Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2011:BP3608

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
02-02-2011
Datum publicatie
08-02-2011
Zaaknummer
102711 / HA ZA 10-156
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

vernietiging koopovereenkomst schilderij wegens dwaling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 102711 / HA ZA 10-156

Vonnis van 2 februari 2011

in de zaak van

A,

wonende te X,

eiser,

advocaat mr. E.J. Rotshuizen, kantoorhoudende te Leeuwarden,

tegen

1. B,

wonende te Y,

2. C,

wonende te Z,

gedaagden,

advocaat mr. E.H. de Vries, kantoorhoudende te Wolvega.

Partijen zullen hierna A, B en C genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- het proces-verbaal van comparitie van 13 september 2010.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. A is eigenaar van een galerie voor moderne kunst en etnografica in Gorredijk en handelt in kunstobjecten.

2.2. C heeft B en A met elkaar in contact gebracht in verband met het feit dat B een schilderij van Gerrit Benner (hierna: de Benner) te koop kon aanbieden. A heeft op 30 juni 2007 een koopovereenkomst gesloten met B, waarbij A van B de Benner heeft gekocht tegen betaling van een koopsom van EUR 15.000,00. C heeft voor zijn rol een bedrag van EUR 3.000,00 (“tipgeld”) ontvangen van B.

2.3. A heeft voor het sluiten van de koopovereenkomst de heer D (destijds directeur van museum Belvédere in Oranjewoud, hierna: D) gevraagd de Benner te beoordelen.

2.4. De Benner was voorheen eigendom van mevrouw E (hierna: Blijham-van Brakel). B heeft de Benner opgehaald bij de heer F (de vader van Blijham-van Brakel). Aan F heeft B een bedrag van EUR 3.500,00 of EUR 5.000,00 betaald voor de Benner.

2.5. De Benner is in de jaren ’90 door Blijham-van Brakel ingebracht voor een veiling bij Sotheby’s. Na bestudering van het schilderij, onder meer door de zoon van Benner, heeft Sotheby’s destijds geconcludeerd dat de Benner niet authentiek is en heeft Blijham-van Brakel het schilderij op last van Sotheby’s teruggetrokken uit de veiling.

2.6. Kort na de aankoop van de Benner heeft B A een schilderij van Otto van Rees uit 1930 (hierna: de Van Rees) te koop aangeboden. Op 3 juli 2007 heeft A de Van Rees in de woning van B bezichtigd. Daarbij heeft B aan A een catalogus van een veiling getoond met daarin een afbeelding van de Van Rees en aan A het boek ‘Otto en Ayda van Rees, hun leven en werk tot 1934’ getoond, waarin de Van Rees stond afgebeeld.

2.7. Op 10 juli 2007 hebben A en B een koopovereenkomst gesloten waarbij A van B de Van Rees heeft gekocht tegen betaling van een koopsom van EUR 9.000,00.

2.8. De Van Rees was voorheen eigendom van G (de zoon van F). B heeft de Van Rees, die door G bij zijn vader was gebracht, afgehaald bij F en heeft aan hem een bedrag van EUR 2.000,00 of EUR 2.500,00 betaald.

2.9. De Van Rees is enkele jaren geleden (op 17 mei 2003) door J. H. van Brakel op een veiling van Sotheby’s verkocht voor EUR 5.000,00. Na de verkoop heeft De Van Rees Stichting Sotheby’s bericht dat de Van Rees niet authentiek is. Nadat D (die door Sotheby’s was ingeschakeld) tot dezelfde conclusie was gekomen, heeft G het schilderij op aandringen van Sotheby’s teruggenomen en de door hem ontvangen koopprijs terugbetaald.

2.10. In juli 2007 heeft A B meegedeeld dat hij twijfelde over de authenticiteit van de Benner, omdat A een kleine verschuiving in het perspectief van het schilderij had opgemerkt.

2.11. Op 17 juli 2007 heeft A de Benner en de Van Rees aangeboden aan Sotheby’s voor een veiling. Sotheby’s heeft beide schilderijen vervolgens opgenomen in de veilingcatalogus van november 2007.

