Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2010:BO4180

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
10-11-2010
Datum publicatie
17-11-2010
Zaaknummer
306099 \ CV EXPL 10-152
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

twee huurovereenkomsten, eigenaar huurder deels in privé aansprakelijk voor huurschuld. Oplevering gehuurde, niet tijdig geprotesteerd tegen de wijze van oplevering. 21 reconventionele vorderingen afgewezen waaronder vorderingen ter zake onverschuldigde betaling, ongerechtvaardigde verrijking en onrechtmatige daad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector kanton

Locatie [plaats]

zaak-/rolnummer: 306099 \ CV EXPL 10-152

vonnis van de kantonrechter d.d. 10 november 2010

inzake

[eiser],

hierna te noemen: [eiser],

wonende te [plaats],

eiser in conventie,

gedaagde in reconventie,

gemachtigde: mr. G.R. Winter,

tegen

de besloten vennootschap Intership Charter [plaats] B.V.,

hierna te noemen: Intership,

gevestigd te [plaats],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

[gedaagde sub 2],

hierna te noemen: [gedaagde sub 2]

wonende te [plaats],

gedaagde in conventie,

hierna gezamenlijk te noemen: gedaagden

gemachtigde: mr. J. Pieters.

Procesverloop

1.1. Op de bij dagvaarding vermelde gronden heeft [eiser], gevorderd om gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 9.760,10 met rente en kosten.

1.2. Gedaagden hebben bij antwoord de vordering betwist en Intership heeft op de daarbij vermelde gronden in reconventie gevorderd [eiser] te veroordelen tot betaling van € 60.452,30 met rente en kosten.

1.3. Na repliek in conventie tevens antwoord in reconventie, waarbij [eiser] zijn vordering enerzijds met € 1.750,00 heeft verminderd en anderzijds zijn vordering met € 450,00 heeft vermeerderd, en dupliek in conventie tevens repliek in reconventie, en dupliek in reconventie, is vonnis bepaald op de stukken, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt.

1.4. Door [eiser] en gedaagden zijn producties in het geding gebracht.

Motivering

In conventie en in reconventie

De vaststaande feiten

2.1. Als gesteld en erkend, dan wel als niet of onvoldoende weersproken, alsmede op grond van de in zoverre onbetwiste inhoud der overgelegde producties staat het volgende vast.

2.2. Gedurende de periode vanaf 1 mei 2006 tot 30 april 2009 heeft er tussen [eiser] en Intership een huurovereenkomst bestaan ter zake een bedrijfsruimte te [plaats], waarvoor Intership laatstelijk een huurbedrag van € 2.082,20 per maand inclusief btw verschuldigd was.

2.3. In de in april 2006 opgemaakte en ondertekende huurovereenkomst is onder andere het volgende bepaald:

'Artikel 6. (…) De door verhuurder via de elektriciteitsmeter van huurder verbruikte elektriciteit is voor rekening van huurder.

Artikel 7. In en om het gehuurde bevinden zich de volgende eigendommen van de verhuurder.

(…)

f) Complete cv installatie (…)

(…)

Voor het onderhoud van deze zaken zorgt de huurder.

Artikel 9 (…) Eigenaar van Intership de heer [vader gedaagde sub 2] (…) is tegenover verhuurder aansprakelijk voor al hetgeen huurder aan verhuurder verschuldigd zal zijn.'

2.4. Intership heeft ten tijde van de huurovereenkomst een haven laten graven, waarvan later bleek dat de toegang te klein was. Hierop heeft [eiser] aan Intership een stuk extra grond ter beschikking gesteld om de haven beter toegankelijk te maken, waarvoor Intership € 50,00 per maand exclusief btw verschuldigd was aan [eiser].

2.5 Bij het einde van de huurovereenkomst was de huur over de maanden februari, maart en april 2009 met een totaalbedrag van € 6.246,60 niet voldaan. Hierop is door de onderhuurders van Intership, de heren [A] en [B], een bedrag van € 2.604,50 in mindering betaald.

2.6. [gedaagde sub 2] staat sinds 1 april 2009 als bestuurder van Intership ingeschreven bij de Kamer van Koophandel.

