Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2010:BR2965

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
20-01-2010
Datum publicatie
25-07-2011
Zaaknummer
95516 - HA ZA 09-238
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vraag of er sprake is van (civielrechtelijk) onrechtmatig handelen van de partner van een verdachte in een strafzaak jegens benadeelde partij. Ongerechtvaardigde verrijking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 95516 / HA ZA 09-238

Vonnis van 20 januari 2010

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat: mr. F-N. Grooss, kantoorhoudende te 's-Gravenhage,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat: mr. N.E.P. Gustings, kantoorhoudende te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna "[eiseres]" en "[gedaagde]" genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de akte overlegging producties van [eiseres]

- de conclusie van antwoord

- het proces-verbaal van comparitie van 4 november 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

In deze procedure zal van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan.

2.1. [eiseres] is de voormalige levenspartner van wijlen [A]. [eiseres] is na diens overlijden in contact gekomen met de heer [B] (hierna te noemen: [B]), die vervolgens als haar vertrouwensman fungeerde. In die hoedanigheid onderhield [B] veelvuldig contact met [eiseres].

2.2. [B] houdt een bankrekening aan bij Theodoor Gilissen Bankiers te [woonplaats] onder nummer [nummer bankrekening]. Ook hield hij een bankrekening aan bij de Postbank.

2.3. [B] en [gedaagde] hebben vanaf 2001 een affectieve relatie (gehad) en hebben vanaf begin 2002 samengewoond.

2.4. Tussen [B] en [gedaagde] is op 22 augustus 2003 - in verband met het feit dat [B] de creditcard van [gedaagde] had misbruikt - een door hun beiden ondertekende "Schuldverklaring" opgemaakt, welke als volgt luidt:

"Ondergetekende J.T. [B] geboren [geboortedatum] verklaart schuldig te zijn aan [gedaagde] (geboren [geboortedatum]) een bedrag van ongeveer 115.000,00 €. Vaststelling van het definitieve bedrag zal in onderling overleg geschieden, waarna een eventuele restverrekening uiterlijk een maand na de betaling van de hoofdsom zal geschieden.

Betaling van de hoofdsom van 115.000,00 € zal geschieden, als somma ineens, uiterlijk tegen 1 september 2003."

2.5. Tussen oktober 2005 en september 2007 is vanaf de bankrekening van [eiseres] een bedrag van in totaal € 497.731,54 overgeboekt naar bovengenoemde bankrekening van [B]. Hieronder valt een bedrag van € 30.000,- dat op 11 december 2006 is overgeboekt. Op diezelfde dag is een bedrag van € 45.000,- overgeboekt van de bankrekening van [B] naar de bankrekening van autobedrijf Van de Luytgaarden BV te Dronten. De omschrijving van deze overboeking luidt "Audi A6 zwart".

2.6. Uit het register van de RDW blijkt dat sinds 12 december 2006 een Audi A6 Quattro, kleur zwart, met kenteken [kenteken], op naam van [gedaagde] staat. De door Van de Luytgaarden in verband met de verkoop van de auto opgemaakte factuur is op naam gesteld van en geadresseerd aan [gedaagde] en vermeldt dat de verkoopprijs van de auto € 63.900,- bedraagt, waarop een Audi A6 2.5 TDI is ingeruild voor een bedrag van € 18.900,-, zodat het totaal te betalen bedrag € 45.000,- bedraagt.

2.7. Op 8 januari 2007 is vanaf de bankrekening van [eiseres] een bedrag van

€ 5.296,70 op de bankrekening van [B] binnengekomen. Op diezelfde dag is een bedrag van € 10.200,- van de bankrekening van [B] afgeschreven in verband met een deelbetaling terzake de aanschaf van een horloge merk Patek Phillipe 5146J-001 Jahres Kalender bij Manbodh BV te 's-Gravenhage, een bedrijf dat exclusieve horloges verkoopt. [B] heeft dit horloge als geschenk voor [gedaagde] aangeschaft. Op 16 januari 2007 is vanaf de bankrekening van [eiseres] een bedrag van € 5.393,70 binnengekomen op de bankrekening van [B]. Op diezelfde dag is een bedrag van € 8.000,- van de bankrekening van [B] afgeschreven als restantbetaling terzake de aanschaf van voornoemd horloge.

2.8. [gedaagde] heeft vanaf de bankrekeningen van [B] 23 maal een betaling ontvangen, tot een totaalbedrag van € 76.097,-.

