Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2010:BO4260

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
10-11-2010
Datum publicatie
17-11-2010
Zaaknummer
104622 - FA RK 10-881
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Familierecht; ontkenning vaderschap; overschrijding termijnstelling; artikel 1:200 BW; belang kind ivm artikel 8 EVRM

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector civiel recht

zaak-/rekestnummer: 104622 / FA RK 10-881

beschikking ontkenning vaderschap van de enkelvoudige familiekamer d.d. 10 november 2010

inzake

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

hierna ook te noemen de man,

advocaat mr. M. Rijser, kantoorhoudende te Amsterdam,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

hierna ook te noemen de vrouw,

in persoon verschenen,

belanghebbende:

de minderjarige [X],

vertegenwoordigd door mr. L. Hoekstra, kantoorhoudende te Leeuwarden,

in de hoedanigheid van bijzondere curator over deze minderjarige.

Procesverloop

De man heeft -op gronden als gesteld in het verzoekschrift- verzocht de ontkenning van het vaderschap gegrond te verklaren, in die zin dat hij niet de vader is van de minderjarige [X].

De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend.

De bijzondere curator is op 16 juni 2010 door deze rechtbank benoemd. Bij de stukken bevindt zich een brief d.d. 24 september 2010 van de bijzondere curator.

De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van deze enkelvoudige kamer op 7 oktober 2010. De rechtbank heeft voorafgaande aan de zitting [X] gehoord.

Motivering

Feiten

Partijen zijn in 1991 met elkaar gehuwd. [X] is [geboren in 1993], staande het huwelijk van partijen, geboren. Partijen zijn in 1996 gescheiden. Nadien is er niet of nauwelijks contact geweest tussen de man en [X].

De man bezit de Marokkaanse en Nederlandse nationaliteit. Zowel de vrouw als [X] bezitten de Nederlandse nationaliteit.

Standpunt van de man

De man heeft gesteld dat hij niet de biologisch vader is van [X]. Volgens de man heeft de vrouw hem vorig jaar te kennen gegeven dat hij niet de biologische vader is van [X]. De man heeft daarbij aangegeven dat hij wel eerder een vermoeden had hieromtrent, maar dat dit vermoeden pas in juni 2009 daadwerkelijk door de vrouw is bevestigd. De man heeft gesteld dat [X] in biologisch en sociaal opzicht in geen enkele relatie tot hem staat. De man heeft verzocht het verzoek tot ontkenning van het door het huwelijk ontstane vaderschap over [X] gegrond te verklaren.

Standpunt van de vrouw

Zij heeft gesteld dat zij -niet lang na de geboorte van [X], in ieder geval in 1996- de man op de hoogte heeft gesteld van het feit dat hij niet de biologische vader is van [X]. Volgens de vrouw is er in juni 2009 niet gesproken over het vaderschap over [X]. De vrouw heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de man.

Standpunt van de bijzondere curator

De bijzondere curator heeft de rechtbank -zakelijk weergegeven- schriftelijk bericht dat weliswaar de vader waarschijnlijk langer dan een jaar geleden vermoedens had over het feit dat hij niet de biologische vader is van [X], maar dat in dit geval handhaving van de termijnstelling, zoals genoemd in artikel 1:200 BW, geen enkel belang dient. Volgens de bijzondere curator is er geen contra-indicatie die toewijzing van het verzoek in de weg zou staan.

De beoordeling

Uit de stukken en de verklaring van de man ter zitting is gebleken dat de man -na geruchten- al jaren het vermoeden had dat hij niet de biologische vader was van [X].

Voorts is gebleken dat het voor [X] al heel lang bekend is dat de man niet haar biologische vader is. Ze heeft tijdens het verhoor door de rechtbank aangegeven "geen probleem te hebben" met het verzoek. Ter zitting is gebleken dat [X] tot op heden geen aanleiding heeft gezien zelf een verzoek tot ontkenning van het vaderschap in te dienen.

De rechtbank zet vraagtekens bij de verklaring van de man dat hij pas nadat hij -vanwege bijstandsverhaal- contact heeft gezocht met de vrouw in juni 2009, er 100% van overtuigd is dat hij niet de biologische vader is van [X]. De vrouw heeft namelijk verklaard dat zij de man in ieder geval in 1996 heeft verteld dat hij niet de biologische vader is van [X]. Dit heeft de vrouw ook verklaard aan de bijzondere curator, met de opmerking verrast te zijn dat de man pas na jaren tot ontkenning van het vaderschap wenst over te gaan. De man heeft hetgeen de vrouw ter zake heeft gesteld niet betwist.

De rechtbank komt op grond van vorenstaande feiten tot het oordeel dat sprake is van overschrijding van de in artikel 1:200 lid 5 BW genoemde termijn voor indiening van het verzoek. In dat artikel is immers bepaald dat het verzoek van de vader tot ontkenning van het vaderschap binnen een jaar nadat hij bekend is geworden met het feit dat hij vermoedelijk niet de biologische vader van het kind is, moet worden ingediend. De Hoge Raad heeft bij zijn arrest van 15 november 2002 geoordeeld dat het stellen van termijnen noodzakelijk is om de rechtszekerheid te waarborgen en om de belangen van het kind te beschermen in de zin van artikel 8 lid 2 EVRM. Nu bij toewijzing van het verzoek [X] geen juridische vader meer zal hebben, immers de biologische vader van [X] is niet of nauwelijks in beeld danwel in staat zijn vaderrol op zich te nemen, ziet de rechtbank geen reden af te wijken van de termijnhandhaving. Naar het oordeel van de rechtbank gaat een vergelijking met de door de man aangehaalde uitspraak van de rechtbank Den Haag van 31 mei 2010 (LJN BN 4051), waarbij een termijnoverschrijding wel toelaatbaar werd geacht, niet op. Immers, in de onderhavige zaak bestaat ook nog de mogelijkheid voor de minderjarige om op grond van artikel 1:200 lid 6 BW zelf een verzoek tot ontkenning van het vaderschap in te dienen. Anders dan in de door de man aangehaalde uitspraak kan dan ook niet geconcludeerd worden dat handhaving van de wettelijke termijn in de onderhavige zaak een niet te rechtvaardigen inmenging in het family life oplevert.

Gelet op vorenstaande zal de rechtbank de man niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek. Aan de beantwoording van de vraag of een DNA-onderzoek dient plaats te vinden komt de rechtbank derhalve niet toe.

Beslissing

De rechtbank

verklaart de man niet ontvankelijk in zijn verzoek.

Deze beschikking is gegeven te Leeuwarden door mr. I.M. Dölle, lid van de kamer, tevens kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op woensdag 10 november 2010 in tegenwoordigheid van de griffier.

(fn: 31)

Van deze beschikking kan binnen 3 maanden hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Leeuwarden. Indien u in deze procedure bent verschenen start deze termijn op de dag van de uitspraak. Als u niet in de procedure bent verschenen kan de termijn op een latere datum beginnen. Volgens de wet bent u verplicht om voor het instellen van hoger beroep een advocaat in te schakelen. In verband met de beperkte termijn dient u zo spoedig mogelijk contact met uw/een advocaat op te nemen!

De griffier.