2.7. [eiser] en Intership hebben bij beëindigsovereenkomst van 20 april 2009 onder andere het volgende bepaald:

'Het huurcontract (…) zal per 30 april 2009 worden beëindigd. Intership heeft op die datum een huurachterstand van drie maanden. (…) Door de onderhuurder [A] zullen twee openstaande maanden huur aan [eiser] worden betaald. Door de onderhuurder [B] zal één maand openstaande huur aan [eiser] worden betaald. Deze bedragen zullen in mindering worden gebracht op de huurschuld van Intership, waarna Intership het resterende bedrag aan [eiser] zal overmaken.(…) '

2.8. Bij brief van 23 juli 2009 heeft [eiser] Intership gesommeerd tot betaling van achterstallige huur. Voorts is Intership bij voornoemde brief in de gelegenheid gesteld om ontbrekende zaken aan [eiser] ter beschikking te stellen, bepaalde gebreken aan het verhuurde te verhelpen en bepaalde zaken van het terrein af te voeren. Intership heeft hieraan geen gehoor gegeven.

Het standpunt van [eiser] in conventie

3.1. [eiser] vordert ter zake de in rechtsoverweging 2.2. en 2.4. genoemde (huur)overeenkomsten respectievelijk € 3.642,10 en € 719,00, vermeerderd met € 179,44 ter zake rente berekend tot 6 augustus 2009.

3.2. Voorts stelt [eiser] dat Intership het gehuurde bij het einde van de overeenkomst niet in dezelfde staat heeft opgeleverd zoals die was bij de aanvang van de huur. Daarbij horen ook de tot het gehuurde behorende roerende zaken, zoals genoemd in de inventarisatielijst. Dientengevolge vordert [eiser] de navolgende bedragen.

A. Ontbrekende zaken:

1. € 750,00 ter zake het ontbreken van een afzuiginstallatie

2. € 250,00 ter zake het ontbreken van een 150 kg wegend aambeeld

3. € 500,00 ter zake het ontbreken van een hijsraam

B. Schade aangericht aan het gehuurde

4. € 200,00 ter zake schade aan een raam

5. € 2.000,00 ter zake schade aan een overheaddeur

C. Niet opgeruimd terrein

6. € 1.500,00 ter zake opruimkosten van het terrein

Voor het overige houdt [eiser] zich alle rechten voor op vergoeding van schade die opgetreden is en zal optreden ten gevolge van wateroverlast, welke is veroorzaakt door de aanleg van de haven op rekening en risico van Intership.

3.3. [eiser] stelt dat [gedaagde sub 2] zich aansprakelijk heeft gesteld voor al hetgeen Intership aan [eiser] verschuldigd zal zijn en hij voert daartoe het volgende aan. [eiser] en Intership zijn voorafgaand aan de in april 2006 gesloten overeenkomst in mei 2003 eenzelfde overeenkomst aangegaan. Het is de vader van [gedaagde sub 2], de heer [vader gedaagde sub 2], geweest die de in mei 2003 opgemaakte overeenkomst heeft ondertekend en het is [gedaagde sub 2] geweest die de tweede huuroverkomst, gesloten in april 2006, heeft ondertekend. [eiser] legt een kopie over van laatstgenoemde overeenkomst, waarbij de initialen van [initialen vader van gedaagde sub 2] handmatig zijn veranderd in die van [initialen gedaagde sub 2]. [eiser] voert aan dat [gedaagde sub 2] veel eerder dan 1 april 2009 de eigenaar van Intership was. Dat [gedaagde sub 2] als bestuurder pas per 1 april 2009 bij de Kamer van Koophandel staat ingeschreven is het gevolg van laksheid zijdens [gedaagde sub 2].

Het standpunt van [eiser] in reconventie

3.4. [eiser] betwist de reconventionele vorderingen. Op de inhoud daarvan zal hierna - voor zover van belang - worden ingegaan. Ter zake de vorderingen gebaseerd op een onrechtmatige daad stelt [eiser] dat de kantonrechter onbevoegd is hiervan kennis te nemen, nu deze vorderingen de competentiegrens van € 5.000,00 overschrijden.

Het standpunt van Intership in conventie

4.1. Intership betwist de vorderingen en zij voert daartoe het volgende aan.

Intership stelt dat partijen bij beëindigingsovereenkonst van 20 april 2009 zijn overeengekomen dat de onderhuurders de huurachterstand zouden voldoen. [A] voor een bedrag van € 3.688,30 en [B] voor een bedrag van € 416,50. Voorts meent Intership dat op [A] en [B] wegens overname c.q. voortzetting van de huurrelatie de verplichting rust tot voldoening van de huurachterstand. Intership meent dat zij hooguit voor het resterende bedrag, te weten € 2.141,80, aansprakelijk gesteld kan worden. Op de huurachterstand dient in ieder geval de door haar betaalde borg ad € 750,00 in mindering te worden gestrekt.