2.12. De heer R.A. H (hierna: H), werkzaam als expert moderne kunst bij Sotheby’s, heeft A nadien geïnformeerd dat de Van Rees vals was. Enige tijd daarna heeft H aan A bericht dat de Benner eerder (in de jaren ’90) is ingebracht voor een veiling bij Sotheby’s en dat het schilderij destijds na bestudering en beoordeling door de zoon van Benner is teruggenomen, omdat het vals was.

2.13. De Van Rees en de Benner zijn door Sotheby’s teruggetrokken uit de veiling vanwege de authenticiteitsproblemen.

2.14. A heeft B (per brief d.d. 20 december 2007 van mr. Rotshuizen) bericht dat hij de koopovereenkomsten wegens dwaling vernietigt. A heeft aan B verzocht de betaalde koopsommen uiterlijk 4 januari 2008 terug te betalen.

2.15. Voorafgaand aan deze procedure heeft een voorlopig getuigenverhoor plaatsgevonden. De diverse getuigen hebben, voor zover van belang, het volgende verklaard.

E:

“Ik was eigenaar van de Benner. Ik heb het schilderij voor zo’n 7000 gulden 25 jaar geleden gekocht op een veiling in Hoofddorp. (…) Ik ben een paar weken na de koop met het schilderij bij Sotheby’s geweest en ik ben daar te woord gestaan door I. Hij vond het schilderij prachtig, ‘ruiter te paard’ noemde hij het schilderij. Hij wilde het schilderij veilen in Amerika want hij zei dat daar een markt voor het schilderij was. (…) Een paar weken later kreeg ik een brief. Hij had het schilderij aan de zoon van Benner laten zien en die had gezegd dat hij het schilderij niet kende. De conclusie van I was dat het schilderij vals moest zijn. Wij moesten het schilderij weer ophalen. (…) Via mijn vader kwam de verkoop van het schilderij weer ter sprake. Ik ken de heer B via mijn vader. B vroeg of wij de Benner wilden verkopen want hij had van mijn vader gehoord dat wij een Benner hadden. Hij vroeg wat wij er voor wilden hebben. Ik heb er 3500 euro voor gevraagd en dat heeft hij er ook voor betaald. De betaling is via mijn vader gegaan. (…) Mr. Rotshuizen vraagt mij of het een koop was en ik antwoord: ja hij heeft het van mij gekocht en niet voor mij gekocht. Op de vraag van mr. Rotshuizen of ik heb verteld aan B dat de authenticiteit van het schilderij betwist werd, antwoord ik: dat heb ik hem inderdaad verteld; ik heb gezegd dat Sotheby’s had gezegd dat het schilderij vals was. (…)”

G:

“(…) De Van Rees was mijn eigendom. De koop is aldus gegaan dat ik het schilderij bij mijn vader heb gebracht. Het schilderij is daar door B bekeken, neem ik aan, en meegenomen. Een week later heeft hij het geld betaald en mijn vader heeft het geld weer aan mij overhandigd, ik heb het opgehaald. Op de vraag of ik rechtstreeks contact heb gehad met B over de verkoop van het schilderij antwoord ik ja, één keer telefonisch. Ik heb tegen B in dat gesprek aangegeven dat ik gezien de geschiedenis geen gedoe wilde hebben. Ik wilde dat mijn naam in de toekomst niet meer aan dit schilderij verbonden werd. Toen heeft B letterlijk tegen mij gezegd: “Ik ben de verkoper en als ik het verkoop dan noem ik geen namen”. Op de vraag wanneer dat telefoongesprek heeft plaatsgevonden antwoord ik dat ik mij de datum niet kan herinneren maar wel dat het ’s avonds tussen 7 en 9 uur plaats vond. Mr. Rotshuizen vraagt mij of ik niet aan de hand van een agenda meer kan vertellen over het exacte moment. Ik antwoord dat ik geen agenda heb en dat ik zoiets niet noteer maar ik zeg toe dat ik thuis nog eens zal proberen de datum bij benadering te achterhalen en ik zeg toe dat ik dat alsnog aan mr. Rotshuizen zal meedelen. (…) Ik weet wel dat het op een zondag was en ik heb het geld ook op een zondag opgehaald. Wij hebben afgesproken dat B een week de tijd zou krijgen om te beslissen of hij het schilderij zou willen kopen. Ik heb het schilderij naar mijn vader gebracht. Ik had ook een catalogus meegenomen en het boek van Van Rees. B heeft het schilderij meegenomen en ongeveer een week erna het geld gebracht. Dat was niet € 9.000,00 zoals in de stukken staat maar € 2.000,00. Dat was ook de vraagprijs. (…) Mr. De Vries vraagt mij of het bedrag van € 2.000,00 rechtstreeks van B heb gekregen. Daarop antwoord ik dat het via mijn vader is gegaan maar dat ik het schilderij in mijn beleving heb verkocht aan B. Mr. De Vries vraagt mij of ik B heb gebeld of andersom en daarop antwoord ik B heeft mij gebeld. (…) Mr. Rotshuizen houdt mij voor dat de centrale stelling van de tegenpartij is dat de heer B optrad voor de heer van Brakel sr. (te Lelystad) die op zijn beurt weer optrad voor zijn zoon en dochter. Ik antwoord daarop: “nee dat is een leugen, mijn vader trad niet op als verkoper. Hij functioneerde als depot voor het schilderij en het geld”. (…)

