Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2010:BO7532

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
30-11-2010
Datum publicatie
16-12-2010
Zaaknummer
329639 - VZ VERZ 10-367
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding arbeidsovereenkomst op grond van een dringende reden. Naar aanleiding van klachten is er een onderzoek en een vervolgonderzoek naar de handelwijze van werknemer uitgevoerd. Werknemer declareerde niet gemaakte overuren en pauzeerde veelvuldig tijdens werktijd. Volgens de kantonrechter moet deze handelwijze als frauduleus worden aangemerkt en levert deze omstandigheid reeds een dringende reden voor ontslag op. Voorts is voldoende gebleken dat werknemer tijdens werktijd met gebruikmaking van materiaal van werkgever werkzaamheden voor derden verrichtte zonder dit aan werkgever te melden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2010-1001
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector kanton

Locatie Leeuwarden

zaak-/rolnummer: 329639 \ VZ VERZ 10-367

beschikking van de kantonrechter d.d. 30 november 2010

inzake

De besloten vennootschap BV Fryslân Miljeu Noordwest,

hierna te noemen: Omrin,

gevestigd te Leeuwarden,

verzoekster,

gemachtigde: mr. S.J.E. van Bergen/mr. P. Hulsegge,

tegen

[verweerder],

hierna te noemen: [verweerder],

wonende te Leeuwarden,

verweerder,

gemachtigde: mr. I.J. Blekman.

Het procesverloop

Omrin heeft bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 30 augustus 2010, verzocht de tussen haar en [verweerder] bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van gewichtige redenen in de zin van artikel 7: 685 BW.

Het verweerschrift van [verweerder] is binnengekomen op 20 september 2010.

Op 3 november 2010 heeft Omrin nog nadere producties ingediend. Op 8 november 2010 heeft [verweerder] nog nadere producties ingediend.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 november 2010. Van het behandelde ter zitting zijn aantekeningen gemaakt.

De gemachtigden van partijen hebben het standpunt van hun cliënten toegelicht aan de hand van pleitnotities. De gemachtigde van Omrin heeft een pleitnota van 25 bladzijden op A-4 formaat voorgedragen en de gemachtigde van [verweerder] heeft vanwege de omvang van dit pleidooi, het daarin aangevoerde en haar mogelijkheden om dit met haar cliënt te kunnen bespreken verzocht om een schorsing van de behandeling en voortzetting op een later moment.

De kantonrechter heeft naar aanleiding van dit verzoek de behandeling geschorst en zich in raadkamer teruggetrokken. Na hervatting van de behandeling heeft hij geoordeeld dat het pleidooi namens Omrin weliswaar zeer omvangrijk was maar niet zodanig nieuwe feiten bevatte dat de gemachtigde van [verweerder] daar niet dan na een korte schorsing van de behandeling voor overleg met haar cliënt op zou kunnen reageren. De kantonrechter heeft de behandeling ter zitting daarop voor de duur van een half uur geschorst.

Daarna is de behandeling ter zitting voortgezet.

Motivering

feiten

1. [verweerder], geboren op [geboortedatum], is sedert [datum] 1996 in dienst bij Omrin, laatstelijk in de functie van allround reinigingsmedewerker, tegen een bruto salaris van [bedrag] per maand, exclusief toeslagen. [verweerder] heeft als voornaamste taak het ophalen van huishoudelijk grofvuil bij particulieren in de gemeente Leeuwarden. Hij beschikt daarvoor over een vrachtauto met open container en kraan. Hij is op 14 juli 2010 geschorst.

Standpunt Omrin

2.1 Omrin heeft verzocht om de arbeidsovereenkomst te ontbinden, primair op grond van een dringende reden en subsidiair op grond van gewijzigde omstandigheden. Omrin heeft dit verzoek omstandig gemotiveerd door middel van een uitgebreid verzoekschrift, een groot aantal producties en, zoals hiervoor bij het procesverloop al aangegeven, een uitgebreid pleidooi ter zitting. Het verwijt dat Omrin [verweerder] maakt en ten grondslag ligt aan het verzoek komt er in essentie op neer dat [verweerder] gedrag heeft vertoond waarmee hij de bij Omrin geldende integriteitregels heeft geschonden. Hij ziet voorts de ernst van de situatie niet in en wil geen verantwoordelijkheid voor zijn handelen nemen.