Voorts stelt Intership dat haar nadien is gebleken dat het stukje grond waarop de extra huur van € 50,00 per maand ziet niet aan [eiser] toebehoorde, maar aan Intership zelf. Nu [eiser] het eigendomsrecht van het stuk grond ontbeert, dient deze vordering afgewezen te worden.

4.2. Ter zake de vorderingen van [eiser] met betrekking tot de vermeende ontbrekende zaken, schade aangericht aan het gehuurde en de opruimingskosten van het terrein beroept Intership zich primair op artikel 6:89 BW. Immers, [eiser] heeft niet binnen bekwame tijd nadat hij de vermeende gebreken heeft ontdekt bij Intership geprotesteerd, nu de overeenkomst reeds per 30 april 2009 is beëindigd en [eiser] niet eerder dan bij brief van 23 juli 2009 heeft geprotesteerd.

Het standpunt van Intership in reconventie

4.3. Intership vordert in reconventie de navolgende bedragen:

1. € 750,00 ter zake betaalde borg;

2. € 9.500,00 ter zake ontvreemding van twee boten;

3. € 10.150,00 ter zake onrechtvaardige verrijking als gevolg van aanleggen tweetal steigers;

4. € 1.350,00 ter zake onverschuldigde betaling als gevolg van het niet hebben van het eigendomsrecht op het stuk grond dat [eiser] aan Intership verhuurde voor € 50,00 per maand;

5. € 800,00 ter zake liggeld van een schip;

6. € 5.000,00 ter zake onrechtmatig vernietigen van waterfietsmallen;

7. € 337,50 ter zake het rooien van een boom;

8. € 2.000,00 ter zake plaatsen stalen damwandplaten tegen loods ter verhelping lekkage;

9. € 3.500,00 ter zake door [eiser] van Intership afgetapte stroom;

10. € 3.500,00 ter zake afvoeren van een bootmal;

11. € 1.500,00 ter zake dakreparatie en het aanbrengen van goten op de kleine loods;

12. € 160,00 ter zake schoonmaken CV c.a.;

13. € 1.000,00 ter zake aanleggen drainage in de tuin van [eiser];

14. € 2.500,00 ter zake ontvreemding voorraden, elektrisch apparatuur, meubilair en overige door [eiser] of zijn huurders;

15. € 5.000,00 ter zake overige schade door nalatigheid [eiser];

16. € 500,00 ter zake een stalen schouw;

17. € 4.462,50 ter zake het in opdracht van [eiser] plaatsen van een hek;

18. € 6.760,00 ter zake walbeschoeiing;

19. € 150,00 ter zake stalen garagedeur;

20. € 1.000,00 ter zake vervangen deuren in de winkel;

21. € 9.532,30 ter zake btw.

Het standpunt van [gedaagde sub 2] in conventie

5. [gedaagde sub 2] stelt zich op het standpunt dat de vorderingen jegens hem afgewezen dienen te worden en hij voert daartoe het volgende aan.

[gedaagde sub 2] betwist dat hij ingestemd heeft met het feit dat hij in privé aansprakelijk zou zijn voor enige verplichting voortvloeiende uit de huurovereenkomst. De door [eiser] overgelegde huurovereenkomst van april 2006, waarbij de initialen [initialen vader van gedaagde sub 2] zijn vervangen in die van [gedaagde sub 2], te weten [initialen gedaagde sub 2]., is [gedaagde sub 2] onbekend. [gedaagde sub 2] legt een exemplaar van de overeenkomst over waarbij de initialen niet zijn veranderd.

Voorts voert [gedaagde sub 2] aan dat hij pas sinds 1 april 2009 als directeur in dienst is getreden bij Intership, terwijl de huurovereenkomst van april 2006 dateert.

Tot slot stelt [gedaagde sub 2] dat [eiser] verzuimd heeft hem in zijn hoedanigheid van eigenaar te dagvaarden.

De beoordeling van het geschil

In conventie

De vorderingen jegens [gedaagde sub 2]

6. Anders dan [gedaagde sub 2] is de kantonrechter niet van oordeel dat de vorderingen jegens [gedaagde sub 2] afgewezen dienen te worden om redenen zoals door [gedaagde sub 2] gesteld en hij overweegt daartoe het volgende.

