Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2010:BU6590

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
12-10-2010
Datum publicatie
02-12-2011
Zaaknummer
09/658
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende dreef in het onderhavige jaar in de vorm van een eenmanszaak een aannemingsbedrijf. Met betrekking tot de correctie 'verzwegen omzet' overweegt de rechtbank dat het enkele gegeven dat er vanaf een privé-rekening een bedrag van € 10.000 wordt gestort op de zakelijke rekening van belanghebbende nog niet met zich meebrengt dat reeds hierom gesproken kan worden van mogelijk verzwegen omzet, zoals de inspecteur heeft betoogd. Temeer nu belanghebbende een geloofwaardige verklaring heeft gegeven met betrekking tot de herkomst van de gelden. Ten aanzien van de tweede in geschil zijnde correctie is de rechtbank van oordeel dat de verkoopwinst die belanghebbende heeft behaald met de verkoop van een woning aangemerkt kan worden als RUOW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2011-2990
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 09/658

Uitspraakdatum: 12 oktober 2010

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats], Zweden,

eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord, kantoor Emmen,

verweerder.

Eiser wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De uitspraken van de inspecteur van 9 februari 2009 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem voor het jaar 2005 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen en de daarbij gelijktijdig bij beschikking in rekening gebrachte heffingsrente.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 september 2010 te Leeuwarden.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende [gemachtigde], verbonden aan [kantoornaam gemachtigde], alsmede namens de inspecteur, [gemachtigde].

1. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 67.859;

- vermindert de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van

€ 966;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 41 aan deze vergoedt.

2. Gronden

2.1. Belanghebbende dreef in het onderhavige jaar in de vorm van een eenmanszaak een aannemingsbedrijf. Het bedrijf hield zich onder andere bezig met het verbouwen van bestaande- en nieuwbouwwoningen.

2.2. Op 4 april 2007 is bij belanghebbende een boekenonderzoek aangekondigd. Onderzocht is de aanvaardbaarheid van de aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het tijdvak 1 januari 2002 tot en met 31 december 2005.

2.3. Naar aanleiding van dit boekenonderzoek heeft de inspecteur geconcludeerd dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de administratie- en bewaarplicht van artikel 52 AWR. De inspecteur heeft daarbij gewezen op de volgende bescheiden die niet aanwezig waren in de administratie van belanghebbende:

- Offertes

- Werkbriefjes

- Urenregistraties

- Voorcalculaties

- Nacalculaties

- Omzetbelastingverklaringen van woningen ouder dan 15 jaar

- Diverse jaren aan privé-bankafschriften

2.4. De inspecteur heeft op basis van het boekenonderzoek een drietal correcties aangebracht met betrekking het onderhavige aanslagjaar. Het betreft hier winstcorrecties in verband met:

- een niet-verantwoorde vordering (i);

- vermeende niet aangegeven omzet (ii);

- de verkoopwinst behaald bij de verkoop van het pand [adres X] te [plaats A] (iii).

De winstcorrectie genoemd onder (i) is niet langer tussen partijen in geschil. Wel in geschil tussen partijen zijn de winstcorrecties genoemd onder (ii) en (iii). Voorts is tussen partijen in geschil of de inspecteur terecht is uitgegaan van omkering (verschuiving en verzwaring) van de bewijslast. Deze vraag zal de rechtbank allereerst behandelen.

Omkering en verzwaring van de bewijslast

2.5. Ingevolge artikel 52 AWR zijn ondernemers gehouden van hun vermogenstoestand en van alles naar de eisen van dat bedrijf op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde hun rechten en verplichtingen alsmede de voor de heffing van belasting overigens van belang zijnde gegevens daaruit duidelijk blijken.

