Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2011:BP4010

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
09-02-2011
Datum publicatie
11-02-2011
Zaaknummer
17/880434-10 VON
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging doodslag, openlijk geweld, zware mishandeling, noodweer, straatgeweld, consultatierecht

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 14d, geldigheid: 2011-02-09
Wetboek van Strafrecht 36f, geldigheid: 2011-02-09
Wetboek van Strafrecht 45, geldigheid: 2011-02-09
Wetboek van Strafrecht 47, geldigheid: 2011-02-09
Wetboek van Strafrecht 141, geldigheid: 2011-02-09
Wetboek van Strafrecht 287, geldigheid: 2011-02-09
Wetboek van Strafrecht 302, geldigheid: 2011-02-09
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector straf

parketnummer 17/880434-10

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 9 februari 2011 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in P.I. Noord, gevangenis De Marwei, te Leeuwarden, Holstmeerweg 7.

De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 18 januari 2011 en 26 januari 2011.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. D. van den Broek, advocaat te Amsterdam.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 31 juli 2010,

te Sneek, in de gemeente Sneek,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet, die [slachtoffer 1] meermalen, althans

eenmaal, met gebalde vuist(en) in het gezicht, in ieder geval tegen het hoofd

en/of elders tegen het lichaam heeft/hebben geslagen/gestompt en/of/vervolgens

die [slachtoffer 1] (terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag) meermalen, althans eenmaal,

met kracht in het gezicht, in ieder geval tegen het hoofd en/of elders tegen

het lichaam heeft/hebben geschopt/getrapt, terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(Art. 287 jo. art. 45 jo. art. 47 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en

strafoplegging aan verdachte

hij op of omstreeks 31 juli 2010,

te Sneek, in de gemeente Sneek,

tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een

persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een

gebroken oogkas en/of een gebroken neus en/of letsel met een langdurige

herstelperiode), heeft/hebben toegebracht, door die [slachtoffer 1] meermalen, althans

eenmaal, met gebalde vuist(en) in het gezicht, in ieder geval tegen het hoofd

en/of elders tegen het lichaam te slaan/stompen en/of/vervolgens die [slachtoffer 1]

(terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag) opzettelijk met kracht meermalen, althans

eenmaal, in het gezicht, in ieder geval tegen het hoofd en/of elders tegen het

lichaam te schoppen/trappen;

(Art. 302 jo. art. 47 Wetboek van Strafrecht)

meer subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van

en strafoplegging aan verdachte

hij op of omstreeks 31 juli 2010,

te Sneek, in de gemeente Sneek,

tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon

genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

met dat opzet die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, met gebalde vuist(en) in

het gezicht, in ieder geval tegen het hoofd en/of elders tegen het lichaam

heeft/hebben geslagen/gestompt en/of/vervolgens (terwijl die [slachtoffer 1] op de

grond lag) meermalen, althans eenmaal, met kracht in het gezicht, in ieder

geval tegen het hoofd en/of elders tegen het lichaam heeft/hebben

geschopt/getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is

voltooid;

(Art. 302 jo. art. 45 jo. art. 47 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 31 juli 2010,

te Sneek, in de gemeente Sneek,

met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Oosterdijk, in elk

geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd

tegen [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4], welk geweld bestond

uit het meermalen, althans eenmaal, slaan/stompen in de zij/ribbenkast van

die [slachtoffer 2] en/of het meermalen, althans eenmaal, slaan in het gezicht, in

ieder geval tegen het hoofd, van die [slachtoffer 3] en/of uit het gooien van metalen

steigeronderdelen of ijzeren pinnen/buizen, in ieder geval harde voorwerpen,

in de rug, in ieder geval tegen het lichaam van die [slachtoffer 4] en/of in de

richting van voornoemde pero(o)n(en);

(Art. 141 Wetboek van Strafrecht)

3.

hij op of omstreeks 25 juli 2010,

te Sneek, in de gemeente Sneek,

tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een

persoon genaamd [slachtoffer 5], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een

gebroken oogkas en/of een gebroken jukbeen en/of blauwe plekken en/of

schaafwonden op armen en rug), heeft/hebben toegebracht, door deze opzettelijk

- bij de keel te grijpen en deze dicht te knijpen en/of (vervolgens)

- meermalen, althans eenmaal, met kracht en met gebalde vuist(en) tegen het

hoofd te slaan/stompen en/of

- meermalen, althans eenmaal tegen de rug en/of in de buik en/of/elders tegen

het lichaam te schoppen/trappen en/of te slaan/stompen;

(Art. 302 lid 1 jo. art. 47 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en

strafoplegging aan verdachte

hij op of omstreeks 25 juli 2010,

te Sneek, in de gemeente Sneek,

tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon

genaamd [slachtoffer 5], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met

dat opzet die [slachtoffer 5] bij de keel heeft/hebben gegrepen en/of/vervolgens de

keel heeft/hebben dichtgeknepen en/of meermalen, althans eenmaal, die

[slachtoffer 5] met kracht en met gebalde vuist(en) tegen het hoofd heeft/hebben

geslagen/gestompt en/of meermalen, althans eenmaal, die [slachtoffer 5] tegen de rug

en/of in de buik en/of elders tegen het lichaam heeft/hebben geschopt/getrapt

en/of geslagen/gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf

niet is voltooid;

(Art. 302 jo. art. 45 jo. art. 47 Wetboek van Strafrecht)

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- veroordeling voor het onder 1. primair, 2. en 3. primair ten laste gelegde;

- oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- oplegging van de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] tot een bedrag van

€ 3.290,29 en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor dat bedrag;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] tot een bedrag van

€ 2.415,11 en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor dat bedrag.

Beoordeling van het bewijs

De rechtbank past de hierna te noemen bewijsmiddelen1 toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder weergegeven.

ten aanzien van feit 1 en 2

1. De verklaring van verdachte2, -zakelijk weergegeven- onder meer inhoudende:

Ik was op 31 juli 2010 in Sneek uit met [naam 1], [naam 2], [naam 3], [naam 4], [naam 5] en [medeverdachte]. Ik was met iemand in gesprek van de groep waarmee binnen in café Ludiek ruzie was ontstaan. Ik was nog niet klaar met het gesprek en ben bewust achter die groep aangelopen. Ik zag dat [medeverdachte] met iemand op de vuist ging. Ik kreeg uit niets een klap in mijn gezicht van [slachtoffer 1]. Hij wilde mij schoppen, daarop hield ik zijn voet vast en viel hij op de grond. Ik ben over de rooie gegaan toen ik die klap kreeg. Daarop nam ik een aanloop en heb ik hem tegen zijn hoofd geschopt. Ik ben na mijn schop direct weggegaan. Daarna zou iemand anders nog kunnen hebben geschopt.

