Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2010:BO7284

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
25-11-2010
Datum publicatie
14-12-2010
Zaaknummer
09/2662
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Betreft 1 uitspraak van een cluster van 8 zaken

Omzetbelasting

Belanghebbende, een pensioenfonds, komt naar het oordeel van de rechtbank niet in aanmerking voor de vrijstelling van artikel 11, eerste lid, onderdeel i (vrijstelling ter collectief beleggen bijeengebrachte vermogens), ten derde van de Wet OB 1968.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-2884
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 09/2662

Uitspraakdatum: 25 november 2010

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende], statutair gevestigd te Hoogezand,

eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord, kantoor Groningen,

verweerder.

Eiseres wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.De inspecteur heeft met dagtekening 26 november 2008 aan belanghebbende over het tijdvak 1 januari 2003 tot en met 31 december 2005 een naheffingsaanslag omzetbelasting (aanslagnummer [nummer]F.01.5501) opgelegd van € 174.846. Tegelijkertijd is bij beschikking € 31.728 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.De inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 26 september 2009 de naheffingsaanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

1.3.Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 2 november 2009, ontvangen bij de rechtbank op 3 november 2009, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 297.

1.4.De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.Belanghebbende heeft vóór de zitting een nader stuk ingediend. Dit stuk is in afschrift verstrekt aan de inspecteur.

1.6.Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2010 te Leeuwarden.

Aldaar zijn tegelijkertijd behandeld de zaken met procedurenummers 09/2659 tot en met 09/2666. Ter zitting zijn verschenen en gehoord, belanghebbende in de persoon van

[financieel directeur], financieel directeur, vergezeld van de gemachtigden mr. [gemachtigden]., verbonden aan Deloitte Belastingadviseurs B.V., alsmede namens de inspecteur, drs. [gemachtigden].

1.7.De inspecteur heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan belanghebbende. Belanghebbende heeft ter zitting een overzicht overgelegd met de namen van de dienstverleners, een omschrijving van de door hen verrichte diensten en de daarop betrekking hebbende BTW-bedragen per jaar.

1.8.Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt. Dit proces-verbaal is gelijktijdig met deze uitspraak aan partijen gezonden.

2.Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.Belanghebbende is een pensioenstichting, waarin de pensioenen zijn ondergebracht voor de werknemers van het [P-concern] in Nederland. De premies voor de pensioenregelingen worden volledig betaald door het [P-concern]. De werknemers van het [P-concern] zijn derhalve geen pensioenpremies verschuldigd. Tot het [P-concern] behoort onder meer [onderneming P] B.V. (hierna: [onderneming P]).

2.2.Belanghebbende heeft met de in de Verenigde Staten gevestigde [onderneming B], N.A. (hierna: [onderneming B]) een overeenkomst afgesloten voor het beheer van het vermogen van belanghebbende. [onderneming B] heeft over de vergoedingen geen omzetbelasting in rekening gebracht. Belanghebbende heeft over de vergoedingen geen omzetbelasting aangegeven of op aangifte voldaan.

2.3.Tussen partijen is niet in geschil dat de plaats van de door [onderneming B] verrichte diensten in Nederland is gelegen. De inspecteur heeft op grond van de zogenoemde verleggingsregeling van artikel 12, derde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) in verbinding met het tot 1 januari 2010 bepaalde in artikel 6, tweede lid, onderdeel d, ten vijfde, van de Wet de belasting van belanghebbende nageheven.

3.Geschil

3.1.In geschil is het antwoord op de vraag of de vrijstelling van artikel 11, eerste lid, onderdeel i, ten derde, van de Wet van toepassing is op de diensten van [onderneming B]. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en de inspecteur ontkennend. De hoogte van de naheffingsaanslag als zodanig is niet in geschil. Ook de hoogte van de in rekening gebrachte heffingsrente is niet in geschil, met dien verstande dat de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig dient te worden verminderd in geval de naheffingsaanslag wordt verminderd.

3.2.Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, alsmede hetgeen zij ter zitting hebben toegevoegd, zoals weergegeven in het proces-verbaal.

3.3.Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging van de naheffingsaanslag en de beschikking heffingsrente. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4.Beoordeling van het geschil

4.1.Artikel 11 van de Wet luidt voor zover te dezen van belang als volgt:

“1. Onder bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen voorwaarden zijn van de belasting vrijgesteld: (…)

i. de volgende diensten (…)

3º. Het beheer van door beleggingsfondsen en beleggingsmaatschappijen ter collectieve belegging bijeengebrachte vermogens; (…)”

4.2.Artikel 11 van de Wet is een uitwerking van het bepaalde in artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde Richtlijn (tot 1 januari 2007) en artikel 135, eerste lid, onderdeel g, van de Richtlijn 2006/112/EG (vanaf 1 januari 2007), waarin het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen, als omschreven door de lidstaten onder de vrijstelling is gebracht.