2.9. [eiseres] heeft op 17 december 2007 bij de politie aangifte gedaan tegen [B] wegens oplichting, verduistering en valsheid in geschrifte. [B] is hiervoor strafrechtelijk vervolgd. [gedaagde] is in het strafrechtelijk onderzoek tegen [B] tevens als verdachte aangemerkt, wegens het witwassen althans witwassen in vereniging van door [B] frauduleus verkregen gelden. De rechtbank Amsterdam heeft uiteindelijk besloten om de (behandeling van de) strafzaken tegen [B] en [gedaagde] te splitsen.

2.10. Bij vonnis van 23 juni 2009 heeft de rechtbank Amsterdam jegens [B] bewezen verklaard: (i) oplichting meermalen gepleegd, (ii) verduistering, gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn beroep onder zich heeft, (iii) verduistering meermalen gepleegd, (iv) valsheid in geschrifte, meermalen gepleegd en (v) een gewoonte maken van witwassen. [B] is daarvoor veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden. Tevens is de hiervoor genoemde Audi verbeurd verklaard en is de vordering van [eiseres] als benadeelde partij tegen [B] toegewezen tot een bedrag van € 705.550,65.

2.11. In de strafzaak tegen [gedaagde] heeft de rechtbank tot op heden nog geen vonnis gewezen.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 139.297,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 17 december 2007 tot aan de dag der algehele voldoening;

II. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van het geding, die van de gelegde alsmede de nog te leggen beslagen daaronder begrepen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van de vijftiende dag na de datum van het te dezer zake te wijzen vonnis.

3.2. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres], met veroordeling van [eiseres] in de kosten van het geding.

4. Het standpunt van [eiseres]

4.1. [eiseres] stelt dat uit de stukken van het politieonderzoek blijkt dat [B] diverse cadeaus heeft gekocht voor [gedaagde], waaronder de Audi ten bedrage van € 45.000,- en het Patek horloge ten bedrage van € 18.200,-. Tevens heeft [B] directe geldbetalingen aan en ten gunste van [gedaagde] gedaan tot een bedrag van € 76.097,-, aldus [eiseres]. In totaal heeft [gedaagde] daarmee zaken en gelden ontvangen ter waarde van € 139.297,00.

4.2. Voormelde bedragen moeten door [B] zijn betaald met de gelden die hij met oplichting heeft verkregen ten koste van [eiseres], aldus [eiseres]. [B] had volgens [eiseres] namelijk geen inkomsten uit andere bron dan de oplichting van [eiseres]. Gezien de relatie tussen [gedaagde] en [B] acht [eiseres] het zeer waarschijnlijk dat [gedaagde] kennis heeft gehad van de oplichtingspraktijken van [B] en dat [gedaagde] onder meer door mee te profiteren van de vruchten van die oplichting daarbij feitelijk betrokken is geweest. Het ligt volgens [eiseres] niet voor de hand dat partners niet van elkaar weten waar en op welke wijze zij hun inkomen verwerven.

4.3. Uit het voorgaande volgt naar de mening van [eiseres] (i) dat [gedaagde] onmiskenbaar misbruik heeft gemaakt van het onrechtmatig handelen van [B] en (ii) dat [gedaagde] is verrijkt ten koste van [eiseres] zonder dat daarvoor een redelijke grond aanwezig was. [eiseres] vordert daarom van [gedaagde] vergoeding van het bedrag waarvoor [gedaagde] misbruik heeft gemaakt en voordeel heeft genoten van de oplichting van [eiseres] door [B], zijnde eerdergenoemd bedrag van € 139.297,00.

5. Het standpunt van [gedaagde]

5.1. Van verrijking van [B] ten koste van [eiseres] is volgens [gedaagde] niet gebleken. Weliswaar heeft [eiseres] van [B] betaling gevorderd van door hem van haar bankrekening ontvangen gelden, maar [B] stelt zich op het standpunt dat hij gedurende diverse jaren zeer intensief voor [eiseres] werkzaam is geweest en dat [eiseres] steeds heeft nagelaten de rekeningen van [B] te voldoen. Om die reden is [B] tot verrekening overgegaan, aldus [gedaagde]. Voorts genoot [B] uit zijn juridische adviespraktijk inkomsten van andere klanten dan [eiseres], hetgeen in getuigenverhoren in de civiele procedure tegen [B] door een aantal klanten onder ede is bevestigd en heeft hij na het overlijden van zijn vader een voorschot op de erfenis ontvangen. Daarmee staat niet vast dat de gelden zoals [B] die ten behoeve van [gedaagde] voldeed, afkomstig waren van betalingen door [eiseres] en niet van gelden van derden.

