Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2011:BP2426

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
20-01-2011
Datum publicatie
31-01-2011
Zaaknummer
17/880238-10 VEV
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Invoer hasjiesj, zeilboten, grondgebied, medeplegen.

Wetsverwijzingen
Opiumwet 11
Opiumwet 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector straf

parketnummer 17/880238-10 VEV

verkort vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 20 januari 2011 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres]

De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 12 november 2010, 15 november 2010 en 6 januari 2011.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P.P.C.M. Waarts, advocaat te Amsterdam.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode omvattende het jaar 2010 (tot en met 19 mei

2010), althans in de periode omvattende de dagen 1 mei 2010 tot en met 19 mei

2010, in elk geval op of omstreeks (respectievelijk) 15 mei 2010 en/of op 19

mei 2010, op het/de vaarwater(en), de (Zuider) Stortemelk en/of de Vliestroom

(op de Waddenzee), en/of voor de kust van Noord Holland, ter hoogte van

Camperduin en/of Groet en/of Schoorl, althans in of bij de gemeente Schoorl,

in elk geval in (de territoriale wateren van) Nederland,

te weten aan boord van een of meerdere vaartuig(en)/schip/schepen (te weten

(respectievelijk) genaamd "[naam]" en/of "[naam]") en/of buiten

(de territoriale wateren van) Nederland (boven Vlieland en/of Terschelling

en/of de (kust)wateren voor Noord-Holland),

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of heeft afgeleverd

en/of verstrekt en/of vervoerd en/of aanwezig heeft gehad, (een) grote

hoeveelhe(i)d(en) van (respectievelijk (ongeveer) 3030 kilogram en/of 3214

kilogram van) een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige

elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn

toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a

van die wet,

immers heeft/is verdachte tezamen en in vereniging met zijn mededader(s)

opzettelijk met een vaartuig/schip (genaamd "[naam]") die/een (grote)

hoeveelheid pakketten hasjiesj opgehaald (ter hoogte van Marokko) en/of

(vervolgens) met dat/het/een vaartuig/schip (genaamd "[naam]")

(door)gevaren naar de Noordzee, althans een vaarwater in de buurt van

Nederland, en (vervolgens) (aldaar) een vaartuig/schip ("[naam]")

ontmoet voor het overladen van een deel van die hasjiesj (te weten (ongeveer)

3030 kilogram) op dat vaartuig/schip (die "[naam]") en/of

(vervolgens) dat deel van die hasjiesj overgeladen op dat vaartuig/schip (die

"[naam]") waarna verdachte en/of verdachtes mededader(s) met

- dat vaartuig/schip (genaamd "[naam]") is/zijn (door)gevaren in de

richting van/naar het/de vaarwater(en), de (Zuider) Stortemelk en/of de

Vliestroom (op de Waddenzee) en/of

- dat vaartuig/schip (genaamd "[naam]") met (het overige deel van) die

hasjiesj (te weten (ongeveer) 3214 kilogram) is/zijn (door)gevaren in de

richting van/naar het/de vaarwater(en) voor de kust van Noord Holland, ter

hoogte van Camperduin en/of Groet en/of Schoorl, althans in of bij de

gemeente Schoorl,

en/of heeft verdachte tezamen en in vereniging met zijn mededader(s) zodoende

(telkens) die hasjiesj binnen het grondgebied van Nederland gebracht en/of

afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of aanwezig gehad;

(artikel 3 onder A en/of B en/of C ivm artikel 11 lid 2 en/of 3 en/of 4 en/of

5 van de Opiumwet)

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsman heeft -zakelijk weergegeven- ter terechtzitting van 6 januari 2011 het verweer gevoerd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk moet worden verklaard:

a. Omdat het openbaar ministerie in aanvang cruciale informatie achtergehouden heeft. Het heeft er alle schijn van dat de officier van justitie de diefstal van die partij hasjiesj heeft proberen "weg te moffelen" door het niet in het dossier op te nemen en er tijdens requisitoir of daarvoor op enig moment aan te refereren. Het zowel de verdediging als de rechtbank op een dusdanige manier informeren dan wel in zijn geheel niet informeren kan wat de verdediging betreft niet anders worden gekenschetst dan dat de officier van justitie een ernstige inbreuk heeft gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust en met grote veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan.

b. Omdat het openbaar ministerie - na aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting, met opdracht aan de officier van justitie om alle relevante stukken in het dossier te voegen - niet alle relevante stukken in het dossier heeft gevoegd. Dat er nu alsnog, op bevel van de rechtbank, enige stukken zijn toegevoegd maakt de schending derhalve niet minder erg.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het verweer het volgende.