2.2 [verweerder] heeft zich volgens Omrin in concreto schuldig gemaakt aan het langduriger nemen van pauzes dan toegestaan, het opgeven en declareren van overuren die niet daadwerkelijk zijn gemaakt, het in strijd met de voorschriften afhalen van grofvuil van privéterreinen, het regelmatig overtreden van de toegestane maximum snelheid en het ophalen van vuilnis, waaronder bouwafval van bouwbedrijven en huisjesmelkers, zonder opdracht van Omrin buiten de aan hem opgegeven routeplanning om. Het sterke vermoeden bestaat dat hij hiervoor wederdiensten en/of geld heeft ontvangen.

Standpunt [verweerder]

3. [verweerder] heeft uitvoerig verweer gevoerd. Hij heeft daarbij de hem gemaakte verwijten betwist en weersproken. Ten aanzien van de pauzes en overuren heeft hij erkend soms fouten te hebben gemaakt, maar hij heeft aangeboden om die fouten te herstellen. Verder heeft [verweerder] gesteld dat het onderzoek dat Omrin naar hem heeft laten instellen onzorgvuldig en onrechtmatig was. Voorts heeft hij gesteld altijd met volle overgave en tot tevredenheid van Omrin en haar rechtsvoorgangster zijn werkzaamheden te hebben verricht.

Beoordeling

4. De kantonrechter heeft zich ervan vergewist dat het verzoek geen verband houdt met het bestaan van een opzegverbod.

5. Uit hetgeen is aangevoerd begrijpt de kantonrechter dat hetgeen [verweerder] door Omrin wordt verweten aan het licht is gekomen naar aanleiding van een algemeen onderzoek naar het rijgedrag van Omrinchauffeurs. Begin 2010 hebben Omrin klachten bereikt over het rijgedrag van haar chauffeurs. Naar aanleiding daarvan heeft Omrin een onderzoek naar dat rijgedrag doen instellen door het bureau All Above Security, hierna te noemen AAS. In het kader van dat onderzoek is ook de vrachtauto van [verweerder] gevolgd. Geconstateerd is daarbij dat hij meerdere verkeersovertredingen beging. Uit dit onderzoek is tevens naar voren gekomen dat [verweerder] de tuin van een woning heeft leeggehaald, zonder dat hij daarvoor opdracht had gekregen van Omrin, waarbij tevens in strijd met de voorschriften afval van particulier terrein was gehaald. [verweerder] is daarvoor op 29 maart 2010 gewaarschuwd. Tijdens de onderzoeksperiode zijn er meerdere meldingen bij Omrin binnen gekomen omtrent gedragingen van [verweerder] en zijn collega [werknemer] en deze nieuw gebleken feiten hebben Omrin er toe bewogen een specifiek op beiden gericht onderzoek te starten. In het kader van dat onderzoek is de vrachtauto van [verweerder] in de periode van 24 mei 2010 tot 4 juni 2010 enkele dagen gevolgd door medewerkers van AAS. Naar aanleiding van de resultaten van dat onderzoek heeft Omrin het onderzoeksbureau DB2 een diepgaander vervolgonderzoek laten doen.