5.2. [B] had een schuld van € 115.000,- aan [gedaagde]. Deze schuld heeft hij door middel van enkele betalingen ingelost. Zo heeft [B] de op naam van [gedaagde] staande Audi mede bekostigd door het na inruil overblijvende deel van de koopprijs van deze auto te voldoen. Voorts heeft [gedaagde] wel eens een cadeau van [B] ontvangen, hetgeen tussen partners niet ongebruikelijk kan worden genoemd. [B] nam [gedaagde] soms mee op vakantie en [gedaagde] heeft op enig moment het Patek horloge van [B] gekregen, als dank voor de steun van [gedaagde] tijdens het ziekteproces van de vader van [B]. Het overigens door [gedaagde] van [B] ontvangen bedrag omvat het (deels) voldoen van de maandelijkse woonlasten. [B] heeft gedurende lange tijd de aan de woning van hem en [gedaagde] verbonden woonlasten voldaan, ter aflossing van de overeenkomst van geldlening.

5.3. Tegenover elke betaling van [B] aan [gedaagde] staat ook een betaling van [gedaagde] aan [B], aldus [gedaagde]. Van ongerechtvaardigde verrijking is volgens [gedaagde] dan ook geen sprake. Voor zover [gedaagde] al zou zijn verrijkt, dan bestaat er geen verband met verarming aan de zijde van [eiseres]. Een eventuele verrijking van [gedaagde] is bovendien niet ongerechtvaardigd geweest. Er was een grond voor de verrijking, gelet op de lening van [gedaagde] aan [B] en de betalingen die [gedaagde] in het verleden voor [B] heeft gedaan. Indien zou worden aangenomen dat er geen redelijke grond was voor de betalingen van [B] aan [gedaagde], dan was [gedaagde] te goeder trouw. [gedaagde] had geen enkele reden om te betwijfelen dat [eiseres] betalingen aan [B] verrichtte voor zijn werkzaamheden. [B] was namelijk dagelijks aan het werk voor [eiseres] en [eiseres] kwam zeer frequent bij [B] en [gedaagde] thuis langs om haar zaken door te nemen. Enige wetenschap bij [gedaagde] van mogelijk onrechtmatig handelen van [B] ontbreekt dan ook.

6. De beoordeling van het geschil

6.1. Vooropgesteld wordt dat er nog geen uitspraak is gedaan in de strafzaak tegen [gedaagde], waarin hem het witwassen van frauduleus verkregen gelden ten laste is gelegd.

De rechtbank zal het thans dan ook moeten doen met de in deze procedure beschikbare gegevens. Er bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding om de uitkomst van de strafzaak tegen [gedaagde] af te wachten alvorens in deze procedure enige beslissing te nemen, nu [eiseres] er zelf voor gekozen heeft om tot beslaglegging en dagvaarding van [gedaagde] over te gaan. Indien daardoor op dit moment nog niet alle relevante informatie voorhanden is, komt die omstandigheid voor rekening en risico van [eiseres].

6.2. Van onrechtmatig handelen van [gedaagde] is naar het oordeel van de rechtbank slechts sprake indien een normschending door [gedaagde] kan worden aangenomen. Die normschending moet er in het onderhavige geval dan in bestaan dat (i) de door [B] aan of ten behoeve van [gedaagde] betaalde gelden rechtstreeks van [eiseres] afkomstig waren en (ii) [gedaagde] wist of behoorde te weten dat die gelden door [B] frauduleus waren verkregen van [eiseres].

6.2.1. [eiseres] heeft daartoe gesteld dat het hoogst waarschijnlijk is dat [gedaagde] op de hoogte was van het onrechtmatig handelen van [B], nu [B] en [gedaagde] als partners samenleefden en [B] geen bronnen van inkomsten had, anders dan die uit oplichting van [eiseres].

6.2.2. De rechtbank overweegt dat zonder voldoende toelichting van de zijde van [eiseres], die ontbreekt, op grond van het enkele feit dat twee personen als partners samenleven nog niet kan worden aangenomen dat zij op de hoogte zijn van elkaars financiële huishouding. In veel gevallen zal dit wél (tot op zekere hoogte) zo zijn, maar het is ook goed mogelijk dat twee partners er volstrekt gescheiden financiële huishoudingen op na houden en dat de ene partner van de andere partner niet weet welke inkomsten hij of zij precies heeft, hetgeen met name het geval zal kunnen zijn als iemand - zoals in het geval van [B] - als zelfstandige werkzaam is. Daarnaast heeft [gedaagde] ter comparitie onweersproken gesteld dat [B] - naar de rechtbank begrijpt - ook betaalde werkzaamheden voor andere klanten dan [eiseres] verrichtte en dat zulks in de getuigenverhoren in de civiele procedure van [eiseres] tegen [B] ook door een aantal klanten van [B] is bevestigd. Ten slotte heeft [gedaagde] onweersproken gesteld dat [B] begin 2007 - na het overlijden van zijn vader - een voorschot op de erfenis heeft ontvangen. Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank er vanuit dat [B] ook andere inkomsten had dan de van [eiseres] verkregen gelden. Gelet hierop heeft [eiseres] onvoldoende gesteld om als vaststaand te kunnen aannemen dat [gedaagde] wist of behoorde te weten dat de door [B] aan of ten behoeve van [gedaagde] betaalde gelden door [B] frauduleus waren verkregen van [eiseres] en is bewijslevering - vanwege het niet voldoen aan de stelplicht - niet aan de orde.