2. De verklaringen van verdachte, -zakelijk weergegeven- onder meer inhoudende:

Ik was op stap met [naam 1], [naam 3], [naam 5], [naam 2], [naam 4] en [medeverdachte] was er ook bij.3 De vechtpartij vond plaats in de stad bij de winkels, de winkelstraat aan de Oosterdijk.4 Er was ruzie in de kroeg. Ik bemoeide me ermee. Ik ging naar buiten. De jongen waar ruzie mee was, was ook buiten. Ik wilde met die jongen praten, maar hij was zo opgefokt, dat was niet te doen. Ik belde met vrienden die nog binnen waren en toen liepen we hen achterna.5 Wij hebben die groep achtervolgd en uitgedaagd. Het was gewoon wat treiteren en pesten.6Er ontstond ruzie en één viel mij aan, sloeg mij, ik heb teruggeslagen, hij viel op de grond en toen heb ik nog een schop na gegeven. Hij lag toen wel al op de grond.7 Vraag verbalisant: "Het klopt dat jullie dus doelgericht die andere groep achterna gingen? Antwoord verdachte: "Ja, iedereen liep gewoon die kant op".8 [medeverdachte] heeft mij verteld dat er nog een keer geschopt is.9 [naam 5], [naam 2] of [medeverdachte] zouden die tweede trap kunnen hebben uitgedeeld.10

3. De verklaring van aangever [slachtoffer 1], -zakelijk weergegeven- onder meer inhoudende:

Op zaterdagochtend 31 juli 2010 omstreeks 01:10 uur bevond ik mij, samen met een groep teamgenoten, in danscafé Ludiek, gelegen aan de Kruizebroederstraat 77 te Sneek.11 In het café was er een aantal jongens die blijkbaar ruzie met ons aan het zoeken waren. Buiten aangekomen zag ik dat er een grote groep jongens met ons meeliep. Ik zag dat enkele jongens van die andere groep ijzeren pinnen naar ons toe begonnen te gooien. Ik zag dat er ook een jongen stond die met een soort van vlaggenmast stond te zwaaien. Ik zag dat [slachtoffer 3] werd geslagen door deze jongen. Ik weet niet meer hoe [slachtoffer 3] geslagen werd want vlak daarna ben ik geslagen waardoor ik een hersenschudding heb opgelopen.12

4. De verklaring van aangever [slachtoffer 2], -zakelijk weergegeven- onder meer inhoudende:

Op 31 juli 2010 bevond ik mij met mijn voetbalteam in een kroeg in Sneek.13 Bij de uitgang zag ik de groep die op ruzie uit was staan, het leek erop dat zij zich tactisch aan het formeren waren om een ruzie aan te gaan. Wij wilden naar onze auto's lopen om weg te gaan. Na een paar honderd meter zag ik dat de groep ruziezoekers groter was geworden, ik schat de groep op maximaal 15 man. Op dat moment werd het ook veel bedreigender want ik zag en hoorde dat er met stalen pinnen werd gegooid. Het ging toen inderdaad helemaal los. Ik zag dat iemand van die groep [slachtoffer 3] op de neus sloeg. Een van onze groep, [slachtoffer 1], reageerde daar op door [slachtoffer 3] bij te staan. Gelijk daarna werd ik ook aangevallen. Daarna werd ik met opzet en met kracht in mijn rechterzijde geslagen. Ik ben toen op de grond gaan liggen en ik heb me klein gemaakt. Wat er toen gebeurde weet ik niet meer. Later heb ik blauwe plekken gekregen op mijn zij en bovenbeen die pijnlijk waren. Ook heb ik pijn aan mijn ribbenkast.14 Op de website Hyves ben ik gaan zoeken naar jongens in Sneek, na een poosje zoeken vond ik de Hyves-site van [verdachte]. Ik weet zeker dat hij tot die groep behoorde en ook de hoofddader van deze aanval was. Ik herken hem volledig. Deze [verdachte] heeft [slachtoffer 1] aangevallen.15

5. De verklaring van aangever [slachtoffer 3], -zakelijk weergegeven- onder meer inhoudende:

Terwijl we wegliepen merkte ik dat er een groep achter ons aan liep. Terwijl wij verder liepen zag en ik hoorde ik dat er stalen buizen naar ons gegooid werden.16 Ik zag dat [slachtoffer 1] achter mij aangelopen was. Ik zag dat [slachtoffer 1] mij wilde verdedigen; dit deed hij door verdachte 1 te slaan. Ik zag dat [slachtoffer 1] verdachte 1 op zijn lichaam sloeg. Ik voelde dat ik twee of drie keer kennelijk opzettelijk en met kracht in mijn gezicht geslagen werd. Ik voelde dat de klappen rond mijn rechter oog en aan de rechterzijde van mijn neus terecht kwamen. Door de manier waarop we daarvoor stonden moet dit verdachte 1 of verdachte 2 geweest zijn. Ik zag dat [slachtoffer 1] om zich heen sloeg en een keer trapte in de richting van verdachte 1, verdachte 2 en nog een aantal personen. Ik zag dat [slachtoffer 1] op de grond viel. Ik zag dat de andere groep om [slachtoffer 1] heen ging staan. Ik zag dat de jongen met de vlaggenstok klaar ging staan om [slachtoffer 1] met de stok te slaan, ik noem hem verder verdachte 3. Ik zag dat verdachte 1 daar ook bij stond. Ik zag dat verdachte 1 zich oplaadde. Ik zag dat verdachte 1 zijn been zo ver mogelijk naar achteren haalde. Ik zag dat verdachte 1 vervolgens kennelijk opzettelijk en met kracht zijn been naar voren bracht. Ik zag dat hij [slachtoffer 1] vol in zijn gezicht trapte.17 Omschrijving verdachte 1: man, blank, tussen de 1.85m en 1.90m lang, 19 jaar, blonde stekels, afgetraind lichaam. [naam 6] heeft via Hyves de volgende informatie achterhaald: [verdachte], geboren op [geboortedatum]. Ik heb de foto op Hyves gezien en ik herken verdachte 1 in [verdachte].18