C (16 december 2008):

“Ik ken A en B allebei. Ik heb ze met elkaar in contact gebracht. (…) Over het schilderij van Benner verklaar ik als volgt. Ik heb A benaderd en heb tegen hem gezegd dat er eventueel een Benner te koop zou zijn omdat een kennis van mij (B) dat zou aanbieden. B heeft tegen mij gezegd dat hij kennissen had die eigenaar waren van een Benner en dat hij dat schilderij voor hen mocht verkopen. Ik had het idee dat het een soort vriendendienst was. Er was een bedrag afgesproken dat aan de familie afgedragen moest worden, dat was € 9.000,00. B en ik hebben er nog een bedrag opgezet en toen te koop aangeboden. De verkoop was een gezamenlijke actie van B en mij.(…)”

C (1 september 2009):

“Mr. De Vries vraagt mij: hoe wist A dat B voor een andere partij optrad. Ik antwoord: B heeft vanaf het begin duidelijk gemaakt dat hij het schilderij van de familie mocht verkopen en dat heb ik ook zo aan A verteld.(…)”

H:

“Op de vraag van mr. De Vries of er voordat het schilderij van Benner is opgenomen in de catalogus een deskundigenonderzoek heeft plaatsgevonden antwoord ik dat het in dit geval niet is gebeurd. Ik ben gealarmeerd door het telefoontje van de zoon van Benner. Ik heb toen, bij nader inzien, gezien dat er sprake is van een sterk afwijkende monogram.(…)”

2.16. De heer F heeft schriftelijk d.d. 19 april 2009, voor zover van belang, het navolgende verklaard:

“De heer B ken ik uit de tijd dat ik in Oldeberkoop woonde. (…) Hij wist dat mijn zoon en dochter ook schilderijen hadden. Hij vroeg mij op een bepaald of zij niet eens iets wilden verkopen, daarop zei ik dat hij ze zelf maar moest bellen. Hij heeft mijn dochter gebeld en die zei toen het werk van Benner te willen verkopen. Zij hebben onderling afgesproken dat vanwege de afstand mijn dochter het werk bij mij zou achterhalen als ze op bezoek was. De heer B zou het ophalen. Hij wilde er eerst over nadenken en als hij tot koop zou besluiten zou hij het geld aan mij (…) geven zodat het bij mijn dochter terecht zou komen. Op deze wijze is het ook gebeurd. Kort daarna vertelde mijn zoon mij dat de heer B hem had gebeld en dat hij had verteld dat hij de Benner had gekocht en had gevraagd of hij ook niet iets te koop had. Mijn zoon wilde het schilderij van Van Rees wel verkopen. Hij stelde dezelfde procedure voor als met mijn dochter. Dat is dus op dezelfde manier gegaan. Beide keren nam hij de schilderijen mee en besloot hij ongeveer na een week tot aankoop. Bedragen kan ik mij niet meer herinneren. Ik heb ook niets met de verkoop te maken behalve dan dat ik vanwege de afstand en omdat ik de heer B kende als depot heb gefunctioneerd.”