4.3.Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: HvJ) heeft met betrekking tot de uitleg van het begrip “gemeenschappelijke beleggingsfondsen” in zijn arrest van 28 juni 2007 in de zaak C-363/05 (JP Morgan), onder meer gepubliceerd in V-N 2007/36.25, als volgt beslist:

“2) Artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde Richtlijn (77/388) moet aldus worden uitgelegd dat het de lidstaten een beoordelingsvrijheid toekent bij het definiëren van de fondsen binnen hun rechtsgebied die ten behoeve van de vrijstelling in deze bepaling onder het begrip “gemeenschappelijke beleggingsfondsen” vallen. Bij de uitoefening van deze vrijheid moeten de lidstaten echter het door deze bepaling nagestreefde doel eerbiedigen, dat erin bestaat, beleggers het beleggen in effecten via beleggingsinstellingen te vergemakkelijken, en tegelijkertijd acht slaan op het beginsel van fiscale neutraliteit vanuit het oogpunt van de heffing van btw over het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen die concurreren met andere gemeenschappelijke beleggingsfondsen, zoals fondsen die vallen onder de werkingssfeer van de richtlijn 85/611/EEG van de raad van 20 december 1985 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s), zoals gewijzigd bij richtlijn 2005/1/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2005.

3) Artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn (77/388) heeft rechtstreekse werking in die zin dat een belastingplichtige zich er voor de nationale rechter rechtstreeks op kan beroepen teneinde zich te verzetten tegen de toepassing van een nationale regeling die onverenigbaar zou zijn met deze bepaling.”

4.4.Naar het oordeel van de rechtbank is de invulling die de wetgever heeft gegeven aan deze vrijstelling in overeenstemming met de door het Hof van Justitie verwoorde strekking van het gemeenschapsrecht op dit punt. De rechtbank ziet niet in dat het beginsel van fiscale neutraliteit wordt geschonden doordat diensten van collectief vermogensbeheer van beleggingsfondsen of beleggingsmaatschappijen wel, maar diensten van vermogensbeheer voor pensioenfondsen niet zijn vrijgesteld nu sprake is van geheel verschillende situaties. Pensioengerechtigden – zo zij al als een collectief kunnen worden beschouwd – hebben immers geen enkele zeggenschap over het ten behoeve van hen belegde vermogen bij een pensioenfonds als het onderhavige en hebben niet de keuze om al dan niet via het beleggingsfonds te beleggen, in tegenstelling tot beleggers die deelnemen in een beleggingsfonds of beleggingsmaatschappij. Het enige recht dat pensioengerechtigden hebben, is het recht op een pensioenuitkering te zijner tijd. De tekst van artikel 11, eerste lid, onderdeel i, ten derde, van de Wet is derhalve naar het oordeel van de rechtbank in overeenstemming met de strekking van de richtlijnbepaling, zoals weergegeven door het HvJ. Dat de richtlijnbepaling mogelijk gewijzigd wordt, met als gevolg dat pensioenfondsen wel de vrijstelling voor gemeenschappelijke beleggingsfondsen deelachtig wordt, doet aan dit oordeel niet af, nu dat immers (nog) geen geldend recht is. Evenmin leidt de omstandigheid dat in een aantal andere lidstaten wel sprake is van een vrijstelling van omzetbelasting voor het vermogensbeheer door pensioenfondsen tot een ander oordeel.

4.5.Al hetgeen hiervoor is overwogen, leidt derhalve tot de conclusie dat de vrijstelling van artikel 11, eerste lid, onderdeel i, ten derde, van de Wet, respectievelijk artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Richtlijn, niet van toepassing is. Belanghebbende is dus over de door [onderneming B] aan haar in rekening gebrachte vergoedingen omzetbelasting verschuldigd. Voor dat geval zijn partijen het erover eens dat de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

4.6.Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5.Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6.Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. C.A.F.M. Stassen, voorzitter, mr.drs. M.M. de Werd en mr. W.A.P. van Roij, rechters, en door de voorzitter en mr. M. van Es-Hinnen, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 25 november 2010.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 7 december 2010

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 1704, 8901 CA Leeuwarden.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.