Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2011:BP2419

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
26-01-2011
Datum publicatie
31-01-2011
Zaaknummer
AWB 10/1063
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontheffing en bouwvergunning vergroting woning. Verwerping betoog vergunninghouder (in de geanonimiseerde uitspraak aangeduid met X) dat eiser misbruik van procesrecht maakt. Afwijzing verzoek vergunninghouder eiser te veroordelen tot schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

procedurenummer: AWB 10/1063

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 januari 2011 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[naam],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigden: M.J.B. Stokman en K.G. Beekman,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Opsterland,

verweerder,

gemachtigde: mr. P. Stevens, werkzaam bij de gemeente Opsterland.

Procesverloop

Bij brief van 27 april 2010 heeft verweerder (hierna: het college) eiser mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende de toepassing van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Woningwet. Tegen dit besluit heeft eiser beroep aangetekend. Op grond van artikel 8:26, eerste lid, van de Awb is [naam] (hierna: [X]) door de rechtbank in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. Zij heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt en door haar is op 23 augustus 2010 en 26 september 2010 een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven. De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 1 november 2010, waarbij eiser en het college zich hebben laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. [X] heeft zich laten vertegenwoordigen door [Y].

Motivering

Feiten

1.1 Op 28 augustus 2009 heeft [X] een aanvraag om een lichte bouwvergunning ingediend voor het vergroten van haar woning op het adres [adres]. Het bouwplan voorziet in een vergroting van het keukengedeelte, althans het achterste gedeelte van de woon- en verblijfsruimte op de begane grond. Blijkens de bij de bouwaanvraag bijgevoegde bouwtekening ontstaat hierdoor een zogenoemde tuinkamer. Het bouwplan voorziet in een goothoogte die 10 centimeter hoger ligt dan de hoogte van de eerste bouwlaag van de woning. Dit is in strijd met het bepaalde in artikel 8, lid B, sub 2, onder f, van het vigerende bestemmingsplan "Beetsterzwaag-Kom" (hierna: het bestemmingsplan).

1.2 Naar aanleiding van de terinzagelegging van het bouwplan op 10 september 2009 heeft eiser, wonende op het adres [adres eiser], op 7 oktober 2009 zijn zienswijze gegeven op het bouwplan.

1.3 Bij besluit van 17 november 2009 heeft het college met toepassing van artikel 8, lid D, sub 9, van het bestemmingsplan binnenplanse ontheffing als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro verleend van het bepaalde in artikel 8, lid B, sub 2, onder f, van het bestemmingsplan. Vervolgens heeft het college bij besluit van 23 november 2009 een lichte bouwvergunning verleend.

Geschil

2.1 Eiser is van opvatting dat zijn woongenot wordt aangetast door de realisering van de uitbouw omdat hierdoor de lichtinval in en het uitzicht vanuit zijn woonkeuken worden beperkt. Het college had daarom moeten afzien van het verlenen van een ontheffing van het bestemmingsplan. Eiser is daarnaast van opvatting dat het bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand.

2.2 In het verweerschrift heeft het college gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het geschil

3.1 De rechtbank hecht er aan vooraf het volgende te overwegen. In haar brief van 26 september 2010 heeft [X] het navolgende aangegeven: "Bovendien vraag ik mij af of de rechter ook niet kan besluiten dat afgezien moet worden van verdere bezwaren; mede gezien de kosten en de tijd die moeten worden gespendeerd ook ten laste van de gemeenschap". Voor zover [X] hiermee betoogt dat eiser misbruik van procesrecht maakt, het recht om rechtsmiddelen aan te wenden tegen overheidsbesluiten, verwerpt de rechtbank dit betoog. Het staat eiser vrij om zich in rechte, in alle instanties (bezwaar bij verweerder, beroep bij de rechtbank en hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State) te keren tegen een hem onwelgevallig bouwplan van zijn buurvrouw.

3.2 Vast staat dat het bouwplan voor wat betreft de goothoogte in strijd is met het bestemmingsplan, maar dat deze strijdigheid opgeheven kan worden door toepassing te geven aan de (binnenplanse) ontheffingsbevoegdheid van artikel 8, lid D, sub 9, van het bestemmingsplan. Deze bevoegdheid is discretionair van aard. Dit brengt mee dat de bestuursrechter de uitoefening van deze bevoegdheid door het college terughoudend moet toetsen. Aan de orde is de vraag of het college na een afweging van de betrokken belangen, waaronder de woonbelangen van eiser, maar ook de woonbelangen van [X], in redelijkheid ontheffing kon verlenen. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Het bouwplan voorziet in een bouwhoogte van slechts 2,90 meter, terwijl het bestemmingsplan een bouwhoogte van 9 meter en een goothoogte van zes meter toestaat. Bovendien is de bouwhoogte slechts 10 centimeter hoger dan de hoogte van de eerste bouwlaag van de woning. Niet aannemelijk is dus dat vanwege de realisering van het bouwplan sprake zal zijn van een onevenredige vermindering van lichtinval in en uitzicht vanuit de woonkeuken van eiser. Uit de bouwtekening en de foto's die eiser bij zijn beroepschrift heeft overgelegd blijkt bovendien dat door het glaswerk in de terrasdeuren die vanuit de woonkeuken toegang geven tot het achtererf nog voldoende licht kan invallen in de woonkeuken van eiser en dat hij vanuit zijn woonkeuken voldoende uitzicht heeft. Gelet op deze omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd, heeft het college naar het oordeel van de rechtbank aan de belangen van [X] bij realisering van de uitbouw meer gewicht mogen toekennen dan aan de belangen van eiser. Het college heeft ten behoeve van het bouwplan dus in redelijkheid ontheffing kunnen verlenen.

3.3 Bij brief van 23 maart 2010 de welstandcommissie het college meegedeeld dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het college niet mocht afgaan op dit welstandsadvies (vgl. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 6 oktober 2010, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, LJN: BN9519).

3.4 Nu met de binnenplanse ontheffing de strijdigheid van het bouwplan met het bestemmingsplan is opgeheven, het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand en niet gebleken is van andere gronden om de bouwvergunning te weigeren, was het college gehouden de bouwvergunning te verlenen. Het beroep zal dus ongegrond worden verklaard.

Schadevergoeding en proceskosten

4.1 Bij brief van 26 september 2010 heeft [X] de rechtbank verzocht eiser te veroordelen tot een schadevergoeding. Dit verzoek houdt verband met de gestegen kosten van de uitbouw, volgens [X] een bedrag van € 5.000. Op grond van artikel 8:73, eerste lid, van de Awb, kan de rechtbank, indien zij het beroep gegrond verklaart en indien daarvoor gronden zijn, op verzoek van een partij het bestuursorgaan veroordelen tot vergoeding van de schade die die partij lijdt. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat elke partij die in een procedure participeert, behalve het bestuursorgaan, een verzoek om schadevergoeding kan indienen. Hieronder valt dus niet alleen eiser, maar ook een belanghebbende die op grond van artikel 8:26 van de Awb als partij in het geding is toegelaten. Voor het verzoek van een belanghebbende partij om een eisende partij te veroordelen tot een schadevergoeding biedt de bestuursrechtelijke procedure echter geen plaats. De rechtbank zal het verzoek van [X] om eiser te veroordelen tot een schadevergoeding daarom niet-ontvankelijk verklaren.

4.2 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- verklaart het verzoek van [X] om eiser te veroordelen tot een schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Leegsma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2011.

w.g. J.R. Leegsma

w.g. P.G. Wijtsma

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.