Uit het dossier, zoals dat in aanvang was samengesteld, blijkt het volgende.

Op 19 mei 2010 was bij de Kustwacht informatie binnengekomen dat er ter hoogte van Camperduin, Noord-Holland een zeiljacht voor anker lag. Dit zeiljacht lag ongeveer 100 meter uit de kust. Op 19 mei 2010 omstreeks ongeveer 22.50 uur is het zeiljacht, dat verlaten was, betreden. Het zeiljacht is vervolgens door middel van een sleepverbinding overgebracht naar de haven van IJmuiden.

Op 20 mei 2010 is onder leiding van de rechter-commissaris op het zeiljacht een doorzoeking gestart. Tijdens deze doorzoeking zijn 195 pakketten aangetroffen en in beslag genomen.

Aan de hand van opgedane kennis en ervaring stelde forensisch technisch rechercheur [naam] aan de hand van geur, kleur en verschijningsvorm, vast dat de stof in één van de inbeslaggenomen pakketten hasjiesj betrof. Op 21 mei 2010 zijn de pakketten wederom geteld. Het betrof nog steeds 195 pakketten. Na weging bleek dat het totaalgewicht van de pakketten 3.214 kg bedroeg. Na deze inventarisatie, markering en weging zijn de pakketten op rolrekken geplaatst en in een waardetransportwagen geladen. De wagen is vervolgens onder begeleiding overgebracht naar de districtsgarage van de Koninklijke Marechaussee op Schiphol. Aldaar is de laadruimte van de waardetransportwagen verzegeld met uniek genummerde zegels.

Op 26 mei 2010 is er nader onderzoek verricht aan de inbeslaggenomen pakketten, met als doel monsterneming en vaststelling verpakkingswijze. Daarbij is voorafgaande aan dit onderzoek door de verbalisant geconstateerd dat de uniek genummerde zegels nog intact en onverbroken waren. Een voor een zijn daarop de rolrekken uit de waardetransportwagen gehaald. Verbalisant heeft vervolgens een aantal willekeurig gekozen pakketten geopend, teneinde de verpakkingswijze vast te stellen en de partij te bemonsteren. Nadat verbalisant deze onderzoeken had afgerond is de partij wederom in de laadruimte geladen en afgesloten en verzegeld met een tweetal zegels. De op 26 mei 2010 veiliggestelde monsters zijn vervolgens onderzocht door het NFI.

Nadien is gebleken dat een deel van de inbeslaggenomen pakketten op 7 juni 2010 is ontvreemd uit de districtsgarage. Op 7 juni 2010 is dit deel - nagenoeg direct na het wegnemen - wederom inbeslaggenomen. Naast een deel van de eerder inbeslaggenomen pakketten van de [naam], werd er bij de hernieuwde inbeslagname van deze pakketten ook een grote hoeveelheid neppakketten aangetroffen.

Uit het dossier, zoals dat in aanvang was samengesteld, kon derhalve worden opgemaakt dat een deel van de op de [naam] inbeslaggenomen pakketten was weggenomen en dat dit had plaatsgevonden, nadat op 26 mei 2010 de bemonstering aan de partij inbeslaggenomen pakketten voor het NFI-onderzoek had plaatsgevonden. Ook bevond zich in het dossier informatie waaruit bleek dat er in verband met deze wegneming een strafrechtelijk onderzoek liep tegen een medewerker van de Koninklijke Marechaussee. Voorts bleek uit deze stukken dat er bij de hernieuwde inbeslagname van de weggenomen pakketten, neppakketten waren aangetroffen.

Het openbaar ministerie heeft aldus reeds in het dossier zoals dat in aanvang was samengesteld, melding gemaakt van dit incident. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een situatie waarin het openbaar ministerie cruciale informatie heeft achtergehouden. Hoogstens kan worden gesteld dat de in het dossier in aanvang verstrekte informatie betreffende de gang van zaken met betrekking tot de diefstal summier was en dat de informatie betreffende de gang van zaken en de herkomst van de neppakketten zeer summier was.

Bij vonnis van 29 november 2010 heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter terechtzitting onvolledig is geweest en heeft de rechtbank de heropening van het onderzoek ter terechtzitting gelast. De rechtbank heeft bij die uitspraak bepaald dat het openbaar ministerie alle relevante stukken betreffende de gang van zaken over de wegneming van een deel van de pakketten hasjiesj en de gang van zaken betreffende en de herkomst van de nadien eveneens aangetroffen neppakketten aan het dossier diende toe te voegen.