6. De verklaring van aangever [slachtoffer 4], -zakelijk weergegeven- onder meer inhoudende:

De groep jongens kwam achter ons aan bij het weglopen. Ik zag dat er grote pinnen door de lucht gegooid werden door die hele groep jongens. Ik voelde dat ik er zelfs nog een in mijn rug kreeg. [slachtoffer 3] probeerde de boel te kalmeren. Ik zag dat [slachtoffer 3] een klap in zijn gezicht kreeg van een jongen.19 Ik zag dat [slachtoffer 1] toen een klap kreeg van een andere jongen. Ik zag dat [slachtoffer 1] een klap kreeg in zijn gezicht of hoofd. Door deze klap, zag ik dat [slachtoffer 1] op de grond viel. Toen hij op de grond lag, zag ik dat dezelfde jongen hem een trap vol in zijn gezicht gaf. Dezelfde jongen schreeuwde toen: "Kom maar op." Ik zag dat deze jongen [slachtoffer 1] nogmaals een trap gaf midden in zijn gezicht. Ook deze trap was vol in het gezicht. Ik kan de jongen die mij in het gezicht getrapt heeft als volgt omschrijven: man, blank, 1,80m, tatoeage op rechter bovenarm, oorbel(len), blauw effen t-shirt met korte mouw. Ik kan de jongen die [slachtoffer 1] in het gezicht geslagen en getrapt heeft als volgt omschrijven: Hetzelfde als de jongen die mij in het gezicht heeft geslagen.20

7. De verklaring van getuige [naam 7], -zakelijk weergegeven- onder meer inhoudende:

Ik heb begrepen dat het over de mishandeling gaat waarvoor [medeverdachte] is aangehouden. Ik zag vervolgens dat [medeverdachte] op een bankje aan het water zat. Ik hoorde dat hij zei dat hij eerder op de avond ruzie had gehad in Ludiek. Dit was omdat [verdachte] ruzie kreeg. Dit was ruzie omdat een meisje werd lastig gevallen door een vervelende toerist. [medeverdachte] was [verdachte] gaan helpen. Bij die jongen was een grotere groep geweest. Op een gegeven moment had [verdachte] de jongen op de grond geslagen waarna [medeverdachte] de jongen op het hoofd had gestampt. [medeverdachte] vertelde mij dat hij dit met een aanloopje had gedaan.21 Over [verdachte] vertelde hij me dat hij samen met [verdachte] had gevochten en dat [verdachte] helemaal door was geslagen.22

8. De verklaringen van verdachte [medeverdachte], -zakelijk weergegeven- onder meer inhoudende:

Vraag verbalisant: "Wie waren er dan bij?" Antwoord: "[verdachte], [naam 4], [naam 1], [naam 2] en [naam 5] waren er bij." We zijn achter hun aangegaan en ter hoogte van het Kruidvat zijn we erop gegaan, los, vechten. Ik zocht de grootste en de breedste uit en toen hebben wij elkaar geslagen.23 Ik sloeg hem ook, op de kaak. Toen zag ik ineens een jongen liggen. Vraag verbalisant: "Heb je hem geschopt?"Antwoord: "Volgens mij niet." Vraag verbalisant: "Eerlijk?" Antwoord [medeverdachte]: "Weet ik niet. Misschien wil ik het niet weten of weet ik het gewoon niet."24 Vraag verbalisant: "Wij hebben informatie dat er nog een tweede trap is uitgedeeld. Wat kun je daarover zeggen? Ben jij dat geweest?" Antwoord: "Weet ik niet."25 Vraag verbalisant: "Je was het zelf niet?" Antwoord: "Ik weet het niet."26 Vraag verbalisant: "Kun je jezelf uitsluiten?" Antwoord: "Ik weet het niet."27 Vraag verbalisant: "Begrijp ik het goed dat jij de eerste aanval hebt ingezet?" Antwoord: "Tja, ik liep voorop omdat ik mijn pas wat versnelde. Je kan het als eerste aanval zien. De aanval was eigenlijk al ingezet door ons allemaal."28

9. De verklaring van [naam 2], -zakelijk weergegeven- onder meer inhoudende:

Ik zie op een gegeven moment dat [medeverdachte] en [verdachte] erop in beginnen te slaan, ze begonnen een vechtpartij. Ik geloof dat ze ook als eerste sloegen. Ik zag dat er 1 op mij afkwam. Dit werd wel wat geworstel omdat die jongen mij wilde slaan.29 Ik heb gezien dat er klappen vielen, dat er klappen recht in het gezicht kwamen. Ik zag dat [verdachte] in ieder geval 1 klap gaf. [medeverdachte] gaf ook iemand klappen. Ik zag dat [verdachte] uithaalde en met de vuist richting het gezicht of het bovenlichaam sloeg.30 Ik zag dat die jongen op de grond lag. Ik zag dat ze schopten over zijn hele lichaam, tegen zijn hoofd, tegen zijn buik. Ze trapten er gewoon op in, alsof het een pop was. [verdachte] en [medeverdachte] schopten beiden op die jongen in. Ik heb in ieder geval [verdachte] de jongen tegen zijn hoofd zien schoppen. Ik zag wel dat [medeverdachte] hem ook schopte, in ieder geval op het bovenlichaam.31

Ik heb gezien dat [medeverdachte] aan een fiets stond te rommelen en dat hij een standaard van een fiets pakte. Die zal ongetwijfeld door de lucht zijn gegaan. Dat moet wel.32

10. De verklaring van [naam 2]33, -zakelijk weergegeven- onder meer inhoudende:

Ik heb gezien dat er iemand op de grond lag en dat [verdachte] en [medeverdachte] samen met die jongen bezig waren. [medeverdachte] was aan het slaan en [verdachte] ging ook flink los. Ze stonden op dat moment met zijn tweeën op die jongen in te schoppen. Ik zag dat [medeverdachte] op het laatst een aanloop nam naar die jongen die al op de grond lag en schopte. Die jongen lag al stil en weerde zich niet af.

