Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2011:BO9759

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
06-01-2011
Datum publicatie
06-01-2011
Zaaknummer
AWB 10/214
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft het beroep van rederij Eigen Veerdienst Terschelling B.V. (EVT) tegen een aan rederij Terschellinger Stoomboot Maatschappij B.V. (TSM) verleende bouwvergunning voor een (al veel eerder gebouwde) afmeervoorziening ongegrond verklaard.

Wetsverwijzingen
Woningwet
Woningwet 44
Wet milieubeheer
Woningwet 56a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2011/264
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

procedurenummer: AWB 10/214

uitspraak van de meervoudige kamer van 6 januari 2011 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Eigen Veerdienst Terschelling B.V., gevestigd te Formerum, gemeente Terschelling,

eiseres (hierna: EVT),

gemachtigden: mr. H.A.H. Stam, advocaat te Amsterdam, en [medewerker], werkzaam bij EVT,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Terschelling,

verweerder (hierna: het college),

gemachtigden: mr. W.R. van der Velde, advocaat te Groningen, en P. de Bos en H.T. Smit, beiden werkzaam bij de gemeente Terschelling.

Procesverloop

Bij brief van 23 december 2009 heeft het college EVT mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende de toepassing van de Woningwet.

Tegen dit besluit heeft EVT beroep ingesteld.

De rechtbank heeft de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Terschellinger Stoomboot Maatschappij (hierna: TSM) in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. Zij heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt en door haar is een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.

De rechtbank heeft deze zaak (met procedurenummer 10/214) ter behandeling gevoegd met de zaken met de procedurenummers 08/2555, 09/588, 09/1973, 09/1974, 09/2332 en 09/2878. De gevoegde zaken zijn behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 7 oktober 2010. Namens EVT zijn voornoemde gemachtigden verschenen. Namens het college zijn wethouder T.D. de Jong en de drie voornoemde gemachtigden verschenen. Namens TSM zijn verschenen haar directeur [directeur A], mr. J.A. van der Kolk, advocaat te Rotterdam, [directeur B], directeur van [X] B.V., en [Y], werkzaam bij DHV.

Na de behandeling ter zitting heeft de rechtbank deze zaak afgesplitst van de overige voormelde zaken. In deze overige zaken zal afzonderlijk van deze zaak uitspraak worden gedaan.

Motivering

Feiten

1.1 In 1973 heeft TSM met toestemming van het Rijk op het perceel, kadastraal bekend gemeente Terschelling, sectie A, nummer 3782, plaatselijk bekend Willem Barentszkade (tegenover nr. 19a) te West-Terschelling (hierna: de locatie in geding) een ponton met afmeerpalen geplaatst. De locatie in geding wordt ook wel aangeduid als plek 4.

1.2 Per brief van 24 juli 2009 heeft EVT het college erop gewezen dat voor het ponton geen bouwvergunning is verleend en verzocht handhavend op te treden tegen deze situatie.

1.3 Op 17 augustus 2009 heeft TSM een reguliere bouwvergunning eerste fase aangevraagd voor het plaatsen van een ponton met loopbrug en afmeerpalen op de locatie in geding, welke dient als afmeervoorziening voor de veerdienst van TSM. Per brief van 24 augustus 2009 heeft TSM deze aanvraag in die zin aangevuld dat het ponton, de loopbrug en de meerpalen dienen als afmeervoorziening voor de veerdienst van TSM, althans voor het in- en ontschepen van de bemanning en (in spoedeisende gevallen) van patiënten.

1.4 Bij besluit van 31 augustus 2009 heeft het college TSM reguliere bouwvergunning eerste fase verleend voor het plaatsen van een ponton met loopbrug en afmeerpalen op de locatie in geding voor het in- en ontschepen van de bemanning en (in spoedeisende gevallen) van patiënten.

1.5 Bij het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van EVT tegen het besluit van 31 augustus 2009 ongegrond verklaard.