6.2.3. Een en ander leidt de rechtbank tot de conclusie dat niet gebleken is dat [gedaagde] ervan op de hoogte was, althans had moeten zijn, dat de door [B] aan of ten behoeve van [gedaagde] betaalde gelden door hem op frauduleuze wijze van [eiseres] waren verkregen. Derhalve kan niet worden geoordeeld dat er sprake is van onrechtmatig handelen van [gedaagde] jegens [eiseres], zodat de vordering op deze grondslag moet worden afgewezen.

6.3. Op grond van artikel 6:212 lid 1 BW is hij die ten koste van een ander ongerechtvaardigd is verrijkt, verplicht om, voor zover dit redelijk is, diens schade te vergoeden tot het bedrag van zijn verrijking. Hieruit volgt dat er tussen de verrijking en verarming voldoende verband moet bestaan; de verrijking van de één moet ten koste van de ander gaan. Een verrijking is ongerechtvaardigd indien daarvoor geen redelijke grond aanwezig is.

6.3.1. De rechtbank is van oordeel dat voor ongerechtvaardigde verrijking van [gedaagde] ten koste van [eiseres] in elk geval vereist is dat vast staat dat de betalingen die [B] aan of ten behoeve van [gedaagde] heeft verricht, zijn gedaan met gelden die door [B] frauduleus van [eiseres] verkregen zijn, waardoor [gedaagde] verrijkt is ten koste van [eiseres]. In dat verband stelt de rechtbank ten aanzien van de Audi en het Patek horloge vast dat vlak voor de aanschaf van deze zaken er gelden van de bankrekening van [eiseres] op de bankrekening van [B] zijn binnengekomen. Nu ervan uitgegaan moet worden (zie hiervoor onder r.o. 6.2.2.) dat [B] ook de beschikking over andere bronnen van inkomsten had, kan naar het oordeel van de rechtbank niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat de auto en het horloge geheel of gedeeltelijk zijn betaald met van [eiseres] frauduleus verkregen gelden en, zo dit wel het geval zou zijn, in hoeverre.

6.3.2. Voorts overweegt de rechtbank dat er - voor zover al zou moeten worden aangenomen dat wél sprake is van een verband tussen de verarming van [eiseres] en de verrijking van [gedaagde] - in het onderhavige geval een redelijke grond voor de verrijking van [gedaagde] bestond, welke is gelegen in de schuldbekentenis van 22 augustus 2003 waarbij [B] heeft verklaard dat hij een bedrag van € 115.000,- schuldig is aan [gedaagde]. [eiseres] heeft de geldigheid van deze schuldbekentenis ter comparitie erkend. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat de door [B] gedane betalingen op de bankrekening van [gedaagde] en de betaling van de auto van [gedaagde] door [B] als aflossingen op voornoemde schuld kunnen worden aangemerkt. Ten slotte is naar het oordeel van de rechtbank ook een redelijke grond aanwezig voor de aanschaf van het Patek horloge door [B] voor [gedaagde], nu [gedaagde] onweersproken heeft gesteld dat hij dit horloge van [B] heeft gekregen als dank voor de steun die [gedaagde] had gegeven tijdens het ziekteproces van de vader van [B]. Het over en weer geven van cadeaus is naar het oordeel van de rechtbank in relaties tussen partners/echtgenoten bepaald niet ongebruikelijk. Afhankelijk van de welstand van de partners/echtgenoten kunnen cadeaus ook een aanzienlijke waarde vertegenwoordigen.

6.3.3. De rechtbank concludeert dan ook niet is komen vast te staan dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking van [gedaagde] ten koste van [eiseres]. Ook deze grondslag van de vordering faalt.

6.4. Uit het vorenstaande volgt dat de vordering van [eiseres] moet worden afgewezen.

6.5. [eiseres] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van [gedaagde] vastgesteld als volgt:

- vast recht € 1.185,00

- salaris van de advocaat € 2.842,00 (2 x € 1.421, tarief V)

-------------

totaal € 4.027,00

7. De beslissing

De rechtbank:

7.1. wijst de vorderingen van [eiseres] af;

7.2. veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [gedaagde] vastgesteld op € 4.027,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M. Telman en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2010.?

fn 343