11. De verklaring van [naam 3], -zakelijk weergegeven- onder meer inhoudende:

Volgens mij begon [medeverdachte] met slaan. [medeverdachte] gooide volgens mij ook nog met een voorwerp. Ik zag toen dat [verdachte] een jongen die al op de grond lag schopte.34 Zoals ik al zei heb ik [medeverdachte] met iets zien gooien en daarna sloeg hij iemand. [medeverdachte] raakte de persoon met zijn gebalde vuist in het gezicht.35

12. De verklaring van [naam 5], -zakelijk weergegeven- onder meer inhoudende:

Ik zag dat [medeverdachte] die jongen op het achterhoofd sloeg. Ik zag dat [verdachte] zich ermee bemoeide en ook ging slaan.36 Voordat ik de steeg in rende, zag ik dat een jongen op de grond viel en dat [verdachte] hem tegen zijn hoofd trapte en dat [medeverdachte] met beide voeten op zijn hoofd trapte. Volgens mij gingen [verdachte] en [medeverdachte] op dezelfde jongen af.37

Vraag verbalisant: "Wat zag je toen je nog omkeek, voor de steeg." Antwoord: "Ik zag dat [medeverdachte] een aanloopje nam en zo op zijn gezicht sprong. Die jongen lag op de grond. Hij had zijn hoofd iets omhoog. Toen [medeverdachte] op zijn hoofd sprong sloeg zijn hoofd hard op de grond. Volgens mij was het wel dezelfde jongen waar [verdachte] op in schopte. Volgens mij schopte [verdachte] de jongen in zijn zij, op het lichaam of op het hoofd. Ik zag dat [verdachte] twee keer achter elkaar schopte."38

13. De verklaring van [naam 5]39, -zakelijk weergegeven- onder meer inhoudende:

Ik zag bij de Van Haren iemand op de grond liggen. Ik zag dat die bewusteloos was. [verdachte] en [medeverdachte] waren er toen bij. Ik zag hen beiden slaan en schoppen tegen die jongen. Ik zag dat [medeverdachte] een aanloop nam en bovenop de jongen sprong die op de grond lag.

ten aanzien van feit 3

1. De verklaring van verdachte40, -zakelijk weergegeven- onder meer inhoudende:

Ik was op 25 juli 2010 in Sneek uit in Alcatraz met [naam 1] , [naam 6], [naam 3], [naam 5] en [medeverdachte]. Ik ging samen met [naam 6] achter twee jongens aan. Die jongen wilde over een schutting heen klimmen. Ik heb die jongen twee keer in zijn buik geschopt. [naam 6] pakte hem bij de voeten en sleepte hem over de grond. Daarna is die jongen weer over een schutting heengeklomen en is [naam 6] hem achterna gegaan.

2. De verklaring van verdachte, -zakelijk weergegeven- onder meer inhoudende:

We zijn achter die lui aan gegaan. We hebben er eentje te pakken gehad en toen zjin we naar huis gegaan. Dat was niet dezelfde jongen met wie er eerder ruzie was, een maatje van hem. Ik was toen met [naam 6] en [medeverdachte]. Hij heeft een paar klappen gehad. [medeverdachte] was er al eerste bij. Een jongen was over een hek geklommen bij een huis. De andere wilde er achteraan, maar was te laat. [medeverdachte] pakte hem bij zijn voeten vast en trok hem naar achteren waardoor hij op de grond viel. Hij had hem een paar keer geslagen en geschopt. Toen is [medeverdachte] weggegaan. [naam 6] pakte hem bij zijn voeten vast, die was er toen ook en sleepte hem naar achteren. toen heb ik hem drie keer in zijn buik geschopt, een paar keer. Hij probeerde de schutting op te klimmen, [medeverdachte] pakte hem vast, geeft hem een paar schoppen, [naam 6] schopte hem en ik schopte hem. Ik schopte hem een keer tegen de benen, met mijn rechterbeen.41 Misschien heb ik hem wel meerdere keren geschopt. Op zijn benen en op zijn buik. Ik heb hem drie keer geschopt, niet hard. Daarna ging hij over een hek en kwam hij bij een bouwterrein. [naam 6] is toen achter hem aangegaan. Die heeft hem verder bewerkt, die is verder met hem gegaan.42

3. De verklaring van aangever [slachtoffer 5], -zakelijk weergegeven- onder meer inhoudende:

Op zaterdagavond 24 juli 2010 ging ik met drie vrienden stappen in Sneek. Omstreeks 03:00 uur op 25 juli 2010 kreeg [naam 8] een woordenwisseling op de dansvloer. Wij overlegden en besloten om te vertrekken.43 Ik probeerde over een hek te klimmen. Ik hoorde en zag dat er iemand acht me aan kwam lopen. Ik zag dat hij een wit shirt aan had. Terwijl ik me omdraaide en naar de jongen keek, voelde ik dat ik geslagen en geschopt werd en ik voelde dat ik op de grond viel. Ik voelde pijn toen ik op de grond viel. Ik merkte dat er toen meerdere personen bij me waren, maar ik weet niet hoeveel, maar ik schat dat het 3 of 4 jongens waren. Ik voelde dat ik overal op mijn lichaam met kracht werd geschopt, ik voelde schoppen tegen mijn rug en benen en tegen mijn armen. Ik voelde dat een jongen me bij mijn keel greep terwijl ik op de grond lag. Ik voelde dat de jongen mijn keel dichtgreep en dat ik geen adem meer kon krijgen. Op het moment dat ik voelde dat de jongen mijn keel losliet voelde ik dat de jongen mij met zijn rechtervuist in mijn gezicht sloeg en op mijn ogen. Ik voelde dat de jongen mij vier keer met kracht op mijn ogen sloeg. Ik meen me te herinneren dat de jongen die me in het gezicht sloeg blond haar had. Ik denk dat ik toen alsnog over het hek ben geklommen. Ik klom toen dus over het hek en rende weg. Ik hoorde dat de jongens die me in elkaar hadden geslagen de hele tijd in de buurt rondliepen. Ik hoorde dat er iemand terug kwam. Ik zag deze jongen en ik zag ook dat hij zocht. Ik zag dat de jongen daarna wegging.44 De arts in Leeuwarden stelde vast dat ik een breuk in mijn rechter oogkas en een breuk in mijn rechter jukbeen had. Later zag ik dat een stuk van mijn linker voortand weg was.45