[eiser] en [gedaagde sub 2] hebben beiden een door hen in mei 2006 ondertekende huurovereenkomst overgelegd. In beide overgelegde contracten staat dat de eigenaar van Intership, de heer [vader gedaagde sub 2], tegenover [eiser] aansprakelijk is voor al hetgeen Intership aan [eiser] verschuldigd zal zijn. In de door [eiser] overgelegde versie zijn, in tegenstelling tot die van [gedaagde sub 2], de initialen van [initialen vader van gedaagde sub 2] veranderd in die [gedaagde sub 2], te weten [initialen gedaagde sub 2]. [gedaagde sub 2] heeft niet betwist dat zijn vader, [vader gedaagde sub 2], voorafgaand aan de in mei 2006 gesloten huurovereenkomst, eveneens een overeenkomst met [eiser] ter zake het gehuurde had gesloten en wel in mei 2003. In de in mei 2003 gesloten huurovereenkomst is dezelfde bepaling opgenomen. Het feit dat in de door [gedaagde sub 2] in mei 2006 ondertekende huurovereenkomst de initialen - anders dan handmatig - niet zijn veranderd, acht de kantonrechter een kennelijke omissie. Dat [gedaagde sub 2] naar eigen zeggen niet eerder dan 1 april 2009 als eigenaar van Intership aangemerkt dient te worden, acht de kantonrechter niet relevant nu [gedaagde sub 2] zelf heeft gesteld de in mei 2006 opgemaakte huurovereenkomst te hebben ondertekend. Daarmee is naar het oordeel van de kantonrechter vast komen te staan dat [gedaagde sub 2] ingestemd heeft met de bepaling dat hij aansprakelijk zal zijn voor al hetgeen Intership aan [eiser] verschuldigd zal zijn. Daarmee dient het verweer van [gedaagde sub 2] dat [eiser] heeft verzuimd heeft hem in zijn hoedanigheid van eigenaar te dagvaarden te falen.

Achterstallige huur

7. Vast is komen te staan dat bij de beëindiging van de huurovereenkomst de huur over de maanden februari, maart en april 2009, met een totaalbedrag van € 6.246,60, nog niet voldaan was. Tevens is vaststaand dat hierop door de onderhuurders van Intership een bedrag van € 2.604,50 in mindering is betaald, zodat een bedrag van € 3.642,10 resteert.

Intership meent evenwel dat zij hooguit aansprakelijk gesteld kan worden voor een bedrag van € 2.141,80 ingevolge hetgeen partijen bij beëindigsovereenkomst van 20 april 2009 zijn overeengekomen. Anders dan Intership is de kantonrechter niet van oordeel dat uit voornoemde beëindigsovereenkomst blijkt dat Intership ter zake achterstallige huur niets meer verschuldigd zou zijn aan [eiser], dan wel dat haar huurschuld te niet zou zijn gegaan. Voor zover Intership heeft willen betogen dat er sprake is van een driepartijen contract overweegt de kantonrechter dat daarvan geen sprake kan zijn nu de overeenkomst niet is ondertekend door [A] en [B]. Evenmin kan geconcludeerd worden dat op [A] en [B] wegens overname c.q. voortzetting van de huurrelatie de verplichting rust tot voldoening van de huurachterstand. Voor zover Intership heeft willen betogen dat zij zulks wel overeengekomen is met haar onderhuurders, overweegt de kantonrechter dat dit [eiser] niet regardeert.

De overeenkomst vermeldt duidelijk dat Intership het nog resterende bedrag na betaling van [A] en [B] aan [eiser] zal voldoen. De kantonrechter zal gedaagden dan ook daartoe veroordelen. Nu [eiser] heeft erkend dat op de huurschuld de door Intership betaalde borg ad € 750,00 in mindering gestrekt dient te worden, zal de kantonrechter gedaagden veroordelen tot betaling van een bedrag van € 2.892,10 ter zake achterstallige huur.

