Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2011:BP5203

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
17-02-2011
Datum publicatie
21-02-2011
Zaaknummer
AWB 10/966
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 8 van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand (Bvr). Uitleg begrip tegenspraak. Zelf voorzien. Verletkosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

procedurenummer: AWB 10/966

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 februari 2011 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

mr. J.M. Jansen,

advocaat te Peize,

eiser (hierna: Jansen),

en

de raad voor rechtsbijstand Leeuwarden (thans: het bestuur van de raad voor rechtsbijstand Utrecht),

verweerder (hierna: de raad),

gemachtigde: mr. K.A. Hofstra, werkzaam bij de raad.

Procesverloop

Bij brief van 25 mei 2010 heeft de raad Jansen mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende de toepassing van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: het bestreden besluit). Tegen dit besluit heeft Jansen beroep aangetekend. De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 16 november 2010, waarbij Jansen in persoon is verschenen. De raad is met kennisgeving niet verschenen.

Motivering

Feiten

1.1 Bij besluit van 6 mei 2009 heeft de raad een toevoeging verstrekt (met nummer 5BX6724) in verband met een echtscheidingsprocedure tussen [A], bijgestaan door mr. J.W.F. van Horssen (hierna: Van Horssen), advocaat te Leek, en [B], de cliënt van Jansen.

1.2 Bij besluit van 18 januari 2010 heeft de raad de vergoeding voor de op basis van deze toevoeging door Jansen verleende rechtsbijstand, na verrekening van de eigen bijdrage, vastgesteld op € 814,46. Daarbij is overwogen dat Jansen namens [B] geen verweer heeft gevoerd (tegenspraak) tegen het door Van Horssen namens [A] ingediende verzoekschrift tot echtscheiding. Om die reden heeft de raad de vergoeding niet vastgesteld op basis van tien punten (à € 107,02 per punt), maar op basis van zeven punten. Bij het bestreden besluit heeft de raad deze vergoeding gehandhaafd.

Geschil

2.1 Tussen partijen is in geschil de uitleg die gegeven moet worden aan het begrip tegenspraak zoals bedoeld in artikel 8 van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand (Bvr).

Beoordeling van het geschil

3.1 Ingevolge artikel 37, vijfde lid, van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb), voor zover thans van belang, ontvangen rechtsbijstandverleners voor de door hen op basis van een toevoeging verleende rechtsbijstand een vergoeding volgens regels te stellen bij algemene maatregel van bestuur. Dit is het Bvr.

3.2 Ingevolge de bijlage als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van het Bvr wordt voor de vaststelling van de vergoeding aan een echtscheidingsprocedure tien punten toegekend. Op grond van artikel 8 van het Bvr wordt dit aantal met drie punten verlaagd indien geen tegenspraak is gevoerd. Blijkens de Nota van Toelichting op deze kortingsregeling is geen sprake van tegenspraak wanneer er geen inhoudelijk verweer is gevoerd tegen hoofd -en nevenvorderingen. Het indienen van een verweerschrift inhoudende een gave referte kan worden aangemerkt als het niet voeren van tegenspraak. De procedure is niet op tegenspraak indien de tegenspraak zich buiten het kader van een procedure heeft voorgedaan en tijdens de procedure geen tegenspraak is gevoerd. Het vorenstaande is ook aangegeven in het Handboek Vergoedingen.

3.3 [A] heeft de rechtbank op 6 mei 2009 onder meer verzocht te bepalen dat [B] maandelijks bruto € 200 partneralimentatie aan haar betaalt. Vast staat dat [B] deze vordering heeft tegengesproken, getuige de brief van 26 mei 2009 van Jansen aan Van Horssen met als bijlage een herziene alimentatieberekening. De vraag die vervolgens resteert is of deze tegenspraak gekwalificeerd dient te worden als een tegenspraak buiten het kader van de procedure, zoals de raad stelt. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. De betwisting van de alimentatievordering is immers gedaan nadat de echtscheidingsprocedure is aangevangen, door de indiening van het verzoekschrift. De tegenspraak is dus gedaan binnen het kader van de procedure. Dat in het door Jansen namens [B] ingediende verweerschrift vervolgens is aangegeven dat [B] en [A] ten aanzien van de alimentatie tot een akkoord zijn gekomen (€ 194 in plaats van € 200), doet hier niet aan af. De raad heeft bij de vaststelling van de vergoeding dus ten onrechte toepassing gegeven aan de kortingsregeling van artikel 8 van het Bvr. Een andersluidende opvatting verhoudt zich niet tot een redelijke uitleg van dat artikel. De gedachte achter de kortingsregeling is dat indien geen sprake is van tegenspraak de rechtsbijstand minder omvattend is geweest zodat de vergoeding hiervoor lager kan worden vastgesteld dan indien wel sprake zou zijn geweest van tegenspraak. In het onderhavige geval is echter evident sprake geweest van tegenspraak. Deze tegenspraak is echter niet tot uitdrukking gebracht in het verweerschrift. Maar dit enkele feit rechtvaardigt niet het toepassen van de kortingsregeling.

3.4 Uit het voorgaande volgt dat het beroep gegrond is. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. Tevens zal de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb het primaire besluit van 18 januari 2010 herroepen en de vergoeding vaststellen, met het achterwege laten van de kortingsregeling, dus op basis van tien punten.

Proceskosten

4.1 Met toepassing van artikel 8:75 van de Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht zal de rechtbank de raad veroordelen in de kosten die Jansen in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De reiskosten die Jansen heeft gemaakt, worden vergoed tot een bedrag van € 17,80 (reiskosten op basis van openbaar vervoer). De verletkosten die Jansen heeft gemaakt, worden vergoed tot een bedrag van

€ 159,27 (drie uren à € 53,09 per uur). De overige door Jansen in het formulier proceskosten onder het kopje "Verletkosten" genoemde kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking. Volgens de parlementaire geschiedenis (Nota van Toelichting, Staatsblad 1993, 763) en vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) komen de kosten van tijdverzuim door voorbereidende handelingen niet voor vergoeding in aanmerking (vgl. ABkort 1997,425). De totale vergoeding bedraagt dus

€ 177,07. De raad dient deze kosten te voldoen aan Jansen.

4.2 Voor een vergoeding van de kosten die Jansen in verband met de behandeling van het bezwaar heeft gemaakt bestaat geen aanleiding, omdat hij hierom in bezwaar niet heeft verzocht.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit van 18 januari 2010;

- stelt de vergoeding vast op € 1.135,52;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- bepaalt dat de raad het betaalde griffierecht van € 150 aan Jansen vergoedt;

- veroordeelt de raad tot vergoeding van de proceskosten van Jansen tot een bedrag van € 177,07.

Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Leegsma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2011.

w.g. J.R. Leegsma

w.g. P.G. Wijtsma

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.