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de door het openbaar ministerie

overgelegde stukken voldoende relevant zijn. Aan de hand van deze aanvullende stukken kan - in samenhang met de reeds in aanvang beschikbare stukken - voldoende inzicht worden verkregen omtrent de gang van zaken met betrekking tot de wegneming en hernieuwde inbeslagneming van een deel van de pakketten hasjiesj en de gang van zaken omtrent en de herkomst van de nadien eveneens aangetroffen neppakketten.

De rechtbank is van oordeel dat in redelijkheid kan worden uitgesloten dat de later aangetroffen neppakketten onderdeel uitmaakten van de lading pakketten die op 20 mei 2010 in beslag is genomen aan boord van de "[naam]". De processen-verbaal van verbalisant [naam] en de verklaringen van de twee verdachten in het onderzoek "[naam]", bieden daarvoor voldoende ondersteuning.

De op de "[naam]" aangetroffen en inbeslaggenomen pakketten zijn op 26 mei 2010 bemonsterd. Een en ander is volgens de geldende regels geschied, althans dit is niet dan wel onvoldoende door de verdediging weersproken. Pas na de bemonstering is een aantal van de pakketten weggenomen. Deze wegneming doet derhalve niet meer ter zake voor wat betreft het ten laste gelegde feit. De inbeslaggenomen pakketten waren immers reeds op 26 mei 2010 geteld, genummerd, gewogen en bemonsterd. Voorts is voldoende aannemelijk geworden dat de bij de hernieuwde inbeslagname van 7 juni 2010 ontdekte neppakketten zijn gemaakt door de verdachten in het onderzoek "[naam]" en dat deze neppakketten eerst begin juni 2010, bij de diefstal van een deel van de op de "[naam]" inbeslaggenomen pakketten, door de verdachten in het onderzoek "[naam]" zijn gebruikt en deels bij de originele pakketten zijn neergelegd.

Naar het oordeel van de rechtbank kan er slechts sprake zijn van een niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging als met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde of doelbewust dan wel met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte diens recht op een eerlijke behandeling van de zaak te kort hebben gedaan.

Het is de rechtbank, gelet op het bovenstaande, niet gebleken dat aan de voorwaarden van een niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie is voldaan.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande dan ook van oordeel dat geen sprake is van een onherstelbaar vormverzuim als door de raadsman is bepleit, zodat het verweer wordt verworpen en het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 12 november 2010 gevorderd:

- veroordeling voor het ten laste gelegde;

- oplegging van 20 maanden gevangenisstraf waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en een geldboete van € 7.500,-- subsidiair 72 dagen hechtenis.

Beoordeling van het bewijs:

De raadsman heeft subsidiair -zakelijk weergegeven- bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van de invoer van de partij hasjiesj die op de "[naam]" in beslag is genomen, nu uit de stukken onvoldoende kan worden opgemaakt welke partij wanneer en door wie is gestolen.

De rechtbank is van oordeel dat, nu zij hiervoor onder "ontvankelijkheid van het openbaar ministerie" uitgebreid het oordeel omtrent de gang van zaken met betrekking tot de invoer van 3214 kilogram hasjiesj van de "[naam]" heeft weergegeven, nadere bespreking van de door de raadsman bepleite vrijspraak achterwege kan blijven. Gelet op hetgeen de rechtbank aldaar heeft gerelateerd, komt zij ook tot een bewezenverklaring ten aanzien van de op de "[naam]" aangetroffen partij hasjiesj.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

hij in de periode omvattende het jaar 2010 tot en met 19 mei 2010, op de vaarwateren, het Stortemelk en de Vliestroom, op de Waddenzee en voor de kust van Noord Holland, ter hoogte van Camperduin, gemeente Bergen, aan boord van meerdere schepen, te weten respectievelijk genaamd "[naam]" en "[naam]" en buiten de territoriale wateren van Nederland, boven Vlieland en Terschelling en de kustwateren voor Noord-Holland,

tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en vervoerd en aanwezig heeft gehad, grote hoeveelheden van respectievelijk 3030 kilogram en 3214 kilogram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

immers

heeft verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededaders, opzettelijk met een schip, genaamd "[naam]", een grote hoeveelheid pakketten hasjiesj opgehaald ter hoogte van Marokko