Extra huurpenningen

8 Voorts is vaststaand dat [eiser] een stuk grond aan Intership ter beschikking heeft gesteld om uit te graven om zo de reeds door Intership uitgegraven haven op eigen terrein te vergroten en de toegang ertoe te verbeteren. Hiervoor hebben partijen een extra huurovereenkomst gesloten, waarbij werd overeengekomen dat Intership voor dat stuk grond € 50,00 per maand exclusief btw zou betalen. [eiser] heeft onbetwist gesteld dat de betalingsverplichting ook na de beëindiging van de huurovereenkomst op 30 april 2009 is blijven bestaan, omdat het stuk grond ten behoeve van de op dat moment nog aan Intership toebehorende jachthaven, geen deel uitmaakte van de tussen partijen in april 2009 beëindigde huurovereenkomst. Intership heeft de haven per 1 mei 2010 verkocht. [eiser] heeft gesteld dat Intership over de periode van 1 mei 2009 tot 1 mei 2010, zijnde het moment van eigendomsoverdracht van de haven, de huur verschuldigd is. [eiser] heeft bij repliek zijn vordering op dit punt vermeerderd met € 450,00 en vordert in totaal over deze periode een bedrag van € 600,00, exclusief btw. Voorts vordert [eiser] ter zake deze extra overeengekomen huurpenningen een bedrag van € 119,00, zijnde twee maanden inclusief btw, berekend tot februari 2009.

Intership heeft de verschuldigdheid evenwel uitdrukkelijk betwist en zij heeft daartoe gesteld dat haar nadien is gebleken dat het stuk grond waarop de extra huur van € 50,00 per maand zag niet aan [eiser] toebehoorde, maar aan Intership zelf. [eiser] daarentegen heeft onbetwist gesteld dat hij het stuk grond dat hij aan Intership heeft verhuurd reeds meer dan 20 jaar ongestoord in zijn bezit heeft. Met [eiser] is de kantonrechter van oordeel dat voor zover zou blijken dat voornoemd stuk grond volgens de kadastrale gegevens niet aan [eiser] maar aan Intership zou toebehoren, het ingevolge artikel 3:99 BW inmiddels nu wel aan [eiser] is gaan toebehoren. Artikel 3:99 BW bepaalt dat rechten op onder andere registergoederen door een bezitter te goeder trouw verkregen worden door een onafgebroken bezit van tien jaren. Niet gesteld of gebleken is dat [eiser] het stuk grond niet te goeder trouw in zijn bezit zou hebben gehad. Niet geconcludeerd kan dan ook worden dat [eiser] het eigendomsrecht van het stuk grond ontbeert. Nu Intership enkel de verschuldigdheid van de betaling van de extra huur heeft betwist en niet de omvang als zodanig, zal de kantonrechter het gevorderde bedrag van € 719,00 toewijzen.

Nu [eiser] zelf heeft gesteld dat de huur ter zake de extra stuk grond geen onderdeel uitmaakte van de in april 2006 gesloten huurovereenkomst, waarbij [gedaagde sub 2] zich tegenover [eiser] aansprakelijk heeft gesteld voor al hetgeen Intership aan [eiser] verschuldigd zal zijn, en voor het overige niet is gebleken dat [gedaagde sub 2] zich ook voor de huurovereenkomst met betrekking tot het stuk grond ten behoeve van de haven aansprakelijk heeft gesteld, zal enkel Intership worden veroordeeld tot betaling.

Rente

9. De vordering tot betaling van € 179,44 ter zake rente berekend tot 6 augustus 2009 zal de kantonrechter als onvoldoende betwist toewijzen, nu deze hem niet ongegrond voorkomt.

Opgeleverde staat van het gehuurde

10. [eiser] heeft aan zijn in rechtsoverweging 3.2. genoemde vorderingen ten grondslag gelegd dat Intership het gehuurde bij het einde van de overeenkomst niet in dezelfde staat heeft opgeleverd zoals die was bij de aanvang van de huur. Intership heeft de vorderingen betwist en zij heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat [eiser] geen beroep meer kan doen op de vermeende gebreken ingevolge artikel 6:89 BW. Artikel 6:89 BW bepaalt dat de schuldeiser op een gebrek in de prestatie geen beroep meer kan doen, indien hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijze had moeten ontdekken, bij de schuldenaar ter zake heeft geprotesteerd.

In het onderhavige geval is de huur per 30 april 2009 beëindigd. Niet gesteld of gebleken is dat [eiser] eerder dan bij brief van 23 juli 2009 bij Intership heeft geprotesteerd. [eiser] heeft bij conclusie van repliek wel gesteld dat hij bij herhaling heeft getracht om met Intership in contact te komen ter zake de gebreken, maar hij heeft nagelaten aan te tonen wanneer en hoe hij dat heeft gedaan. De kantonrechter zal dan ook aan dit verweer voorbij gaan.