4. De verklarig van medeverdachte [medeverdachte], -zakelijk weergegeven- onder meer inhoudende:

Vraag verbalisant: We willen graag dat je de zaak die begonnen is in Alcatraz, op zondag 25 juli 2010 nog even voor ons samenvat. Antwoord: Ik was al buiten en toen kwamen zij naar buiten, het vriendengroepje. Ze zeiden dat er ruzie was geweest. Ze vertelden dat ze deze jongens buiten wel op zouden wachten. Ik ging naar mijn fiets toe en zij gingen die andere jongens achterna.46 Ze renden vanaf Alcatraz, bij de pub langs, de Markstraat en toen de Nauwe Noorderhorne en toen kwamen we bij de Mangerie. Toen hoorde ik mijn vrienden roepen dat ze de andere twee zochten. Ik zag ze uiteindelijk in de verte joggen. Ik zag dat [verdachte] en [naam 6] ook in de buurt waren dus toen ging ik er als eerste op af. De ene jongen was volgens mij over het hek geklommen.47 Die andere jongen heeft klappen en schoppen gehad. Ja, ik heb die jongen schoppen gegeven, maar ik weet niet hoevaak. Misschien drie of vier schoppen en klappen. [naam 6] en [verdachte] sloegen en schopten ook. Ik heb die jongen tegen zijn benen geraakt en misschien wel klappen op zijn gezicht of borst gegeven. Het klopt dat ik als eerst ben begonnen en dat daarna [naam 6] en [verdachte] verder gingen.48 Ik heb hem ongeveer drie keer geschopt en toen ging hij onderuit. Die slagen waren met de vuist en er zit wel kracht achter. Ik heb dus wel vol uitgehaald. Ik schopte hem op zijn been. Ik ging richting de Stationsstraat en keek over een hek heen.49 Ja klopt, met [verdachte] bedoel ik [verdachte].50 Vraag verbalisant: "Kan het kloppen dat je toen een wit trainingsjasje droeg?" Antwoord: Kan wel, maar dat weet ik niet zeker.

5. De verklaring van medeverdachte [naam 6], -zakelijk weergegeven- onder meer inhoudende:

[medeverdachte] fietste vooruit, ik kwam daarna. [verdachte] kwam er later ook bij. Die jongen heb ik weggetrokken. Hij klom over de muur en ik haalde hem daar weg. Op de grond. [medeverdachte] en [verdachte] hebben hem nog geslagen.51 Op het moment dat ik keek zag ik dat [verdachte] de jongen sloeg op zijn hoofd. Ik zag ook dat [medeverdachte] de jongen sloeg. Ik zag dat [medeverdachte] hem eenmaal in de buik sloeg en eenmaal in het gezicht. Ik zag dat [verdachte] de jongen nog schopte. De jongen lag op dat moment nog steeds op zijn rug. [verdachte] schopte de jongen op het moment dat ik keek tegen zijn bovenlichaam in de zijde.52 [medeverdachte] had bloed op zijn trainingsjasje, dit heeft [medeverdachte] mij later verteld. [medeverdachte] had een wit trainingsjasje aan.53

6. De verklaring van getuige [naam 7], -zakelijk weergegeven- onder meer inhoudende:

[medeverdachte] heeft mij ook verteld dat hij ruzie had gehad bij de Mangerie. Hij vertelde dat zijn witte jasje onder het bloed had gezeten. Hij liet mij het jasje toen ook zien en ik zag dat er allemaal bloed op zijn jasje zat.54

7. De geneeskundige verklaringen55, -zakelijk weergegeven- onder meer inhoudende:

Bij [slachtoffer 5] werd geconstateerd: een hoofdwond, meerdere blauwe plekken, schaafwonden op de armen en de rug, een breuk in het jukbeen (rechts).

Bewijsverweren

ten aanzien van feit 1

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting vrijspraak van het onder 1. primair ten laste gelegde bepleit. De raadsvrouw heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte niet bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer zou komen te overlijden. De bewuste aanvaarding, als het subjectieve element van voorwaardelijk opzet, is niet aanwezig geweest bij verdachte nu hij zich niet bewust is geweest van het feit dat door zijn handelen het slachtoffer zou kunnen overlijden. Verdachte heeft PDD-NOS en is daardoor onvoldoende in staat om de gevolgen van zijn handelen goed in te kunnen schatten en dus kan er niet worden gezegd dat verdachte de kans op een dodelijke afloop bewust heeft aanvaard.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het verweer van de raadsvrouw het navolgende.

Uit de stukken is niet gebleken dat door deskundigen bij verdachte PDD-NOS is gediagnosticeerd. Ook bevat het dossier geen rapportage van een psychiater of een psycholoog waaruit blijkt dat verdachte een dergelijke stoornis heeft. De enkele melding van de reclassering dat verdachte onvoldoende in staat is om de gevolgen van zijn handelen te overzien is onvoldoende om aan te nemen dat verdachte deze gevolgen daadwerkelijk geheel niet kan overzien. Nu een dergelijke stoornis niet aannemelijk is geworden moet de bewuste aanvaarding objectief worden getoetst. Van een normaal mens mag worden verwacht dat hij weet dat een forse schop tegen het hoofd potentieel dodelijk letsel kan veroorzaken omdat dit een algemene ervaringsregel is. De rechtbank verwerpt het verweer.

ten aanzien van feit 2

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting vrijspraak van het onder 2. ten laste gelegde bepleit. De raadsvrouw heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte geen wetenschap had van het gooien van de pinnen en het geweld tegen aangevers [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2]. Er kan dan ook geen sprake zijn van opzet op dit geweld. In de tweede plaats kan ook niet worden vastgesteld dat verdachte een significante bijdrage heeft geleverd aan dit geweld. Met betrekking tot het gooien van de pinnen is er geen bewijs voorhanden dat verdachte heeft geroepen of gescholden waardoor de groep werd aangemoedigd. Met betrekking tot het geweld tegen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] is er geen bewijs van een significante bijdrage voorhanden nu verdachte alleen met aangever [slachtoffer 1] heeft gevochten en niet met anderen. Voorts blijkt niet dat verdachte op enige wijze nauw en bewust heeft samengewerkt met de personen die [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] hebben geslagen.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het verweer van de raadsvrouw het navolgende.