6.1 De kantonrechter volgt [verweerder] niet in zijn stellingname dat het onderzoek onzorgvuldig dan wel onrechtmatig zou zijn. Nu daartoe als gevolg van de bevindingen uit het rijgedragonderzoek en een aantal concrete meldingen over handelwijze en gedrag van [verweerder] aanleiding bestond, was Omrin naar het oordeel van de kantonrechter gerechtigd om nader onderzoek te doen instellen. Anders dan [verweerder] heeft gesteld hoefde Omrin niet eerst met [verweerder] in overleg te treden, alvorens AAS tot nader onderzoek over te laten gaan en stond het haar vrij om eerst nader te onderzoeken of er enige grondslag was voor de gegrondheid van de omtrent [verweerder] gedane meldingen. Dit geldt evenzeer voor het diepgaandere vervolgonderzoek door DB2, nu de resultaten van het gerichte onderzoek door AAS sterk wezen in de richting van laakbaar handelen door [verweerder]. Door [verweerder] is verder niet betwist dat de Ondernemingsraad in kennis is gesteld van het incidentele integriteitsonderzoek

6.2 Het onderzoek door DB2 heeft plaatsgevonden vanaf 22 juni 2010. Dit onderzoek is gedaan door middel van volgen en observeren gedurende een aantal dagen van [verweerder] onder werktijd en het plaatsen van een zogenoemd tracking en tracing systeem op de vrachtauto van [verweerder]. Uit de onderzoeksrapporten van AAS en DB2 blijkt dat de vrachtauto van [verweerder] gedurende een bepaalde periode is gevolgd onder werktijd en dat vanaf de openbare weg waarnemingen zijn gedaan. De waarnemingen zijn gerapporteerd en er zijn vanaf de openbare weg foto's gemaakt. Verder zijn via het tracking en tracing systeem de bewegingen van de vrachtauto vastgelegd, is de urenadministratie van [verweerder] en routeplanning onderzocht en hebben de onderzoekers derden gesproken en daarvan verslag gedaan. Naar het oordeel van de kantonrechter is er bij de wijze waarop het onderzoek is vormgegeven en uitgevoerd geen sprake van een schending van de privacy van [verweerder], nu het onderzoek zich richtte op de werkzaamheden van [verweerder] tijdens dienstverband. Er is geen grond om te oordelen dat het onderzoek niet toelaatbaar zou zijn geweest en de resultaten niet in deze procedure zouden mogen worden gebruikt.

6.3 De wijze waarop het onderzoek is uitgevoerd kan naar het oordeel van de kantonrechter niet als zijnde onzorgvuldig worden aangemerkt. Voor zover de onderzoekers van DB2 bij het doen van navraag bij derden en de rapportage daarover onzorgvuldig te werk zouden zijn gegaan, hetgeen overigens niet volledig duidelijk wordt uit de door [verweerder] overgelegde verklaringen van BandenDirekt en Bandentrend, doet dit nog geen afbreuk aan het volledige rapport en [verweerder] heeft onvoldoende gesteld om ervan uit te gaan dat dit volledige rapport en de daarin weergegeven feitelijke bevindingen buiten beschouwing zouden moeten blijven.

7.1 [verweerder] heeft bij wijze van verweer zijn lezing geplaatst tegenover een aantal specifieke waarnemingen uit de onderzoeken betreffende het ophalen van grofvuil buiten de routeplanning om. Voor zover dit verweer erop neerkomt dat hij vuil heeft verwijderd op verzoek van de milieupolitie of de huismeester van een woningcorporatie, buiten de teamleider van Omrin om, staat daar tegenover de stellingname van Omrin dat dit, in tegenstelling tot hetgeen vóór het najaar van 2009 kennelijk praktijk was, op deze wijze niet meer was toegestaan. De kantonrechter acht het begrijpelijk dat het niet altijd eenvoudig zal zijn te moeten afwijken van een kennelijk in de loop der jaren gegroeide praktijk, zeker als daardoor verzoeken van personen waarmee [verweerder] mogelijk al lang op deze wijze samenwerkt, in tegenstelling tot wat eerder gebruikelijk was, niet meer mogen worden gehonoreerd. Dit neemt echter niet weg dat de instructies bekend en duidelijk waren en dat [verweerder] die niet had mogen negeren. Hij had dit in voorkomende gevallen dan ook duidelijk dienen te maken aan de desbetreffende personen. Voorts kan [verweerder] worden verweten dat hij de genoemde gevallen ook niet achteraf aan Omrin heeft verantwoord, hetgeen binnen het door Omrin gehanteerde systeem mogelijk is door middel van de zogenoemde calamiteitenbriefjes. Dit klemt te meer nu [verweerder] hier bij brief van 30 maart 2010 op is aangesproken, naar aanleiding van de bevindingen uit het rijgedragonderzoek. Of [verweerder] met dergelijk handelen zelf enig voordeel heeft genoten heeft Omrin overigens niet aannemelijk gemaakt en de kantonrechter zal daarvan dan ook niet uitgaan.