3. De vordering

3.1. A vordert, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. De koopovereenkomst van 30 juni 2007 (schilderij van Benner) en die van 10 juli 2007 (schilderij van Van Rees) te vernietigen althans voor recht te verklaren dat de genoemde overeenkomsten terecht door A vernietigd zijn;

2. B en C hoofdelijk te veroordelen om aan A tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van EUR 15.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 juni 2007 tot de dag der algehele voldoening;

3. B te veroordelen om aan A tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van EUR 9.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 juli 2007 tot de dag der algehele voldoening;

4. B en C ieder hoofdelijk te veroordelen in de kosten van deze procedure, alsmede in de kosten van het voorlopig getuigenverhoor.

3.2. A legt aan zijn vordering ten grondslag dat de koopovereenkomsten met betrekkingen tot de twee schilderijen, de Benner en de Van Rees, onder invloed van bedrog dan wel dwaling tot stand zijn gekomen en stelt daartoe het volgende. Volgens A hebben C en B de Benner aan hem verkocht terwijl zij wisten dat er twijfels waren over de authenticiteit van het schilderij (en in die zin vals was) en hebben zij dit (opzettelijk) voor hem verzwegen. Aangaande de Van Rees stelt A dat B hem (opzettelijk) niet heeft ingelicht over de bij B bekende twijfels omtrent de authenticiteit van dit schilderij. Door de authenticiteitsproblemen zijn de werken onverkoopbaar. A stelt dat hij de schilderijen niet gekocht zou hebben indien hij bekend was geweest met de authenticiteitsproblemen. Volgens A behoort de dwaling niet voor zijn rekening te blijven, omdat hij heeft voldaan aan de op hem rustende onderzoeksplicht door voor de Benner D te raadplegen en de door B gegeven informatie over de Van Rees te controleren bij Sotheby’s. Meer subsidiair heeft A zijn vordering gebaseerd op een tekortschieten van B en C in de nakoming van de koopovereenkomsten. De schilderijen beschikken volgens A niet over de eigenschappen (authentiek en verkoopbaar) die hij op grond van de koopovereenkomsten mocht verwachten.

3.3. Gedaagden voeren gemotiveerd verweer. Op het verweer van gedaagden wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

De vordering jegens C

4.1. De rechtbank zal allereerst beoordelen of C, zoals hij tot zijn verweer heeft aangevoerd, geen partij is bij de koopovereenkomst betreffende de Benner. Indien het verweer van C slaagt, dan stuit daarop de vordering gegrond op bedrog dan wel dwaling af en kan hij niet worden veroordeeld tot terugbetaling van de koopsom.

4.2. De rechtbank stelt voorop dat het antwoord op de vraag wie partij is geworden bij een overeenkomst afhangt van hetgeen partijen hierover hebben verklaard en wat partijen over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden (Haviltex-maatstaf). Vaststaat dat C A heeft geïnformeerd dat B een Benner te koop kon aanbieden en dat C en B vervolgens gezamenlijk A met de Benner hebben bezocht. C heeft aangevoerd dat hij A ‘slechts’ in contact heeft gebracht met B, dat hij daarvoor een bedrag van EUR 3.000,00 als “tipgeld” van B heeft ontvangen, dat de onderhandelingen over de koopprijs tussen A en B hebben plaatsgevonden en dat A de koopprijs aan B heeft betaald. Gelet op deze feiten en omstandigheden, die door A niet zijn betwist, mocht A er naar het oordeel van de rechtbank niet van uitgaan dat C en B gezamenlijk zijn wederpartij vormden bij het aangaan van de koopovereenkomst. Feiten of omstandigheden waaruit het tegendeel kan worden afgeleid zijn gesteld noch gebleken. Dat C als getuige heeft verklaard dat de verkoop een gezamenlijke actie betrof, maakt dit niet anders nu daaruit niet althans onvoldoende kan worden afgeleid dat C partij was bij de koopovereenkomst. Dit brengt met zich dat de vordering jegens C moet worden afgewezen.

4.3. A zal in de proceskosten van C worden veroordeeld, als zijnde de in het ongelijk gestelde partij. De kosten aan de zijde van C worden vastgesteld op:

- vast recht EUR 265,00

- salaris advocaat 1158,00 ( 2 punten × tarief EUR 579,00)

Totaal EUR 1.423,00.

Voorts zal A voorwaardelijk worden veroordeeld in de nakosten, op de wijze zoals in het dictum te melden.