en

is vervolgens met dat schip doorgevaren naar de Noordzee, en vervolgens aldaar een schip, genaamd "[naam]", ontmoet voor het overladen van een deel van die hasjiesj, te weten 3030 kilogram en vervolgens dat deel van die hasjiesj overgeladen op dat schip, genaamd "[naam]",

waarna verdachte en verdachtes mededaders met

- dat schip, genaamd "[naam]", zijn doorgevaren in de richting van de vaarwateren, het Stortemelk en de Vliestroom, op de Waddenzee

en

- dat schip, genaamd "[naam]", met het overige deel van die hasjiesj, te weten ongeveer 3214 kilogram, is doorgevaren in de richting van het vaarwater voor de kust van Noord Holland, ter hoogte van Camperduin, gemeente Bergen

en

heeft verdachte tezamen en in vereniging met zijn mededaders zodoende telkens die hasjiesj binnen het grondgebied van Nederland gebracht en vervoerd en aanwezig gehad.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

Eendaadse samenloop van het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met de in artikel 3, onder A, B en C, van de Opiumwet gegeven verboden.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking:

- de aard en de ernst van het gepleegde feit;

- de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komt uit het uittreksel uit het algemeen documentatieregister en het voorlichtingsrapport;

- de vordering van de officier van justitie;

- het pleidooi van de raadsman.

Verdachte heeft samen met anderen een grote hoeveelheid van ongeveer 6.000 kilo hasjiesj met een groot zeiljacht van Marokko naar Nederland gesmokkeld. Vanaf de eerste voorbereidingen is verdachte bij de smokkel betrokken geweest. Het zeiljacht, de [naam], is voorafgaand aan de reis op naam van verdachte gesteld, door hem verzekerd en gedurende de weken vóór vertrek heeft hij diverse werkzaamheden aan het schip uitgevoerd. Verdachte heeft hiermee een essentiële rol bij de drugssmokkel gespeeld. Aan hem werd verder, ook als wordt uitgegaan van zijn eigen verklaring, een aanzienlijke beloning in het vooruitzicht gesteld. Daarbij komt dat hij enkele weken voordat de zeereis en de smokkel begon bij de voorbereiding hiervan betrokken was. Verdachte heeft derhalve ruimschoots de gelegenheid gehad zich te bedenken en te distantiëren, hetgeen hij heeft nagelaten. Aan de verklaring van verdachte dat hij zich pas realiseerde waarmee hij bezig was op een moment waarop hij niet meer terug kon, hecht de rechtbank geen geloof.

Verdachte heeft door zijn handelen een bijdrage geleverd aan het illegale circuit van invoer, distributie en verkoop van verdovende middelen. Het is een feit van algemene bekendheid dat met deze smokkel aanzienlijke financiële belangen zijn gemoeid en grote winsten worden behaald en dat deze niet zelden hand in hand gaan met geweld, bedreigingen en ripdeals

Het strafrechtelijk verleden van verdachte laat geen veroordeling voor vergelijkbare feiten zien. In haar rapportage vermeldt de reclassering dat verdachte problemen heeft met de rouwverwerking van zijn recent overleden zoon. Verder heeft verdachte diverse gezondheidsklachten. Van de kans op herhaling kan de reclassering geen goede inschatting maken en de reclassering onthoudt zich van een strafadvies.

De rechtbank zal, anders dan door de officier van justitie is geëist, geen geldboete aan verdachte opleggen aangezien de rechtbank van oordeel is dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur in dit geval de meest passende straf is en het juiste signaal ter afschrikking aan verdachte. Voorts kan deze straf voldoende als afschrikking dienen aan andere personen die dergelijke drugssmokkel zouden overwegen.

De op te leggen gevangenisstraf dient naar het oordeel van de rechtbank lager te zijn dan door de officier van justitie is geëist. Dit enerzijds omdat de rechtbank in sterkere mate rekening wil houden met het ontbreken van eerdere veroordelingen en anderzijds omdat de rechtbank van oordeel is dat de hierna te vermelden straf recht doet aan verdachtes rol in de zaak, ook in vergelijking tot zijn medeverdachten.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47 en 55 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde en de artikelen 3 en 11van de Opiumwet, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT, RECHTDOENDE:

Verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging.

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld en verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte te dier zake tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden.

Bepaalt, dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 5 maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.R. de Vries, voorzitter, mr. M. Brinksma en mr. F. Sieders, rechters, bijgestaan door A. van Dijk, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 januari 2011.