2.6. Belanghebbende heeft de hiervoor onder 2.3 genoemde bevindingen van de inspecteur niet weersproken. De rechtbank heeft geen reden tot twijfel aan de juistheid daarvan. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze hiervoor onder 2.3 genoemde bescheiden zodanig belangrijk voor het vaststellen van de heffing van belasting dat door het ontbreken daarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de hem op grond van artikel 52 van de AWR rustende verplichtingen. Daaruit volgt dat de rechtbank het beroep tegen de onderhavige aanslag ongegrond moet verklaren, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de aanslag onjuist is.

De correctie ter zake van de vermeende niet aangegeven omzet

2.7. Op 8 december 2005 is een bedrag van € 10.000 gestort op de zakelijke bankrekening van belanghebbende vanuit de privérekening met nummer [rekeningnummer]. De inspecteur heeft aan de hand van voornoemde storting aanleiding gezien om zich op het standpunt te stellen dat het bedrag van € 10.000 verzwegen omzet betreft. De rechtbank stelt voorop dat de omkering en verzwaring van de bewijslast met zich meebrengt dat belanghebbende overtuigend dient aan te tonen - “moet doen blijken” - dat deze correctie onjuist is. Het voorgaande neemt echter niet weg dat de aanslag niet naar willekeur mag zijn opgelegd. Anders gezegd, de correctie dient op redelijke gronden te berusten. Naar het oordeel van de rechtbank brengt het enkele gegeven dat er vanaf een privé-rekening, welke overigens op naam stond van de echtgenote van belanghebbende, een bedrag van € 10.000 wordt gestort op de zakelijke rekening van belanghebbende nog niet met zich mee dat reeds hierom gesproken kan worden van mogelijk verzwegen omzet. Daarbij overweegt de rechtbank dat belanghebbende een geloofwaardige verklaring heeft gegeven met betrekking tot de herkomst van de gelden èn de reden waarom de gelden op de zakelijke rekening zijn gestort. Bovendien is het naar het oordeel van de rechtbank niet voor de hand liggend, dat een belastingplichtige, in het geval er sprake is van verzwegen omzet, deze omzet vanaf een privé-rekening overboekt naar een zakelijke rekening. Samenvattend is de rechtbank dan ook van oordeel dat de correctie niet op redelijke gronden berust, hetgeen tot gevolg heeft dat deze dient te vervallen. Op dit punt is derhalve het gelijk aan de zijde van belanghebbende.

Verkoopwinst [adres X] te [plaats A]

2.8. De inspecteur heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verkoopwinst die is behaald bij de verkoop van de woning [adres X] (hierna: woning), belast is als winst uit onderneming. Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende. Naar het oordeel van de rechtbank is door de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat de verkoop van de woning zodanig verweven is met de normale bedrijfsuitoefening van belanghebbende, het drijven van een aannemingsbedrijf, dat hierdoor de verkoopwinst aangemerkt kan worden als winst uit onderneming. Daarbij overweegt de rechtbank dat uit niets blijkt dat belanghebbende de - nog te bouwen - woning heeft aangeschaft in het kader van zijn onderneming. Alle uitgaven die belanghebbende te zake heeft gemaakt zijn namelijk opgenomen in zijn privé-administratie. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de primaire stelling van de inspecteur geen doel treft.

2.9. Subsidiair heeft de inspecteur gesteld dat de verkoopwinst aangemerkt moet worden als resultaat uit overige werkzaamheden. In artikel 3.90 van de Wet is bepaald dat belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden het gezamenlijke bedrag van het resultaat uit een of meer werkzaamheden is die geen belastbare winst of belastbaar loon genereren. Ingevolge artikel 3.91, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet wordt onder werkzaamheid mede verstaan - voor zover hier relevant - het rendabel maken van vermogen op een wijze die normaal, actief vermogensbeheer te buiten gaat, zoals bij het uitponden van onroerende zaken, of het aanwenden door de belastingplichtige van voorkennis of daarmee vergelijkbare bijzondere vormen van kennis. Van een te belasten voordeel in dit verband kan naar het oordeel van de rechtbank uitsluitend sprake zijn indien voldaan is aan de volgende drie voorwaarden:

- subjectief bezien moet een voordeel beoogd zijn;

- objectief bezien moet een voordeel redelijkerwijs te verwachten zijn;

- er moet sprake zijn van een deelname aan het economische verkeer.