De vordering jegens B

4.4. B heeft primair tot zijn verweer aangevoerd dat hij de overeenkomsten is aangegaan in naam van een nader te noemen volmachtgever, te weten F, en dat hij daarom geen partij is geworden bij de overeenkomsten. Volgens B heeft F hem een volmacht verleend om de koopovereenkomsten in zijn naam te sluiten. B stelt dat hij een bedrag van EUR 5.000,00 voor de Benner en een bedrag van EUR 2.500,00 voor de Van Rees aan F moest afdragen en dat hij het verschil tussen deze bedragen en de koopsommen mocht behouden.

4.5. De rechtbank stelt voorop dat het antwoord op de vraag of iemand jegens een ander bij het sluiten van een overeenkomst in eigen naam – dat wil zeggen als wederpartij van die ander – is opgetreden, afhangt van hetgeen hij en die ander daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden (HR 11 maart 1977, NJ 1977, 521).

4.6. Niet in geschil is dat B de schilderijen onder zich had, deze (middels bezitsverschaffing) aan A heeft geleverd en dat B, naar de rechtbank begrijpt, zonder ruggespraak met de achterman de onderhandelingen heeft gevoerd. Gelet op deze verklaringen en gedragingen van partijen die erop wijzen dat B als contractspartij optrad en het feit dat de stelling van B dat hij handelde als vertegenwoordiger van F geheel geen steun vindt in de schriftelijke verklaring van F zelf (zie 2.16.) noch in de overige getuigenverklaringen concludeert de rechtbank dat tussen A en B de twee koopovereenkomsten tot stand zijn gekomen. De stelling van B, dat hij tegenover A heeft verklaard dat het schilderij afkomstig was van een niet nader te noemen volmachtgever (familie) die hem de verkoop gunde of dat hij het schilderij voor deze familie te koop mocht aanbieden, kan hem, ook indien juist, niet baten nu artikel 3:67 lid 2 BW het niet tijdig noemen van de naam van de volmachtgever sanctioneert in die zin dat de contracterende persoon (B) geacht wordt de overeenkomst voor zichzelf te hebben aangegaan. Dat partijen in afwijking hiervan anders zijn overeengekomen is met de (blote) stelling van B dat A ermee akkoord ging dat de naam van de familie niet werd genoemd naar het oordeel van de rechtbank niet komen vast te staan. Dat impliceert immers dat A akkoord zou zijn gegaan met het sluiten van een overeenkomst met een voor hem onbekende contractspartij. Daarvan is geen sprake nu A onbetwist heeft gesteld dat hij er vanuit is gegaan dat hij met B de overeenkomsten sloot en dat hij daar, gelet op de gedragingen en verklaringen over en weer, ook vanuit mocht gaan.

Bedrog

4.7. Primair heeft A aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat sprake is van bedrog en dat op die grond de overeenkomsten vernietigd moeten worden. De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op bedrog (artikel 3:44 lid 3 BW) moet komen vast te staan dat B opzettelijk, derhalve willens en wetens, onjuiste mededelingen heeft gedaan dan wel feiten heeft verzwegen die hij verplicht was mede te delen of een andere kunstgreep heeft gebruikt, teneinde A te bewegen tot het aangaan van de koopovereenkomst. Naar het oordeel van de rechtbank heeft A (mede gelet op de betwisting van B) geen, althans onvoldoende, feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit een dergelijk opzettelijk misleidend gedrag door B kan worden afgeleid. De rechtbank zal het beroep op bedrog om die reden passeren.

Dwaling

4.8. Vervolgens moet worden beoordeeld of A zich met recht kan beroepen op dwaling (artikel 6:228 lid 1 aanhef onder b en c BW). Een overeenkomst die tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet of niet op dezelfde voorwaarden zou zijn gesloten, is wegens dwaling vernietigbaar, indien, voor zover hier van belang, de wederpartij in verband met hetgeen zij omtrent de dwaling wist of behoorde te weten, de dwalende had behoren in te lichten of indien beide partijen bij het sluiten van de overeenkomst van dezelfde onjuiste voorstelling zijn uitgegaan.