Wat onder bekwame tijd dient te worden verstaan zal afhangen van de omstandigheden van het geval. Met Intership is de kantonrechter van oordeel dat van [eiser] in het onderhavige geval een meer voortvarende afhandeling verwacht had mogen worden. Dit klemt te meer nu [eiser] naast het gehuurde woonachtig is en derhalve direct had kunnen constateren of de door Intership gedane oplevering wel of niet correct was. Voorts speelt bij de overweging mee dat [A] en [B] het gehuurde sinds de beëindiging van de huurovereenkomst in gebruik hebben gehad. Nu de kantonrechter van oordeel is dat [eiser] niet binnen bekwame tijd ter zake de vermeende gebreken bij Intership heeft geprotesteerd, zal hij de vordering tot betaling van de ontbrekende en beschadigde zaken en de opruimingskosten van het terrein afwijzen.

Proceskosten

11. Gedaagden zullen zal als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten.

In reconventie

Absolute competentie

12. Anders dan [eiser] is de kantonrechter van oordeel dat hij bevoegd is kennis te nemen van alle reconventionele vorderingen en hij baseert zich daarbij op artikel 94 Wetboek van Rechtsvordering. In lid 2 van dit artikel is bepaald dat indien een zaak meer vorderingen betreft en tenminste één daarvan een vordering is als bedoeld in artikel 93 onder c of d, waaronder vorderingen uit een huurovereenkomst, deze vorderingen alle door de kantonrechter worden behandeld en beslist, voor zover de samenhang tussen de vorderingen zich tegen afzonderlijke behandeling verzet. In het geval van zaken in conventie en in reconventie, zoals in het onderhavige geval, waarvan er tenminste één een vordering betreft als bedoeld in artikel 93 onder c of d, is het tweede lid van overeenkomstige toepassing. De kantonrechter is van oordeel dat de samenhang zoals die er is in de onderhavige vorderingen zich tegen afzonderlijke behandeling verzet en hij zal dan ook oordelen en beslissen over de vorderingen.

De vorderingen

13. Intership heeft in reconventie een eenentwintigtal posten gevorderd. De kantonrechter oordeelt hierover als volgt.

Borg

13.1. De gevorderde terugbetaling van de borg ad € 750,00 zal worden afgewezen gelet op hetgeen de kantonrechter reeds in rechtsoverweging 7 op dit punt heeft overwogen.

Ontvreemde boten

13.2. Intership heeft betaling gevorderd van € 9.500,00 ter zake ontvreemding van twee boten medio augustus 2007, waarvoor [eiser] aansprakelijk gehouden dient te worden. Intership meent namelijk dat [eiser] toentertijd niets heeft ondernomen om de diefstal te stoppen dan wel te verhinderen. Anders dan Intership is naar het oordeel van de kantonrechter evenwel onvoldoende komen vast te staan dat er sprake is geweest van een diefstal, laat staan één waarvoor [eiser] aansprakelijk kan worden gehouden. Zo heeft Intership zelf toegegeven dat zij heeft nagelaten aangifte te doen van de vermeende diefstal, hetgeen wel in de lijn der verwachtingen had gelegen. De vordering zal dan ook worden afgewezen.

Ongerechtvaardigde verrijking

13.3. Intership heeft gesteld dat [eiser] ongerechtvaardigd is verrijkt nu Intership steigers heeft aangelegd. Met [eiser] is de kantonrechter van oordeel dat indien Intership de mening is toegedaan dat zij [eiser] met de aanleg van de steigers heeft bevoordeeld, zij het aangebrachte had kunnen wegnemen en het gehuurde weer in de oorspronkelijke staat had kunnen opleveren. Door zulks niet te doen en evenmin een vergoeding met [eiser] te zijn overeengekomen, zal de vordering tot betaling van € 10.150,00 ter zake ongerechtvaardigde verrijking worden afgewezen.

Onverschuldigde betaling

13.4. Intership heeft terugbetaling gevorderd van € 1.350,00 ter zake onverschuldigde betaling als gevolg van het niet hebben van het eigendomsrecht van het stuk grond dat [eiser] aan Intership verhuurde voor € 50,00 per maand. Gelet op hetgeen de kantonrechter reeds in rechtsoverweging 8 op dit punt heeft overwogen zal hij deze afwijzen.

