechtbank zal dit bij de bepaling van de strafmaat betrekken. Voorts zal de rechtbank in aanmerking nemen dat verdachte wordt vrijgesproken van het eerste van de twee tenlastegelegde feiten en voorts gedeeltelijk van het tweede feit, zodat de eis van de officier niet zal worden overgenomen. Nu de schade voortvloeiend uit het bewezen feit betrekkelijk gering is, zal de rechtbank verdachte veroordelen tot een geheel voorwaardelijke geldboete zoals hierna te bepalen.

Benadeelde partij

[bedrijf 1] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van de aan verdachte onder 1. en 2. ten laste gelegde feiten alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij niet ontvankelijk moet worden verklaard, nu verdachte van het onder 1. ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Ten aanzien van het gedeelte van de vordering dat ziet op het onder 2. ten laste gelegde is de rechtbank van oordeel dat zij niet goed kan inschatten wat de schade ten aanzien van het deel dat is bewezenverklaard, is geweest. Om die reden zal de benadeelde partij ook voor dat deel van de vordering niet ontvankelijk worden verklaard.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 321 en 322 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT, RECHTDOENDE:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1. is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2. primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld en verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte te dier zake tot:

Betaling van een geldboete ten bedrage van € 1000,00 (zegge: duizend euro), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door 20 dagen hechtenis.

Bepaalt, dat deze geldboete niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [bedrijf 1] niet ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. Dölle, voorzitter, mr. M.R. de Vries en mr. J. van Bruggen, rechters, bijgestaan door mr. L.T.A. Fokkema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 februari 2011.

Mr. De Vries is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

-------------------------------------------------------------------------------

1 De genoemde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm en door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt; de genoemde pagina's bevinden zich in het doorgenummerde proces-verbaal met OPS-dossiernummer 2009002921, gesloten op 22 oktober 2009.

2 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting 10 februari 2011.

3 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1], d.d. 9 maart 2009, pagina 64.