4.9. De eerste vraag die moet worden beantwoord is of A, ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomsten, een onjuiste voorstelling van zaken had ten aanzien van de authenticiteit van de schilderijen. Naar het oordeel van de rechtbank is dit het geval. A was ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomsten immers niet op de hoogte van het feit dat er twijfels waren omtrent de authenticiteit van de werken, die hem door B als zijnde van de hand van Van Rees en Benner te koop waren aangeboden. Zo wist A niet dat Sotheby’s de Benner eerder niet wilde veilen, omdat de zoon van Benner had geconcludeerd dat de Benner vals was. A was voorts niet op de hoogte van het feit dat de Van Rees Stichting, evenals D, van mening was dat de Van Rees niet authentiek was en dat G de Van Rees, nadat dit schilderij in 2003 was geveild, op verzoek van Sotheby’s weer heeft teruggenomen. Bovendien verkeerde A ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst in de onjuiste veronderstelling dat de schilderijen verhandelbaar waren, hetgeen, zoals A onbetwist heeft gesteld, bij twijfels rondom de authenticiteit niet het geval is. Dit blijkt ook uit het feit dat Sotheby’s niet langer bereid is de werken te veilen.

4.10. De volgende vraag die moet worden beantwoord is of A bij een juiste voorstelling van zaken de koopovereenkomsten niet zou hebben gesloten dan wel dat hij niet op dezelfde voorwaarde(n) de overeenkomsten zou zijn aangegaan. Uit het feit dat A de Benner voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst heeft laten onderzoeken door D en eerst na diens positief advies besloten heeft de Benner te kopen, blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de authenticiteit van het schilderij voor A van belang was. Ook wat de Van Rees betreft heeft A de informatie van B over het schilderij gecontroleerd bij Sotheby’s. De stelling van B dat hieruit zou moeten worden afgeleid dat A ten tijde van de aankopen reeds twijfels had over de authenticiteit verwerpt de rechtbank, nu dit er juist op wijst dat A bedachtzaam te werk is gegaan en onderzoek heeft gedaan om een onjuiste voorstelling van zaken te voorkomen. De rechtbank neemt verder in aanmerking de omstandigheid dat de schilderijen onverhandelbaar zijn dan wel minder verhandelbaar indien er twijfels over de authenticiteit bestaan en dat dit logischerwijs een negatief effect heeft op de waarde van de schilderijen. Uit het feit dat A de werken ter veiling heeft aangeboden nadat hij B over een verschuiving in het perspectief van de Benner had geïnformeerd, kan – anders dan B suggereert – niet worden afgeleid dat A, wetende van de twijfels over de authenticiteit, de werken (voor dezelfde prijs) had gekocht. Bovendien heeft A onweersproken gesteld dat hij pas enkele maanden daarna (van Sotheby’s) had vernomen dat er twijfels waren over de authenticiteit van de werken. Voorgaande feiten en omstandigheden rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank de conclusie dat A de schilderijen niet, althans niet voor de overeengekomen prijs, zou hebben gekocht als hij weet had van de authenticiteitsproblemen. Gelet hierop hoeft A, anders dan B heeft betoogd, niet te bewijzen dat de schilderijen vals waren.

4.11. Voorwaarde voor een geslaagd beroep op dwaling is voorts (zoals A primair heeft gesteld) dat de dwaling is te wijten aan het zwijgen van de wederpartij. De rechtbank overweegt dat voor een schending van de mededelingsplicht allereerst van belang is dat vast komt te staan dat B ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomsten bekend was met de twijfels over de authenticiteit van de werken. B heeft zijn wetenschap van deze twijfels betwist. Hij heeft daartoe aangevoerd dat F hem had gevraagd de werken namens hem te verkopen. B stelt dat hij enkel contact heeft gehad met F en betwist derhalve dat hij met

G en Blijham-Van Brakel heeft gesproken en door hen is geïnformeerd over de authenticiteitsproblemen.

4.11.1. De rechtbank is van oordeel dat de vraag of B weet had van de twijfels omtrent de authenticiteit van de werken bevestigend moet worden beantwoord en overweegt daartoe als volgt. Uit de schriftelijke verklaring van F blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat hij, anders dan B stelt, geen volmacht aan B heeft verleend (zie 2.16.). Volgens F heeft B contact opgenomen met zijn zoon en dochter en de schilderijen van hen gekocht. F heeft voorts verklaard dat hij slechts het ophalen van de werken heeft gefaciliteerd en enkel de koopsommen in ontvangst heeft genomen. Dit wordt zowel door de getuigenverklaring van G als die van Blijham-van Brakel bevestigd. Zij hebben bovendien expliciet verklaard dat zij de schilderijen onder mededeling van de authenticiteitsproblemen aan B hebben verkocht. Daarbij komt dat, nog los van de vraag welk bedrag B exact voor de schilderijen heeft betaald, duidelijk is dat B de schilderijen heeft gekocht voor bedragen die aanzienlijk lager waren dan de marktconforme prijs voor een Benner en Van Rees, in elk geval een/derde van het bedrag waarvoor hij ze zelf heeft (door)verkocht. De rechtbank verwerpt de stelling van B dat hij geen enkel besef had van de waarde van een schilderij van Benner of Van Rees nu B de schilderijen kocht om te verhandelen en immers wel bereid was daarvoor duizenden euro’s te betalen.