Geschil

2.1 EVT stelt zich op het standpunt dat zij procesbelang heeft bij de inhoudelijke beoordeling van dit beroep, omdat zij als concurrent van TSM belanghebbende is bij een aan TSM verleende bouwvergunning en zij nog steeds aanspraak maakt op plek 4. Voorts stelt EVT zich op het standpunt dat de bouwvergunning geen betrekking kan hebben op de afmeerpalen omdat die zijn aangebracht door en eigendom zijn van Rijkswaterstaat. Daarom had de aanvraag volgens EVT buiten behandeling moeten worden gelaten. Verder stelt EVT zich op het standpunt dat in de bouwvergunning ten onrechte is afgeweken van de aanvraag, aangezien de bouwvergunning enkel is verleend voor het in- en ontschepen van bemanningen en patiënten, terwijl dit niet is aangevraagd. Voorts stelt EVT zich op het standpunt dat het college TSM ten onrechte bouwvergunning heeft verleend, omdat het bouwplan in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Primair heeft zij daartoe aangevoerd dat op de locatie in geding de bestemming "water" rust, dat onder die bestemming alleen waterstaatkundige werken zijn toegestaan en dat een ponton, een loopbrug en afmeerpalen daar niet onder vallen. Subsidiair heeft zij daartoe aangevoerd dat het bouwplan ook in strijd is met de bestemming "havenwerken", die volgens het college rust op de locatie in geding. Volgens EVT kunnen een ponton, een loopbrug en afmeerpalen niet worden aangemerkt als een gebouw of inrichting in de zin van artikel 14 van de planvoorschriften. EVT heeft de rechtbank verzocht te bepalen dat het college de schade die zij ten gevolge van het bestreden besluit heeft geleden te vergoeden.

2.2 Het college handhaaft het bestreden besluit. Primair stelt het college zich op het standpunt dat EVT geen procesbelang meer heeft bij de inhoudelijke beoordeling van haar beroep, omdat zij niet (langer) beschikt over een ligplaatsvergunning voor plek 4. Subsidiair stelt het college zich op het standpunt dat op de locatie in geding de bestemming "havenwerken" rust en dat het ponton, de loopbrug en de afmeerpalen een inrichting vormen in de zin van artikel 14 van de planvoorschriften. Volgens het college moeten het ponton, de loopbrug en de afmeerpalen als één geheel worden gezien, zodat de bouwvergunning ook betrekking heeft op de afmeerpalen. Voorts stelt het college zich op het standpunt dat de onder 1.3 vermelde brief van 24 augustus 2009 moet worden aangemerkt als onderdeel van de bouwaanvraag, zodat in de bouwvergunning niet is afgeweken van de bouwaanvraag.

Beoordeling van het geschil

3.1 De rechtbank is van oordeel dat EVT belanghebbende is bij het bestreden besluit. Voorts is de rechtbank van oordeel dat EVT haar procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep heeft behouden, ondanks het feit dat zij niet (langer) beschikt over een ligplaatsvergunning voor plek 4. Daartoe overweegt de rechtbank dat EVT werkzaam is als concurrent van TSM in hetzelfde marktsegment en binnen hetzelfde verzorgingsgebied en dat EVT daadwerkelijk actief is in de haven van Terschelling en aldaar op verschillende plekken ligplaats inneemt. Bovendien heeft EVT bezwaar gemaakt tegen de aan TSM voor plek 4 verleende ligplaatsvergunning en maakt zij, naar eigen zeggen, nog steeds aanspraak op deze ligplaats.

3.2 De rechtbank is van oordeel dat de bouwvergunning ook betrekking heeft op de afmeerpalen. De bouwvergunning strekt ter legalisering van de reeds lang geleden gerealiseerde afmeervoorziening. De omstandigheden dat de afmeerpalen zijn aangebracht door en eigendom zijn van Rijkswaterstaat en dat het ponton jaren later om die afmeerpalen heen is gebouwd, brengen niet met zich dat de bouwvergunning geen betrekking kan hebben op die afmeerpalen. De woningwet stelt niet de eis dat degene aan wie de bouwvergunning wordt verleend eigenaar is van het bouwwerk waarop de bouwaanvraag betrekking heeft en evenmin dat de onderdelen van het bouwwerk op hetzelfde moment en door dezelfde persoon zijn opgericht. In dit geval doet zich niet de situatie voor dat het bouwplan nimmer kan worden verwezenlijkt. De rechtbank is voorts van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de onder 1.3 vermelde brief van 24 augustus 2009 onderdeel uitmaakt van de bouwaanvraag en dat dientengevolge in de bouwvergunning niet is afgeweken van de bouwaanvraag.