Liggeld

13.5. Voorts heeft Intership betaling gevorderd van een bedrag van € 800,00 ter zake liggeld van een schip. Intership heeft evenwel nagelaten de rechtsgrond van de vordering tot betaling van voornoemd bedrag aan te voeren. Gesteld noch gebleken is dat er tussen [eiser] en Intership een overeenkomst heeft bestaan op basis waarvan [eiser] gehouden zou zijn huur te betalen. De kantonrechter zal de vordering dan ook afwijzen.

Waterfietsmallen

13.6. De vordering tot betaling van € 5.000,00 als gevolg van het onrechtmatig vernietigen van waterfietsmallen door [eiser] zal worden afgewezen. Immers, [eiser] heeft Intership bij brief van 23 juli 2009 gesommeerd (al het afval op) het terrein op te ruimen, waarbij hij Intership reeds te kennen heeft gegeven daartoe zelf over te gaan indien Intership daarmee in gebreke zou blijven. Nu is komen vast te staan dat Intership hieraan geen gehoor heeft gegeven, kan zij [eiser] thans niet verwijten dat [eiser] waterfietsmallen onrechtmatig heeft vernietigd.

Rooien

13.7. Intership vordert ter zake het rooien van een boom op het terrein van [eiser] een bedrag van € 337,50 en zij voert daartoe aan dat het rooien noodzakelijk was ter voorkoming van schade. [eiser] heeft die noodzaak evenwel gemotiveerd betwist. [eiser] heeft gesteld dat hij desgevraagd toestemming aan Intership heeft gegeven om een boom te mogen afzagen om zo meer licht op het terrein te verkrijgen. Nu [eiser] de vordering gemotiveerd heeft betwist en Intership voor het overige heeft nagelaten aan te geven wanneer zij de boom heeft (laten) rooien en dat en wanneer zij [eiser] daarvoor aansprakelijk heeft gesteld, zal de kantonrechter de vordering afwijzen.

Damwandplaten

13.8. Hoewel betoogd door Intership is naar het oordeel van de kantonrechter niet komen vast te staan dat de damwandplaten zijn geplaatst ter voorkoming van schade. Sterker nog: [eiser] heeft aangevoerd dat de damwandplaten zijn geplaatst, omdat deze platen beter bij de andere gebouwen pasten. [eiser] heeft de platen geleverd en Intership heeft de platen aangebracht. Indien Intership de mening was toegedaan dat de kosten van het plaatsen van de platen voor rekening van [eiser] dienden te komen, dan had het voor de hand gelegen dat zij [eiser] hiervoor had gefactureerd. Niet gesteld of gebleken is dat Intership zulks heeft gedaan. De vordering tot betaling van € 2.000,00 ter zake het plaatsen van de stalen damwandplaten zal dan ook worden afgewezen.

Afgetapte stroom

13.9. Intership heeft gesteld dat [eiser] stroom heeft afgetapt van Intership zonder dat hieraan een afspraak ten grondslag lag. Intership vordert dan ook betaling van € 3.500,00 ter zake de door [eiser] van Intership afgetapte stroom nu [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld dan wel ongerechtvaardigd is verrijkt. De kantonrechter zal de vordering evenwel afwijzen nu partijen in artikel 6 van het huurcontract zijn overeengekomen dat de door [eiser] via de elektriciteitsmeter van Intership verbruikte elektriciteit voor rekening van Intership komt.

Afvoeren bootmal

13.10. [eiser] heeft aangevoerd dat Intership de mal op eigen initiatief heeft afgevoerd. Niet gesteld of gebleken is dat partijen over de afvloeiingskosten waren overeengekomen dat deze voor rekening van [eiser] zouden komen. De vordering tot betaling van € 3.500,00 zal dan ook worden afgewezen.

Dakreparatie en aanbrengen dakgoten

13.11. [eiser] heeft betwist dat de goten, waarvan de werkzaamheden in 2003 hebben plaats gehad, in zijn opdracht zijn geplaatst. De kantonrechter oordeelt dat voor zover hij anders zou oordelen, de vordering inmiddels verjaard is. Hij zal de vordering tot betaling van € 1.500,00 ter zake dakreparatie en het aanbrengen van goten op de kleine loods dan ook afwijzen.

Schoonmaken CV

13.12. Ingevolge artikel 7:217 BW zal de vordering tot betaling van € 160,00 ter zake schoonmaken CV c.a. worden afgewezen, nu dit artikel bepaalt dat klein en dagelijks onderhoud voor rekening van de huurder dient te komen. In onderhavig zaak is dat niet anders. Overigens is deze taak middels artikel 7 sub f van het huurcontract expliciet bij de huurder, in casu Intership, neergelegd. De vordering mist dan ook iedere grondslag.