4.11.2. De enkele omstandigheid dat B heeft geadviseerd de Benner door een deskundige te laten beoordelen, maakt het voorgaande niet anders. Weliswaar heeft B hiermee het risico genomen dat deze deskundige zou twijfelen over de authenticiteit, maar dat betekent nog niet dat B niet van de twijfels op de hoogte was. Dit geldt ook voor het argument dat een bevriende kunstkenner (de heer De Grootte) B nimmer op oneerlijkheid heeft kunnen betrappen en dat B een bevriende familie (Pouw) de werken eerder te koop heeft aangeboden en hun heeft geadviseerd een expert te raadplegen. De stelling van B dat hij nooit met D als deskundige had ingestemd indien hij op de hoogte was van de valsheid omdat D de Van Rees in het verleden heeft afgekeurd gaat niet op, nu gesteld noch gebleken is dat B ten tijde van de verkoop van de Benner al weet had van de twijfels die D had aangaande de Van Rees. B heeft de Van Rees immers na de Benner aangekocht en (door)verkocht aan A.

4.11.3. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van B dat uit de door hem overgelegde telefoongegevens blijkt dat hij geen contact heeft opgenomen met G en Blijham-van Brakel. Nu de rechtbank niet bekend is met de telefoonnummers van J.H. Brakel en Blijham-van Brakel kan dit geenszins uit de overgelegde gegevens worden afgeleid. Bovendien kan het contact via een andere telefoonlijn zijn gelegd. Dat de verklaring van F niet onder ede is afgelegd, maakt voorgaande eveneens niet anders nu deze verklaring voldoende wordt ondersteund door de getuigenverklaringen van G en Blijham-van Brakel. De rechtbank overweegt voorts dat, anders dan B stelt, G en Blijham-van Brakel niet als partijgetuige in de zin van artikel 164 Rv kunnen worden aangemerkt. Aan hun (in voorlopig getuigenverhoor afgelegde) verklaringen komt, nu zij geen partij zijn in deze procedure en gelet op artikel 192 lid 1 Rv, volledige bewijskracht toe. Nu B geen conclusies heeft verbonden aan zijn stelling dat de handtekening onder de verklaring van W.L van Brakel afwijkt van de handtekening van F onder een andere brief en ter comparitie de originele verklaring is overgelegd, zal de rechtbank ook aan deze stelling voorbijgaan. Dat G het exacte tijdstip waarop het telefonisch contact met B heeft plaatsgevonden na afloop van het getuigenverhoor niet schriftelijk heeft medegedeeld aan de advocaat van A (zie 2.15.) maakt het voorgaande ook niet anders.

4.12. De rechtbank is van oordeel dat op B als verkoper van de schilderijen de verplichting rustte A correct en volledig te infomeren. Daaronder valt ook het informeren van A over de authenticiteitsproblemen, nu B kon en moest begrijpen dat deze informatie van doorslaggevend belang was voor A. Van een situatie, zoals B stelt, waarin geen spreekplicht geldt (het geval waarin een gelijk product om de hoek goedkoper te koop wordt aangeboden) is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Niet in geschil is immers dat de twijfels over de authenticiteit de waarde en verhandelbaarheid van de schilderijen negatief beïnvloedt. Reeds hierom kan de rechtbank B niet volgen in zijn stelling dat ongefundeerde berichten, nog los van de vraag of hiervan sprake is, niet onder de mededelingsplicht vallen. Dat G van mening is dat het werk wel van de hand van Benner is en dat volgens B de werken wel authentiek zijn, maakt geenzins dat B niet over de hem bekende twijfels behoorde te spreken.