7.2 De kantonrechter acht in het bijzonder nog van belang de stelling van Omrin dat [verweerder] op twee verschillende dagen bouwafval heeft opgehaald bij een woning aan de Oeverstraat 28, waar werkzaamheden werden verricht, zonder dit te verantwoorden en daarbij ook nog een ruit heeft gebroken. De verklaring van de bewoonster tegen de medewerker van DB2 dat het afval in opdracht van de huisbaas, die een familielid van [verweerder] blijkt te zijn, door Omrin vanuit de tuin van de woning is opgehaald en dat bij het laden van de auto met een grijper een kamerruit is stukgegaan is voldoende aannemelijk. Het weerwoord van [verweerder] daartegen overtuigt niet en hij heeft dit weerwoord verder ook niet met feiten onderbouwd. Het is aannemelijk dat [verweerder] hier onbevoegd afval heeft weggehaald. Dit weegt des te zwaarder nu de kosten van de afvoer voor rekening van Omrin of de gemeente zijn gekomen terwijl het bouwafval betreft waarvan de afvoer door de aannemer of huisbaas zou moeten worden betaald. [verweerder] heeft daarmee in ieder geval de schijn op zich geladen dat hij misbruik heeft gemaakt van zijn positie ten gunste van derden.

8. Uit de waarnemingen is verder gebleken dat [verweerder] meer en langere pauzes nam dan toegestaan. Uit de onderzoeksrapportage komt verder naar voren dat er daarbij geen sprake was van een enkel incident maar van het veelvuldig 's ochtends langdurig extra pauze nemen. Verder heeft [verweerder] ten onrechte overuren gedeclareerd. Nu uit de overgelegde onderzoeksverslagen en door [verweerder] ingevulde urenbriefjes blijkt dat er op meer dan de helft van de dagen waarop [verweerder] is geobserveerd ten onrechte overuren zijn gedeclareerd, kan ook ten aanzien hiervan niet worden gesproken van een (verontschuldigbaar) incident.

[verweerder] heeft hiervoor geen sluitende verklaring kunnen geven, een en ander ook erkend en daarbij tevens erkend dat hij daarmee in de fout is gegaan.

9. Verder is aannemelijk geworden dat [verweerder], ondanks de eerdere duidelijke instructies van Omrin en de hem op 30 maart 2010 gegeven waarschuwing, verkeersovertredingen is blijven maken. Ook hiermee heeft hij zich niet gedragen zoals van hem mag worden verwacht.

10.1 De kantonrechter is van oordeel dat de door Omrin aan het adres van [verweerder] gerichte en aannemelijk gemaakte verwijten zodanig ernstig zijn dat deze een dringende reden vormen op grond waarvan de arbeidsovereenkomst dient te eindigen. De conclusie dat [verweerder] heeft gehandeld in strijd met hetgeen van hem op grond van de geldende regels van integriteit mag worden verwacht is gerechtvaardigd. Reeds het ten onrechte declareren van overuren en de veelvuldige pauzes in werktijd, waarmee hij Omrin heeft benadeeld ten gunste van zichzelf en dat als frauduleus handelen kan worden aangemerkt, rechtvaardigt dit oordeel.

