Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2011:BP3635

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
09-02-2011
Datum publicatie
14-02-2011
Zaaknummer
AWB 10/394
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aan advocaat opgelegde boete van € 4.000 wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen, bestaande uit het laten optreden van een vreemdeling van Iraakse nationaliteit als (mede) gemachtigde van cliënten in verblijfsrechtelijke procedures (bezwaar, beroep en hoger beroep) en het laten verrichten van tolkwerkzaamheden zonder dat deze vreemdeling beschikte over een tewerkstellingsvergunning. Geen aanleiding voor matiging van de boete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

procedurenummer: AWB 10/394

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 februari 2011 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[naam], h.o.d.n. [naam advocatenkantoor],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

en

de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

verweerder,

gemachtigde: mr. M.M. Odijk, werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Procesverloop

Bij brief van 11 januari 2010 heeft verweerder eiseres mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende de toepassing van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: het bestreden besluit). Tegen dit besluit heeft eiseres beroep aangetekend. De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 1 november 2010, waarbij verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Eiseres is met kennisgeving niet verschenen.

Motivering

Feiten

1.1 Bij besluit van 6 november 2009 heeft verweerder eiseres een boete opgelegd van € 4.000 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). Aan de boeteoplegging ligt een door de Arbeidsinspectie opgemaakt boeterapport van 15 oktober 2009 (hierna: het boeterapport) ten grondslag. In het boeterapport staat vermeld dat eiseres gedurende de periode van april 2005 tot en met november 2007 een vreemdeling van Iraakse nationaliteit, [X], zonder dat deze vreemdeling beschikte over een tewerkstellingsvergunning (twv), werkzaamheden heeft laten uitvoeren, bestaande uit het optreden als gemachtigde, ter waarneming van eiseres, en medegemachtigde van cliënten van eiseres in een aantal verblijfsrechtelijke procedures (bezwaar, beroep en hoger beroep). In het boeterapport is gewezen op een aantal van deze procedures. Daarnaast staat in het boeterapport vermeld dat [X] voor eiseres heeft getolkt. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de boete gehandhaafd.

1.2 Bij besluit op bezwaar van 22 januari 2010 heeft de Minister van Justitie aan [X] een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend met ingang van 4 december 2007 en geldig tot 19 november 2010. De verblijfsvergunning is verleend onder de beperking "uitoefenen van gezinsleven conform artikel 8 EVRM met minderjarige dochter [naam dochter]".

Geschil

2.1 Eiseres is van opvatting dat verweerder niet bevoegd is om een boete op leggen omdat ten tijde van de primaire beslissing meer dan twee jaar was verstreken sinds de constatering van de overtreding. Zo al aangenomen zou moeten worden dat geen sprake is van relevant tijdsverloop en verweerder dus bevoegd is een boete op te leggen, stelt eiseres zich op het standpunt dat [X] geen werkzaamheden voor haar heeft verricht. Eiseres wijst er verder op dat de uitkomst van de verblijfsrechtelijke procedure betreffende [X] zelf (verblijf bij dochter) wel eens zou kunnen zijn dat hij al met ingang van 22 september 2004 een reguliere verblijfsvergunning moet krijgen, zodat hij vanaf die datum niet hoefde te beschikken over een twv, waarmee de grondslag van de opgelegde boete komt te vervallen. Eiseres is ten slotte van mening dat, zo al een boete op zijn plaats is, deze boete gematigd dient te worden. In dat verband heeft zij gewezen op haar gezondheidssituatie in 2007.

2.2 In het verweerschrift van 11 mei 2010 heeft verweerder gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep. Op 23 juli 2010 heeft eiseres de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage (nevenzittingsplaats Groningen, vreemdelingenkamer) van 21 juli 2010 (AWB 09/37731) in het geding gebracht. Bij die uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat de ingangsdatum van de aan [X] verleende reguliere verblijfsvergunning op 11 augustus 2005 dient te worden bepaald. In het aanvullende verweerschrift van 13 oktober 2010 heeft verweerder gereageerd op de uitspraak van 21 juli 2010 en uiteengezet dat en waarom deze uitspraak geen aanleiding vormt om terug te komen op de boete.