De rechtbank stelt op grond van de stukken het volgende vast. Uit de verklaringen van aangevers [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] blijkt dat zij werden achtervolgd door een groep vanaf het café. Verdachte verklaart bij de politie dat hij vrienden heeft opgebeld en met zijn vrienden de groep, met onder anderen de aangevers, achterna is gegaan. Medeverdachte [medeverdachte] verklaart dat ze, waaronder hijzelf en verdachte, achter de groep zijn aangegaan en dat zij toen zijn begonnen met vechten. Uit de verklaringen van [naam 2] en [naam 5] blijkt dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] beiden het initiatief namen met betrekking tot de vechtpartij. De rechtbank is op grond van bovenstaande bewijsmiddelen van oordeel dat verdachte een actieve rol -en dus een significante bijdrage- heeft gehad bij het tot stand komen van het geweld richting aangevers [slachtoffer 3], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4]. Verdachte wist buiten bij het café reeds dat er ruzie was tussen beide groepen. Hij had zich op dat moment al kunnen distantiëren. Verdachte heeft dit niet gedaan maar is samen met anderen de groep achterna gelopen en op enig moment is er tussen beide groepen een confrontatie ontstaan. Reeds hieruit blijkt dat verdachte op een nauwe en bewuste wijze heeft samengewerkt met anderen nu zij als groep hebben gehandeld. Dat verdachte mogelijk niet de persoon is die met ijzeren pinnen heeft gegooid of op de aangevers [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] of [slachtoffer 4] geweld heeft toegepast doet daar niet aan af. De rechtbank verwerpt het verweer.

ten aanzien van feit 3

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting vrijspraak van het onder 3. ten laste gelegde bepleit. De raadsvrouw heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte niet de persoon is geweest die op aangever [slachtoffer 5] geweld heeft toegepast. Er is dan geen sprake van medeplegen van het geweld op aangever [slachtoffer 5]. Volgens aangever [slachtoffer 5] heeft het grootste gedeelte van het geweld plaatsgevonden op een bouwterrein. Verdachte verklaart dat hij niet op het bouwterrein is geweest, maar zich gedistantieerd heeft en achtergebleven is. Het geweld dat ten laste is gelegd is pas uitgeoefend nadat verdachte reeds afstand had genomen. Dit wordt bevestigd door de verklaring van [naam 6], die zegt dat verdachte achterbleef.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het verweer van de raadsvrouw het navolgende.

Uit bovenstaande bewijsmiddelen blijkt dat aangever [slachtoffer 5], verdachte en diens medeverdachten allen verklaren over een vechtpartij nabij een hek dan wel een muur waarover de aangever probeerde te klimmen om aan zijn achtervolgers te ontvluchten. De verklaring van de aangever met betrekking tot het toegepaste geweld is bovendien nagenoeg gelijkluidend met de verklaring van verdachte en diens medeverdachten. Verdachte en medeverdachten [medeverdachte] en [naam 6] verklaren allen dat zij een persoon nabij een hek hebben geschopt en geslagen. De rechtbank is van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachtes bekennende verklaring betrekking heeft op het feit waarvan aangifte is gedaan door [slachtoffer 5] en aan verdachte ten laste is gelegd. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1. primair, 2. en 3. primair ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

1. primair

hij op 31 juli 2010, te Sneek, in de gemeente Sneek, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet, die [slachtoffer 1] eenmaal met gebalde vuist in het gezicht heeft geslagen en vervolgens die [slachtoffer 1] terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag meermalen, met kracht in het gezicht, heeft geschopt/getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 31 juli 2010, te Sneek, in de gemeente Sneek, met anderen, op of aan de openbare weg, de Oosterdijk, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4], welk geweld bestond uit het meermalen slaan/stompen in de zij van die [slachtoffer 2] en het meermalen slaan in het gezicht van die [slachtoffer 3] en uit het gooien van ijzeren pinnen, in ieder geval harde voorwerpen, in de rug van die [slachtoffer 4] en in de richting van voornoemde personen;

3. primair

hij op 25 juli 2010, te Sneek, in de gemeente Sneek, tezamen en in vereniging met anderen aan een persoon genaamd [slachtoffer 5], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een gebroken oogkas en een gebroken jukbeen en blauwe plekken en/ schaafwonden op armen en rug) heeft toegebracht, door deze opzettelijk

- bij de keel te grijpen en deze dicht te knijpen en

- meermalen met kracht en met gebalde vuist tegen het hoofd te slaan/stompen en

- meermalen tegen de rug en in de buik en elders tegen het lichaam te schoppen/trappen en te slaan/stompen.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

1. primair Medeplegen van poging tot doodslag.

2. Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

3. primair Medeplegen van zware mishandeling.

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting ontslag van alle rechtsvervolging van het onder 1. primair ten laste gelegde bepleit. De raadsvrouw heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte handelde uit noodweer dan wel noodweerexces nu hij zich verdedigde als gevolg van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Verdachte werd door aangever [slachtoffer 1] uit het niets geslagen. Daarop heeft verdachte teruggeslagen en uit vrees dat hij nogmaals door aangever zou worden geslagen heeft verdachte aangever op de grond getrokken. Deze handelingen zijn aan te merken als een noodzakelijke verdediging. Er is dus sprake van een noodweersituatie dan wel een putatieve noodweersituatie. Met betrekking tot de schop tegen het hoofd van de aangever heeft de verdachte gehandeld als gevolg van een hevige gemoedstoestand als bedoeld in artikel 41 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht. Deze hevige gemoedstoestand is veroorzaakt door de boosheid die verdachte had nadat hij uit het niets een klap kreeg van aangever [slachtoffer 1]. Door die boosheid heeft verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging overschreden.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het verweer van de raadsvrouw het navolgende.

De rechtbank stelt op grond van bovenstaande bewijsmiddelen het volgende vast. Verdachte verklaart zowel bij de politie als ter terechtzitting dat hij een klap kreeg van aangever [slachtoffer 1], waarop hij het been van [slachtoffer 1] heeft vastgepakt waardoor die [slachtoffer 1] op de grond is gevallen. Op het moment dat [slachtoffer 1] op de grond ligt neemt verdachte een korte aanloop en schopt hij [slachtoffer 1] tegen diens gezicht. De rechtbank is van oordeel dat er op dat moment geen sprake meer is van een noodzakelijke verdediging tegen de aanval van [slachtoffer 1]. De rechtbank neemt in haar overweging mee dat verdachte zich niet heeft gedistantieerd terwijl hij daartoe wel meermalen de gelegenheid heeft gehad. Verdachte handelde juist tegengesteld nu hij wist dat de situatie escaleerde en hij toch die confrontatie heeft opgezocht om onder andere aangever te achtervolgen, uit te dagen en te pesten. De rechtbank verwerpt het beroep op noodweer dan wel noodweerexces.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking:

- de aard en de ernst van de gepleegde feiten;

- de omstandigheden waaronder deze zijn begaan;

- de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komt uit het uittreksel uit het algemeen documentatieregister en het voorlichtingsrapport van de Reclassering Nederland d.d. 12 november 2010;

- de vordering van de officier van justitie;

- het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag, een openlijke geweldpleging en zware mishandeling. Na een achtervolging kwam het telkens tot straatgeweld, waarbij verdachte zich niet onbetuigd liet. Verdachte kon de rechtbank nauwelijks uitleggen wat de aanleiding was voor de achtervolgingen en voor het geweld. Kennelijk laat verdachte zich snel verleiden tot het plegen van ernstige strafbare feiten. Bij het onder 1 bewezen verklaarde feit heeft verdachte (na een aanloop) een schop tegen het gezicht van het slachtoffer gegeven. De rechtbank neemt verdachte deze schop zeer kwalijk. Bij het onder 3 bewezen verklaarde feit is er sprake geweest van het langdurig achtervolgen en opjagen van een ander slachtoffer. Die heeft verklaard dat hij doodsangsten heeft uitgestaan. Ook dit feit neemt de rechtbank verdachte zeer kwalijk.