10.2 Daarnaast kan [verweerder] ook een aanmerkelijk verwijt worden gemaakt ten aanzien van het ophalen van afval buiten opdracht van Omrin om. De waarnemingen uit het onderzoek zijn hieromtrent naar het oordeel van de kantonrechter duidelijk en het verweer van [verweerder] overtuigt niet. Omrin heeft er belang bij dat de door haar opgelegde procedures en gedragsregels door haar werknemers worden nageleefd. Aannemelijk is geworden dat [verweerder] daarmee een loopje heeft genomen en dat hoeft Omrin niet te tolereren. Omrin heeft zich er verder nog op beroepen dat er meerdere meldingen zijn van klokkenluiders waaruit kan worden afgeleid dat [verweerder] zich al langere tijd schuldig maakt aan het ophalen van bouwafval van een aantal met name genoemde aannemers en huisbazen, zonder opdracht en medeweten van Omrin. Alhoewel ten aanzien van deze verklaringen, gelet op de wijze waarop ze zijn gedaan en ook niet steeds duidelijk is van wie ze afkomstig zijn, de nodige terughoudendheid moet worden betracht, kan worden vastgesteld dat de daarin geuite beschuldigingen aansluiten op de onderzoeksbevindingen en wordt daardoor in ieder geval de schijn gewekt dat de bevindingen tijdens de periode van onderzoek niet op zichzelf staan.

10.3 Gebleken is dat [verweerder] een grote vrijheid genoot en dat er vrijwel geen controle door Omrin was op de wijze waarop hij zijn werk uitoefende. Voorts vervult hij zijn functie in de openbare ruimte en is daardoor zichtbaar voor derden in zijn doen en laten. Zijn handelingen vormen daardoor het ´gezicht´ van Omrin naar buiten toe. Dit alles brengt de nodige verantwoordelijkheid met zich mee, omdat Omrin aldus op hem moet kunnen vertrouwen en zijn handelen in het openbaar ook direct terugslaat op de goede naam van Omrin. [verweerder] lijkt zich onvoldoende rekenschap te hebben gegeven van deze verantwoordelijkheid.

10.4 Het nu aan [verweerder] verweten gedrag is aan het licht gekomen als uitvloeisel van het bedrijfsbrede onderzoek naar het rijgedrag van Omrinmedewerkers en is door Omrin eerder kennelijk niet gesignaleerd. Dit geldt ook voor de ten onrechte opgegeven overuren. Aangezien [verweerder] al geruime tijd en aanzienlijk aantal overuren opgaf kan het verwondering wekken dat Omrin daar niet eerder kritisch naar heeft gekeken en dit doet vermoeden dat er bij Omrin in het verleden een vorm van gedoogcultuur heeft geheerst. Omrin heeft echter voldoende aannemelijk gemaakt dat zij inmiddels duidelijke gedragsregels heeft gesteld en deze regels ook duidelijk kenbaar heeft gemaakt aan haar medewerkers. Maar ook los daarvan had het voor [verweerder] ook zonder waarschuwing vooraf duidelijk kunnen zijn dat zijn handelwijze niet toelaatbaar was. De wijze waarop [verweerder] op 14 juli 2010 is geconfronteerd met de bevindingen van de onderzoekers is verder naar het oordeel van de kantonrechter voor de beoordeling van het onderhavige ontbindingsverzoek niet van belang, omdat deze beoordeling is gebaseerd op het in het verzoekschrift gestelde en [verweerder] in de gelegenheid is geweest om zich daartegen te verweren.

10.5 Duidelijk is dat [verweerder] ernstig zal worden getroffen door de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Gelet echter op de ernst van de hem te maken verwijten en de eveneens in acht te nemen belangen van Omrin dienen de belangen van [verweerder] te wijken en zal de arbeidsovereenkomst worden ontbonden op basis van de primair daartoe door Omrin aangevoerde grondslag. Voor toekenning van enige vergoeding aan [verweerder] is daarom geen grond.

11. Gezien het vorenstaande behoeft aan Omrin geen termijn te worden gegund het verzoek in te trekken.

12. De kantonrechter acht termen aanwezig om de proceskosten tussen partijen te compenseren.

Beslissing

De kantonrechter:

ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van 1 december 2010;

compenseert de proceskosten zodanig dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Aldus gegeven te Leeuwarden en in het openbaar uitgesproken op 30 november 2010 door mr. T.K. Hoogslag, kantonrechter, in tegenwoordigheid van de griffier.

c 184.