Beoordeling van het geschil

3.1 Artikel 19f, eerste lid, van de Wav bepaalt dat de bevoegdheid om een boete op te leggen vervalt na verloop van twee jaren na de dag waarop het beboetbare feit is geconstateerd. Vast staat dat de overtreding is geconstateerd op 7 november 2007. De termijn van twee jaar is dus begonnen op 8 november 2007. De primaire boetebeslissing is genomen op 6 november 2009, dus binnen de termijn van twee jaar. De rechtbank verwerpt dan ook het betoog dat verweerder niet (langer) bevoegd was om een boete op te leggen.

3.2 Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef, onderdeel b en onder 1o, van de Wav wordt onder werkgever verstaan degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander werk laat verrichten. Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wav is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

3.3 Uit de gedingstukken blijkt dat [X] al vóór 11 augustus 2005, namelijk in april 2005, werkzaamheden heeft verricht voor eiseres, zonder dat zij voor hem over een twv beschikte. Aan de uitspraak van 21 juli 2010 komt dus reeds daarom geen betekenis toe. In het aanvullende verweerschrift heeft verweerder aangegeven dat de Minister van Justitie op 19 augustus 2010 hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) heeft ingesteld tegen de uitspraak van 21 juli 2010. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder tot uitdrukking gebracht dat het voorkomt dat verweerder in een individueel geval wordt "ingehaald" door een voor de vreemdeling in kwestie positieve uitspraak van de AbRS en dat -achteraf beschouwd- ten behoeve van door die vreemdeling verrichte werkzaamheden over de in geding zijnde periode niet beschikt hoefde te worden over een twv, zodat de boete ten onrechte is opgelegd. In een dergelijk geval kan echter een herzieningsverzoek worden ingediend.

3.4 Volgens vaste jurisprudentie van de AbRS, onder meer de uitspraak van 29 september 2010, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, LJN: BN9514, is diegene die een vreemdeling feitelijk arbeid laat verrichten vergunningplichtig werkgever en is deze werkgever altijd verantwoordelijk voor en aanspraakbaar op het al dan niet aanwezig zijn van de benodigde twv. Of sprake is van een arbeidsovereenkomst of gezagsverhouding is daarbij niet relevant. Het feit dat in opdracht of ten dienste van de betrokken persoon arbeid wordt verricht is voor het feitelijk werkgeverschap reeds voldoende. Tegen deze achtergrond oordeelt de rechtbank dat eiseres, gelet op de in het boeterapport neergelegde bevindingen (inclusief bijlagen), in de periode in geding werkgever van [X] is geweest en dat [X] ten dienste van eiseres werkzaamheden heeft verricht. De rechtbank verwerpt daarom het betoog van eiseres dat [X] geen werkzaamheden heeft verricht.

3.5 Vast staat dat [X] in de periode in geding, althans in ieder geval voor de vóór 11 augustus 2005 verrichte werkzaamheden, niet beschikte over een twv. Door [X] toch werkzaamheden te laten verrichten, heeft eiseres het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van de Wav overtreden. Ingevolge artikel 18 van de Wav is dus sprake van een beboetbaar feit, zodat de rechtbank thans toekomt aan de beoordeling van de hoogte van de opgelegde boete.