2.10. Gelet op de werkzaamheden die belanghebbende zelf aan de woning heeft verricht en het aanzienlijke bedrag dat daarmee gemoeid was, is naar het oordeel van de rechtbank, gezien ook belanghebbendes eerdere ervaringen op dit gebied, redelijkerwijs niet voor twijfel vatbaar dat één en ander zou leiden tot een hogere waarde van de woning en dat aldus bij verkoop een voordeel te verwachten viel. Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat belanghebbende aan het economische verkeer heeft deelgenomen en dat daarmee objectief bezien, een voordeel redelijkerwijs te verwachten was.

2.11. Rest de vraag of ten aanzien van belanghebbende sprake was van een subjectief beogen van voordeel. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur, met hetgeen hij heeft gesteld, aannemelijk gemaakt dat belanghebbende heeft beoogd om door middel van zijn werkzaamheden een voordeel bij de verkoop te behalen. De rechtbank hecht geen geloof aan belanghebbendes stelling dat hij de woning zelf wilde gaan bewonen. De rechtbank overweegt daartoe dat belanghebbende reeds eerder een aanzienlijke verkoopwinst heeft behaald met de verkoop van een woning en ook toen het argument gebruikte dat hij deze woning met zijn gezin wilde gaan bewonen. Bovendien leidt de rechtbank hieruit af dat belanghebbende bekend was met het feit dat met de verkoop van onroerende zaken aanzienlijke winsten konden worden behaald, hetgeen eveneens blijkt uit een transactie met twee percelen grond met een recreatieve bestemming die belanghebbende in het jaar 2006 heeft verkocht. De inspecteur heeft onbestreden gesteld dat de gerealiseerde verkoopwinst van deze twee percelen circa € 68.000 bedroeg. Voorts overweegt de rechtbank dat ook uit de e-mail correspondentie met makelaarskantoor [makelaarskantoor] blijkt dat belanghebbende reeds in maart 2005 doende was om de woning zo goed mogelijk in de markt te zetten om een zo hoog mogelijke opbrengstwaarde voor de woning te creëren. Samenvattend is de rechtbank dan ook van oordeel dat belanghebbende heeft voldaan aan de eis dat hij subjectief bezien heeft beoogd inkomsten in het maatschappelijk verkeer te verwerven, welke gezien de zich in casu voordoende omstandigheden in de belaste inkomstensfeer, en niet in de onbelaste privé-sfeer liggen.

2.12. Belanghebbende heeft voorts nog gesteld dat het bij de verkoop behaalde voordeel verminderd dient te worden met € 4.000 aan extra kosten, welke extra kosten bestaan uit de rentekosten op de door hem aangegane hypothecaire lening, de notariskosten en de afsluitprovisie. Gelet op hetgeen partijen ter zitting over en weer hebben verklaard en gelet op “de nota van afrekening”, welke als bijlage 20 is gevoegd bij het verweerschrift, is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende een bedrag van € 2.000 aan extra kosten aannemelijk heeft gemaakt. Het met de aan- en verkoop van het pand behaalde voordeel dient derhalve met een bedrag van € 2.000 te worden verminderd. Dit betekent dat het resultaat uit overige werkzaamheden dat belanghebbende heeft behaald € 56.353 bedraagt.

2.13. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep gegrond verklaard.

2.14. In de omstandigheid dat het beroep gegrond is verklaard vindt de rechtbank aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 966 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen hoorzitting met een waarde per punt van € 161, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1).

Aldus gedaan door mr. D. Hund, rechter, en door hem en mr. M. Jansen, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2010.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 21 oktober 2010

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 1704, 8901 CA Leeuwarden.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.