Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2011:BP3267

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
20-01-2011
Datum publicatie
07-02-2011
Zaaknummer
AWB 09/878
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

weigering verlenen bouwvergunning en vrijstelling voor schiphuis - geen recht om gebruik te maken van de vaart naar het schiphuis - privaatrechtelijke belemmering met evident karakter? - uitspraken civiele rechter - belangenafweging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

procedurenummer: AWB 09/878

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 januari 2011 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats],

eiser (hierna: [eiser]),

gemachtigde: mr. I. Grijpma, advocaat te Leeuwarden,

en

1. het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wymbritseradiel, (hierna: het college),

en

2. de raad van de gemeente Wymbritseradiel (hierna: de raad),

tezamen te noemen: verweerders,

gemachtigde: R.T. Bouma, werkzaam bij de gemeente Wymbritseradiel.

Procesverloop

Bij brief van 19 maart 2009 heeft het college [eiser] mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende de toepassing van de Woningwet en de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). Tegen dit besluit heeft [eiser] beroep ingesteld.

De rechtbank heeft [X] (hierna: [X]) in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. [X] heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt en door hem is een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 29 november 2010. [eiser] en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Namens het college en de raad is voornoemde gemachtigde verschenen. [X] is in persoon verschenen.

Motivering

Feiten

1.1 [eiser] is eigenaar van [het perceel]. Het perceel is over het water te bereiken via een opvaart, welke in verbinding staat met het Koevordermeer (hierna: de opvaart). Op het perceel staan onder meer een recreatiewoning en een schuur (hierna: de schuur).

1.2 [X] is eigenaar van [het naastgelegen perceel]. Op dit perceel staat eveneens een recreatiewoning. [X] is tevens eigenaar van het perceel, [perceel Y], waarop zich de opvaart bevindt.

1.3 Bij besluit van 24 september 2007 heeft het college [eiser] bouwvergunning en vrijstelling krachtens artikel 19, derde lid, van de WRO verleend voor het verbouwen van de schuur tot schiphuis.

1.4 Bij besluit van 19 maart 2009 heeft het college het bezwaar van [X] tegen het besluit van 24 september 2007 gegrond verklaard en het besluit van 24 september 2007 herroepen (hierna: besluit A).

1.5 Bij besluit van 31 maart 2009 heeft de raad geweigerd [eiser] krachtens artikel 19, eerste lid, van de WRO vrijstelling te verlenen voor het verbouwen van de schuur tot schiphuis (hierna: besluit B).

1.6 Bij besluit van 21 januari 2010 heeft het college geweigerd [eiser] bouwvergunning te verlenen voor het verbouwen van de schuur tot schiphuis (hierna: besluit C).

Geschil

2.1 [eiser] stelt zich op het standpunt dat het college het besluit van 24 september 2007 ten onrechte heeft herroepen. Volgens [eiser] heeft het college ten onrechte belang gehecht aan de stelling van [X] dat hij geen gebruik kan maken van de opvaart, omdat deze eigendom is van [X]. Daartoe voert [eiser] aan dat bij het verlenen van vrijstelling enkel civielrechtelijke belemmeringen met een evident en blijvend karakter een rol kunnen spelen. Daarvan is in dit geval geen sprake. Volgens [eiser] mag hij gebruik maken van de opvaart, omdat deze dient te worden aangemerkt als openbaar vaarwater.

2.2 Verweerders handhaven de bestreden besluiten. Verweerders stellen zich op het standpunt dat sprake is van een privaatrechtelijke belemmering met een evident karakter. Volgens verweerders heeft [eiser] in onvoldoende mate aannemelijk gemaakt dat hij gebruik mag maken van de opvaart. Tevens wijzen verweerders op een aantal civielrechtelijke uitspraken, waarin de vorderingen van [eiser] om vast te stellen dat hij een recht heeft op gebruik van de opvaart en om [X] te verbieden hem de toegang tot de opvaart te ontzeggen, zijn afgewezen. Door deze privaatrechtelijke belemmering zal [eiser] het door hem gewenste schiphuis niet kunnen gebruiken, zodat het verlenen van vrijstelling niet noodzakelijk en ook niet gerechtvaardigd is. Nu de strijd met het bestemmingsplan niet door middel van een vrijstelling is opgeheven, is de bouwvergunning terecht geweigerd.

Beoordeling van het geschil

3.1 De rechtbank stelt vast dat de besluiten A, B en C tezamen de beslissing op het bezwaar van [X] tegen het besluit van 24 september 2007 vormen. Het beroep van [eiser] moet daarom worden geacht te zijn gericht tegen alle drie deze besluiten.

3.2 In artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet is - voor zover in deze zaak van belang -bepaald dat de reguliere bouwvergunning alleen mag en moet worden geweigerd wegens strijd met het bestemmingsplan.