3.6 Ingevolge artikel 19d, derde lid, van de Wav stelt de minister beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor de beboetbare feiten worden vastgesteld. Volgens artikel 1 van de beleidsregels boeteoplegging Wav (hierna: de beleidsregels), worden bij de berekening van een boete als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, van de Wav voor alle beboetbare feiten als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die zijn neergelegd in de "Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wav" (hierna: de Tarieflijst), die als bijlage bij de beleidsregels is gevoegd. Volgens de Tarieflijst is het boetenormbedrag voor overtreding van artikel 2, eerste lid, vastgesteld op € 8.000 per persoon per beboetbaar feit. Indien de werkgever een natuurlijk persoon is, bedraagt de boete de helft van het boetenormbedrag, dus € 4.000. Volgens vaste jurisprudentie, onder meer de eerdergenoemde Afdelingsuitspraak van 29 september 2010, is dit beleid niet kennelijk onredelijk. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een andersluidende opvatting.

3.7 Blijkens de bij het bestreden besluit gehandhaafde primaire beslissing is de boete overeenkomstig de beleidsregels vastgesteld. Het betoog van eiseres dat verweerder willekeurig heeft gehandeld faalt dus. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt eveneens. Dat, zoals eiseres stelt, [X] in het verleden tolkwerkzaamheden heeft verricht voor het Ministerie van Defensie, zonder dat dit Ministerie ten behoeve van deze werkzaamheden beschikte over een noodzakelijke twv voor [X], betekent niet dat verweerder de onderhavige boete niet mocht opleggen. Zo al aangenomen moet worden dat sprake is geweest van een fout, namelijk het niet beboeten van het zonder geldige twv verrichten van werkzaamheden voor het Ministerie van Defensie, strekt het gelijkheidsbeginsel niet zover dat verweerder een dergelijke fout moet herhalen. Het dwingendrechtelijke karakter van artikel 2, eerste lid, van de Wav verzet zich hier ook tegen.

3.8 In de eerdergenoemde Afdelingsuitspraak van 29 september 2010 heeft de AbRS overwogen dat verweerder ook bij de toepassing van de beleidsregels en de daarin vastgesteld boetebedragen dient te beoordelen of die toepassing strookt met de eisen die aan de aanwending van de bevoegdheid tot het opleggen van een boete moeten worden gesteld. Indien dat niet het geval is, dient de boete, in aanvulling op of in afwijking van het beleid, zodanig te worden vastgesteld dat het bedrag daarvan passend en geboden is. De rechtbank ziet evenwel geen aanleiding om de boete te matigen. De gezondheidssituatie van eiseres in 2007 die voor haar kennelijk de aanleiding vormde om [X] te vragen haar in een aantal procedures als gemachtigde waar te nemen, is hiervoor onvoldoende. Eiseres is weliswaar de enige advocaat op het advocatenkantoor dat haar naam draagt, maar eiseres had ook kunnen besluiten en uit hoofde van de Wav eigenlijk moeten besluiten (een aantal van) haar zaken over te dragen aan collega-advocaten, althans professionele rechtsbijstandverleners en de waarneming van deze zaken niet over te laten aan [X]. Dat [X] volgens eiseres omgerekend in totaal slechts amper één werkdag tolkwerkzaamheden heeft verricht, rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank evenmin een matiging. Ook hier geldt dat eiseres zich voor het verrichten van deze tolkwerkzaamheden had moeten wenden tot een persoon die daartoe uit hoofde van de Wav gerechtigd was. Gesteld noch gebleken is dat hiertoe geen mogelijkheden bestonden. Eiseres heeft verder nog aangevoerd dat geen sprake is van een overtreding van de doelstellingen van de Wav. De rechtbank is van oordeel dat nu geen beoordeling door het CWI heeft plaatsgevonden, niet is vastgesteld dat doelstellingen van de Wav niet zijn geschonden. De enkele stelling van eiseres dat geen sprake is van een schending van voornoemde doelstellingen is daartoe onvoldoende en rechtvaardigt dus niet een matiging van de boete.

3.9 Uit het voorgaande volgt dat het beroep van eiseres ongegrond is.

Proceskosten

4.1 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Leegsma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2011.

w.g. J.R. Leegsma

w.g. P.G. Wijtsma

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.