In het voordeel van verdachte pleit dat hij spijt heeft betoond en niet eerder in aanraking kwam met politie of justitie. Uit het reclasseringsadvies is gebleken dat verdachte zeer beïnvloedbaar en manipuleerbaar is door zijn omgeving. Verdachte wil wel meewerken aan reclasseringstoezicht en een agressie regulatie training. In het bijzonder de ernst van de bewezen verklaarde strafbare feiten alsmede verdachtes aandeel daarin, maken dat de rechtbank -evenals de officier van justitie- een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden passend acht. Gelet op de aanknopingspunten welke de reclassering ziet voor begeleiding en behandeling, zal de rechtbank van voornoemde straf 6 maanden geheel voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van 2 jaren. In die twee jaren zal er sprake dienen te zijn van een meldingsgebod bij de reclassering en van de deelname aan een agressie regulatie training.

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting strafvermindering bepleit. De raadsvrouw heeft hiertoe aangevoerd dat het consultatierecht is geschonden nu verdachte op 5 oktober 2010, toen hij werd gehoord ter zake van het onder 3. ten laste gelegde, niet is gewezen op zijn recht een raadsman te raadplegen. Volgens de jurisprudentie levert dit een schending op van het consultatierecht, zie HR 30 juni 2009, LJN BH3079 en rechtbank Arnhem 28 oktober 2009 LJN BK1090. Deze vormfout is onherstelbaar en dient volgens artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering te worden gecompenseerd door middel van strafvermindering.

De rechtbank stelt het volgende vast.

Verdachte werd op 4 oktober 2010 aangehouden en gehoord ter zake van de onder 1. en 2. ten laste gelegde feiten. Verdachte is toen gewezen op zijn consultatierecht en verdachte gaf direct na het eerste verhoor aan dat hij nogmaals een raadsman wilde raadplegen voordat een tweede verhoor plaats zou vinden. Verdachte spreekt diezelfde dag nogmaals met een raadsman. Op 5 oktober 2010, terwijl verdachte nog in verzekering was gesteld, werd verdachte gehoord voor een minder ernstig, maar soortgelijk strafbaar feit, het onder 3. ten laste gelegde. Anders dan in de door de raadsvrouw aangehaalde uitspraak van de rechtbank Arnhem is de rechtbank van oordeel dat in het onderhavige geval het consultatierecht van verdachte niet is geschonden. In die uitspraak wordt de verdachte namelijk tweemaal inverzekering gesteld op twee opeenvolgende dagen. In die zaak ontstaat gedurende de eerste inverzekeringstelling een nieuwe verdenking voor een ander en ernstiger strafbaar feit. In het onderhavige geval is daar geen sprake van nu verdachte eenmaal in verzekering is gesteld en verdachte tijdens die inverzekeringstelling wordt gehoord over twee soortgelijke verdenkingen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte ten aanzien van het soortgelijke onder 3. ten laste gelegde feit zijn procespositie heeft kunnen bepalen nu hij kort voor dat verhoor tweemaal van zijn consultatierecht gebruik had gemaakt. Het consultatierecht is dan ook niet geschonden. De rechtbank verwerpt het verweer.

Benadeelde partijen

[slachtoffer 1] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 1. primair ten laste gelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De raadsvrouw heeft bepleit, in geval van een bewezenverklaring, de vordering niet-ontvankelijk te verklaren nu niet eenvoudig vast te stellen is of de gestelde schade voortvloeit uit het door verdachte toegebrachte letsel. Met betrekking tot de immateriële schade acht de verdediging een bedrag van € 1.000 toewijsbaar nu aangever niet eenduidig is over de geleden psychische schade.

De rechtbank stelt vast dat uit de onderbouwing van de door [slachtoffer 1] ingediende vordering blijkt dat er sprake is van immateriële schade bij de benadeelde. De rechtbank acht het tevens een feit van algemene bekendheid dat een feit als het onderhavige immateriële schade met zich mee kan brengen. De rechtbank is van oordeel dat de gestelde immateriële schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de materiële schade, met uitzondering van de posten omschreven onder 'bedankjes', voldoende onderbouwd en voor hoofdelijke toewijzing vatbaar. Met betrekking tot het meergevorderde, de bedankjes á € 159,98, is de rechtbank van oordeel dat nader onderzoek naar de gegrondheid van dat deel een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert en de vordering zich in zoverre niet leent voor behandeling in het strafgeding nu van het meergevorderde niet eenvoudig vast is te stellen dat deze schade voortvloeit uit de ten laste gelegde feiten. De rechtbank is daarom van oordeel dat de vordering voor het meergevorderde niet ontvankelijk moet worden verklaard en dat de benadeelde partij dit deel van zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. De rechtbank acht de vordering derhalve deels gegrond en voor hoofdelijke toewijzing vatbaar.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen.

De rechtbank zal het toe te wijzen bedrag aan materiële en immateriële schade niet bij wijze van voorschot opleggen, zoals gevorderd, nu dit niet past in het wettelijk systeem (zie HR 19 maart 2002, NJ 2002, 497). De benadeelde partij is in dit onderdeel van de vordering niet ontvankelijk.

[slachtoffer 5] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 3. primair ten laste gelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering, die niet dan wel onvoldoende door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve gegrond en voor hoofdelijke toewijzing vatbaar.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 45, 47, 57, 141, 287 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT, RECHTDOENDE:

Verklaart het onder 1. primair, 2. en 3. primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld en verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte te dier zake tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden.

Bepaalt, dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot zes maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Stelt als algemene voorwaarden:

a. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

b. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

Stelt als bijzondere voorwaarde, dat de veroordeelde:

- zich bij het ingaan van de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland te Leeuwarden;

- ervoor zorgt dat hij gedurende de proeftijd bereikbaar is voor deze reclasseringsinstelling;

- zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen hem te geven door of namens genoemde reclasseringsinstelling, ook als dat inhoudt het volgen van een ART Wiltshire training en/of een behandeling bij de AFP.