3.3 Nu de onderhavige bouwaanvraag is ingediend op 23 november 2006 en dus voor de inwerkingtreding van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro) op 1 juli 2008, is ingevolge artikel 9.1.10 van de Invoeringswet Wro op de onderhavige bouwaanvraag het recht van toepassing zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Wro. Dit betekent dat artikel 19, eerste lid, van de WRO van toepassing is.

3.4 Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO kan de gemeenteraad, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben

3.5 Vast staat dat het bouwplan in strijd is met de in het bestemmingsplan "verspreide bebouwing in het buitengebied" met betrekking tot de ter plaatse geldende bestemming "woondoeleinden" gestelde voorschriften. Voorts staat vast dat het bouwplan door de omvang daarvan niet kan worden gerealiseerd door middel van een vrijstelling krachtens artikel 19, derde lid, van de WRO. Dit betekent dat het college het besluit van 24 september 2007 terecht heeft herroepen.

3.6 Het college kon enkel medewerking verlenen aan het bouwplan, nadat de raad daarvoor vrijstelling had verleend krachtens artikel 19, eerste lid, van de WRO. De raad heeft echter geweigerd deze vrijstelling te verlenen. De raad heeft deze weigering gebaseerd op de overweging dat [eiser] het te bouwen schiphuis niet per boot zal kunnen bereiken omdat hij geen gebruik kan maken van de opvaart. Daardoor zal het schiphuis niet gebruikt kunnen worden voor het doel waarvoor het wordt opgericht.

3.7 De raad heeft deze conclusie gebaseerd op de volgende civielrechtelijke uitspraken. Bij vonnis in kort geding van 18 juni 2008 (zaaknummer 89277 / KG ZA 08-141) heeft deze rechtbank, sector civiel recht, de vordering van [eiser] om [X] te verbieden hem en [Z] de toegang tot en het gebruik van de opvaart te ontzeggen, afgewezen.

Bij arrest van 23 september 2008 (zaaknummer 200.010.089/01) heeft het gerechtshof Leeuwarden het vonnis van de rechtbank van 18 juni 2008 in hoger beroep bekrachtigd.

3.8 De rechtbank is van oordeel dat de raad zich op grond van deze civielrechtelijke uitspraken terecht op het standpunt heeft gesteld dat [eiser] geen gebruik mag maken van de opvaart en dat hij het te bouwen schiphuis daardoor niet per boot kan bereiken. Hieraan doet niet af dat het vonnis van 18 juni 2008 is gewezen in kort geding. Bovendien worden deze vonnissen bevestigd door een vonnis van 29 september 2010 (gepubliceerd op rechtspraak.nl onder LJN BN9628). Bij dit vonnis heeft deze rechtbank, sector civiel recht, de vorderingen van [eiser] (1. primair) voor recht te verklaren dat de opvaart openbaar vaarwater is, (1. subsidiair) voor recht te verklaren dat door verjaring een erfdienstbaarheid recht van gebruik van de opvaart is ontstaan ten behoeve van [eiser] en ten laste van het perceel water van [X] en (2.) [X] te verbieden [eiser] de toegang tot en het gebruik van de opvaart te ontzeggen, afgewezen. Dat dit vonnis nog geen formele rechtskracht heeft, doet er niet aan af dat [eiser], zolang dit vonnis niet is vernietigd, geen gebruik mag maken van de opvaart. De rechtbank verwijst in dit kader bijvoorbeeld naar uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 maart 2009 (gepubliceerd op rechtspraak.nl onder LJN BH5485) en 26 augustus 2009 (gepubliceerd op rechtspraak.nl onder LJN BJ6035).

3.9 De rechtbank is van oordeel dat de raad in redelijkheid heeft kunnen weigeren [eiser] vrijstelling te verlenen voor het verbouwen van de schuur tot schiphuis. De omstandigheid dat [eiser] het te bouwen schiphuis niet per boot kan bereiken, staat er weliswaar niet aan in de weg dat op het perceel een schiphuis wordt opgericht, maar deze omstandigheid staat er wel aan in de weg dat het schiphuis wordt gebruikt voor het doel waarvoor het wordt opgericht. De rechtbank acht het standpunt van de raad dat het niet wenselijk is vrijstelling te verlenen voor de bouw van een schiphuis dat niet als zodanig kan worden gebruikt, niet onredelijk.

3.10 Gelet op het feit dat de strijd met het bestemmingsplan niet door middel van een vrijstelling is opgeheven, heeft het college terecht geweigerd [eiser] bouwvergunning te verlenen voor het verbouwen van de schuur tot schiphuis.

3.11 Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat het beroep ongegrond is.

Proceskosten

4. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in tegenwoordigheid van mr. F.F. van Emst als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2011.

w.g. P.G. Wijtsma

w.g. F.F. van Emst

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:13 gelezen in samenhang met artikel 6:24 van de Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.