3.3 Ten aanzien van het betoog van EVT dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan overweegt de rechtbank het volgende. Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet, voor zover in deze zaak van belang, mag slechts en moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd, indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld. Ingevolge artikel 56a, tweede lid, voor zover in deze zaak van belang, mag slechts en moet de bouwvergunning eerste fase worden geweigerd indien een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onderdeel c, van toepassing is.

3.4 Aan de hand van de plankaart en de daarbij behorende legenda stelt de rechtbank vast dat op de locatie in geding ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingplan "uitbreidingsplan in hoofdzaak en in onderdelen van de gemeente Terschelling" (hierna: het bestemmingsplan) de bestemming "havenwerken" rust. Ingevolge artikel 14 van de planvoorschriften mogen op de in het plan voor havenwerken bestemde gronden uitsluitend de hierop betrekking hebbende gebouwen en inrichtingen worden gesticht.

3.5 In het bestemmingsplan is geen definitie of omschrijving gegeven van de begrippen "havenwerken", "inrichting" en "stichten". Zoals het college onder verwijzing naar het Van Dale Groot woordenboek hedendaags Nederlands heeft aangevoerd, wordt in het gangbaar taalgebruik verstaan onder "havenwerken": "alle werken die met het havenbedrijf in verband staan", onder "inrichting": "toestel als deel van een groter werktuig" en onder "stichten": "bewerken dat iets tot stand komt". Onder "havenbedrijf" wordt verstaan: "tak van het economisch leven die betrekking heeft op alles wat met de haven te maken heeft".

3.6 Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de afmeervoorziening die wordt gevormd door het ponton, de loopbrug en de afmeerpalen, dient te worden aangemerkt als een op havenwerken betrekking hebbende inrichting in de zin van artikel 14 van de planvoorschriften. Het betreft een toestel dat deel uitmaakt van de totale haven(werken) als groter geheel en het staat in verband met de van het havenbedrijf deel uitmakende veerdienst. De rechtbank volgt EVT niet in haar betoog dat de afmeervoorziening niet kan worden aangemerkt als een inrichting, omdat het geen inrichting in de zin van de Wet milieubeheer (Wm) betreft en omdat een ponton, een loopbrug en afmeerpalen niet worden gesticht, maar worden opgericht. Daartoe overweegt de rechtbank dat geen aanleiding bestaat de uitleg van het begrip "inrichting" in het bestemmingplan beperkt te achten tot inrichtingen in de zin van de Wm. Gelet op de ruime betekenis die het begrip "stichten" in het gangbaar taalgebruik toekomt en gelet op het feit dat artikel 14 van de planvoorschriften tevens spreekt over het stichten van gebouwen, is de rechtbank van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval sprake is van het stichten van een ponton, een loopbrug en afmeerpalen. Dit brengt de rechtbank tot de slotsom dat het bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan.

3.7 Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat zich ingevolge artikel 56a gelezen in samenhang met artikel 44 van de Woningwet geen weigeringsgrond voordeed, zodat het college gehouden was de bouwvergunning te verlenen. Dit betekent dat het beroep ongegrond is.

Schadevergoeding en proceskosten

4.1 Nu het beroep ongegrond is, zal de rechtbank het verzoek van EVT tot vergoeding van de door haar geleden schade afwijzen.

4.2 De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus gegeven door mr. A.T. de Kwaasteniet, voorzitter, en door mrs. P.G. Wijtsma en K.J. de Graaf, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.F. van Emst als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2011.

w.g. A.T. de Kwaasteniet

w.g. F.F. van Emst

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:13 gelezen in samenhang met artikel 6:24 van de Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.