Draagt genoemde reclasseringsinstelling op de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij, [slachtoffer 1], wonende te [adres], toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 3.290,29 (zegge: drieduizend tweehonderdnegentig euro en negenentwintig eurocent), in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1], te betalen een som geld ten bedrage van € 3.290,29 (zegge:drieduizend tweehonderdnegentig euro en negenentwintig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van tweeënveertig dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en vice versa, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5], wonende te [adres], toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 2.415,11 (zegge: tweeduizend vierhonderdvijftien euro en elf eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 juli 2010, in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 5], te betalen een som geld ten bedrage van € 2.415,11 (zegge: tweeduizend vierhonderdvijftien euro en elf eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 juli 2010, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van vierendertig dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 5], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en vice versa, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.H. Severein, voorzitter, mr. Y. Huizing en mr. M.A.M. Wolters, rechters, bijgestaan door mr. J. Houwink, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 februari 2011.

--------------------------------------------------------------------------------

1 De genoemde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm en door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt; de genoemde pagina's bevinden zich in het doorgenummerde proces-verbaal met OPS-dossiernummer PL02R3 2010115403-45, gesloten op 23 november 2010.

2 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting (van 18 en 26 januari 2011).

3 Het proces-verbaal van de verklaring van verdachte, d.d. 5 oktober 2010, pagina 146/147.

4 Het proces-verbaal van de verklaring van verdachte, d.d. 4 oktober 2010, pagina 135.

5 Het proces-verbaal van de verklaring van verdachte, d.d. 5 oktober 2010, pagina 142.

6 Het proces-verbaal van de verklaring van verdachte, d.d. 18 oktober 2010, pagina 158.

7 Het proces-verbaal van de verklaring van verdachte, d.d. 5 oktober 2010, pagina 142.

8 Het proces-verbaal van de verklaring van verdachte, d.d. 5 oktober 2010, pagina 143.

9 Het proces-verbaal van de verklaring van verdachte, d.d. 5 oktober 2010, pagina 146.

10 Het proces-verbaal van de verklaring van verdachte, d.d. 6 oktober 2010, pagina 154.

11 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1], d.d. 5 augustus 2010, pagina 74.

12 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1], d.d. 5 augustus 2010, pagina 75.

13 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2], d.d. 3 augustus 2010, pagina 83.

14 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2], d.d. 3 augustus 2010, pagina 84.

15 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2], d.d. 3 augustus 2010, pagina 85.

16 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 3], d.d. 12 augustus 2010, pagina 90.

17 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 3], d.d. 12 augustus 2010, pagina 91.

18 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 3], d.d. 12 augustus 2010, pagina 92.

19 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 4], d.d. 6 augustus 2010, pagina 96.

20 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 4], d.d. 6 augustus 2010, pagina 97.

21 Het proces-verbaal van de verklaring van [naam 7], d.d. 16 oktober 2010, pagina 108.

22 Het proces-verbaal van de verklaring van [naam 7], d.d. 16 oktober 2010, pagina 109.

23 Het proces-verbaal van de verklaring van [medeverdachte], d.d. 6 oktober 2010, pagina 164.

24 Het proces-verbaal van de verklaring van [medeverdachte], d.d. 6 oktober 2010, pagina 165.

25 Het proces-verbaal van de verklaring van [medeverdachte], d.d. 6 oktober 2010, pagina 166.

26 Het proces-verbaal van de verklaring van [medeverdachte], d.d. 6 oktober 2010, pagina 167.

27 Het proces-verbaal van de verklaring van [medeverdachte], d.d. 6 oktober 2010, pagina 172.

28 Het proces-verbaal van de verklaring van [medeverdachte], d.d. 7 oktober 2010, pagina 171.

29 Het proces-verbaal van de verklaring van [naam 2], d.d. 16 oktober 2010, pagina 192.

30 Het proces-verbaal van de verklaring van [naam 2], d.d. 16 oktober 2010, pagina 194.

31 Het proces-verbaal van de verklaring van [naam 2], d.d. 16 oktober 2010, pagina 201.

32 Het proces-verbaal van de verklaring van [naam 2], d.d. 17 oktober 2010, pagina 210.

33 De verklaring van getuige [naam 2], afgelegd ter terechtzitting van 18 januari 2011.

34 Het proces-verbaal van de verklaring van [naam 3], d.d. 13 oktober 2010, pagina 213.

35 Het proces-verbaal van de verklaring van [naam 3], d.d. 13 oktober 2010, pagina 214.

36 Het proces-verbaal van de verklaring van [naam 5], d.d. 21 oktober 2010, pagina 230.

37 Het proces-verbaal van de verklaring van [naam 5], d.d. 21 oktober 2010, pagina 231.

38 Het proces-verbaal van de verklaring van [naam 5], d.d. 21 oktober 2010, pagina 234.

39 De verklaring van getuige [naam 5], afgelegd ter terechtzitting van 18 januari 2011.

40 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 18 en 26 januari 2011.

41 Het proces-verbaal van de verklaring van verdachte, d.d. 5 oktober 2010,pagina 284.

42 Het proces-verbaal van de verklaring van verdachte, d.d. 5 oktober 2010,pagina 285.

43 Het proces-verbaal van aangifte door aangever [slachtoffer 5], d.d. 27 juli 2010, pagina 242.

44 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 5], d.d. 27 juli 2010, pagina 243.

45 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 5], d.d. 27 juli 2010, pagina 244.

46 Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte], d.d. 6 oktober 2010, pagina 300.

47 Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte], d.d. 6 oktober 2010, pagina 301.

48 Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte], d.d. 6 oktober 2010, pagina 297.

49 Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte], d.d. 6 oktober 2010, pagina 298.

50 Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte], d.d. 6 oktober 2010, pagina 301.

51 Het proces-verbaal van de verklaring van [naam 6], d.d. 11 oktober 2010, pagina 314,315.

52 Het proces-verbaal van de verklaring van [naam 6], d.d. 12 oktober 2010, pagina 319.

53 Het proces-verbaal van de verklaring van [naam 6], d.d. 12 oktober 2010, pagina 320.

54 Het proces-verbaal van de verklaring van [naam 7], d.d. 16 oktober 2010, pagina 109.

55 Een geneeskundige verklaring, d.d. 14 augustus 2010, pagina 333 en een geneeskundige verklaring, d.d. 20 augustus 2010, pagina 334.