4.13. De rechtbank volgt B ten slotte niet in zijn stelling dat in koopovereenkomsten als deze (kunstkoop) de kans is verdisconteerd dat het werk niet authentiek is en dat de dwaling derhalve op grond van lid 2 van artikel 6:228 BW voor rekening van A dient te blijven. De rechtbank overweegt dat de vraag of een overeenkomst als een kansovereenkomst moet worden aangemerkt door uitleg moet worden bepaald, waarbij het aankomt op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs in de gegeven omstandigheden aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Naar het oordeel van de rechtbank is in het onderhavige geval van een kansovereenkomst geen sprake, nu B de werken te koop heeft aangeboden als zijnde van de hand van Benner en Van Rees. Verder is gesteld noch gebleken dat A – die voor de beide schilderijen een gangbare prijs heeft betaald – bij B het (gerechtvaardigd) vertrouwen heeft gewekt dat hij de overeenkomst beschouwde als een kansovereenkomst. Ook de omstandigheid dat B – ook nadat A hem op de hoogte bracht van zijn twijfels over de echtheid van de schilderijen – steeds is blijven volhouden dat het schilderijen van Benner en Van Rees waren wijst erop dat partijen de overeenkomst niet als een kansovereenkomst hebben opgevat. Gelet op het voorgaande kan en behoort de dwaling dan ook niet voor rekening van A te blijven.

4.14. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep op vernietiging van de kopovereenkomsten wegens dwaling slaagt en dat de stellingen van A betreffende de non-conformiteit daarom onbesproken kunnen blijven. Nu A per brief van 20 december 2007 de koopovereenkomsten wegens dwaling heeft vernietigd, zal de rechtbank voor recht verklaren dat A hiertoe gerechtigd was. De vernietiging, die op grond van artikel 3:53 lid 1 BW terugwerkende kracht heeft, leidt ertoe dat de vordering tot terugbetaling van de koopsommen toewijsbaar is omdat A de koopsommen onverschuldigd heeft betaald. Met betrekking tot de vordering van A om B te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over de terug te betalen koopsommen overweegt de rechtbank dat een verbintenis uit onverschuldigde betaling ontstaat op het moment waarop de onverschuldigde betaling is verricht. De wettelijke rente is evenwel verschuldigd is over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest. Nu A niet heeft gesteld dat B te kwader trouw was bij het in ontvangst nemen van de kooppenningen is voor verzuim een ingebrekestelling op de voet van artikel 6:81 e.v. BW vereist. Gezien de brief van 20 december 2007 die mr. Rotshuizen namens A aan B heeft gestuurd, waarbij B is verzocht op uiterlijk 4 januari 2008 de koopsommen terug te betalen, is B op 5 januari 2008 in verzuim geraakt en is vanaf dat moment de wettelijke rente verschuldigd.

4.15. B zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van A worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van A worden vastgesteld op:

- dagvaarding EUR 87,93

- vast recht 530,00

- getuigenkosten 184,10

- salaris advocaat 3.184,50 (5,5 punten × tarief EUR 579,00)

Totaal EUR 3.986,53.

5. De beslissing

De rechtbank,

5.1. wijst de vorderingen jegens C af;

5.2. veroordeelt A om aan C te betalen een bedrag van EUR 1.423,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na de datum van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening hiervan;

5.3. veroordeelt A, indien hij niet binnen veertien dagen na aanschrijving tot vrijwillige voldoening aan de veroordeling onder 5.2. voldoet, tot betaling van EUR 131,00 aan nakosten, verhoogd met EUR 68,00 in het geval betekening van dit vonnis plaatsvindt;

5.4. verklaart voor recht dat de koopovereenkomst van 30 juni 2007 (aangaande de Benner) en de koopovereenkomst van 10 juli 2007 (aangaande de Van Rees) terecht door A zijn vernietigd wegens dwaling;

5.5. veroordeelt B om aan A te betalen een bedrag van EUR 24.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag vanaf 5 januari 2008 tot de dag van volledige betaling;

5.6. veroordeelt B in de proceskosten, aan de zijde van A tot op heden vastgesteld op EUR 3.986,53;

5.7. verklaart dit vonnis voor wat betreft de onder 5.2., 5.3., 5.5. en 5.6. genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad;

5.8. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th.G. Lautenbach en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2011.