Drainage

13.13. Naar het oordeel van de kantonrechter is onvoldoende komen vast te staan dat [eiser] voordeel heeft (ondervonden) van de werkzaamheden die Intership heeft verricht door het aanleggen van een drainage. De vordering tot betaling van € 1.000,00 zal dientengevolge worden afgewezen.

Ontvreemde zaken

13.14 Evenmin acht de kantonrechter termen aanwezig voor toewijzing van de vordering tot betaling van € 2.500,00 ter zake ontvreemding van voorraden, elektrisch apparatuur, meubilair en overige door [eiser] of zijn huurders. Intership heeft nagelaten aan te tonen welke zaken exact zouden ontbreken en op grond van welke feiten [eiser] daarvoor aansprakelijk zou zijn.

Overige schade

13.15. De kantonrechter zal de vordering tot betaling van € 5.000,00 ter zake overige schade door nalatigheid [eiser] afwijzen, nu Intership heeft nagelaten aan te geven waaruit de schade en de nalatigheid zou bestaan, zodat voor toekenning van de vordering geen grond is.

Stalen schouw

13.16. Hetgeen de kantonrechter reeds ten aanzien van de vordering tot betaling van de onrechtmatig vernietigde waterfietsmallen heeft overwogen, geldt onverkort ten aanzien van de vordering tot betaling van € 500,00 ter zake het onrechtmatig verwijderen van een stalen schouw.

Plaatsing hek

13.17. Dat Intership in opdracht en voor rekening van [eiser] een tweetal hekken zou hebben geplaatst is naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende komen vast te staan. Zo heeft Intership nagelaten aan te tonen dat zij [eiser] hiervoor destijds heeft gefactureerd, wat onder normale omstandigheden van Intership verwacht had mogen worden, indien zij de mening was toegedaan dat er een opdracht aan de verrichte werkzaamheden ten grondslag lag. De kantonrechter zal de vordering tot betaling van € 4.462,50 ter zake het in opdracht van [eiser] plaatsen van hekken dan ook afwijzen.

Walbeschoeiing

13.18. Intership heeft gestel dat zij een walbeschoeiing heeft aangelegd ten behoeve van [eiser]. Niet gesteld of gebleken is dat Intership [eiser] hiervoor destijds heeft gefactureerd, hetgeen wel in de lijn der verwachtingen zou hebben gelegen. [eiser] heeft onbetwist gesteld dat de walbeschoeiing onderdeel uitmaakt van de aan Intership toebehorende haven. Met [eiser] is de kantonrechter van oordeel dat Intership gehouden was een walbeschoeiing aan te brengen ter voorkoming van schade aan het perceel van [eiser] als gevolg van het uitgraven van de haven. De vordering tot betaling van € 6.760,00 zal dan ook worden afgewezen.

Garagedeur

13.19 Intership heeft betaling gevorderd van € 150,00 ter zake een stalen garagedeur, terwijl [eiser] daarvoor een vergoeding van de verzekering heeft verkregen wegens brand. De kantonrechter zal deze vordering evenwel afwijzen nu niet is komen vast te staan waaruit de gevorderde kosten bestaan en dat [eiser] daadwerkelijk hiervoor een uitkering heeft ontvangen. De grondslag van de vordering ontbreekt dan ook.

Vervangen deuren

13.20. [eiser] heeft onbetwist gesteld dat de plaatsing van een nieuwe deur in de winkel niets had te maken met de ouderdom ervan, maar enkel met de wens van Intership om de toegang te vergroten daar Intership een boot in zijn winkel wilde plaatsten. Van ongerechtvaardigde verrijking kan dan ook geen sprake zijn. De vordering tot betaling van € 1.000,00 ter zake het vervangen van deuren zal derhalve worden afgewezen.

Btw

13.21. Nu de kantonrechter alle reconventionele vorderingen op basis waarvan de btw ad

€ 9.532,30 was gebaseerd heeft afgewezen, is voor toekenning van de btw geen ruimte. Hiermee behoeft het standpunt van [eiser] dat over schade geen btw kan worden gevorderd geen bespreking meer.

Proceskosten

14. Intership zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten.

Beslissing

De kantonrechter:

in conventie

veroordeelt Intership en [gedaagde sub 2] hoofdelijk, met dien verstande dat indien de een betaalt de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan [eiser] van een bedrag groot € 3.071,54 (zegge: drieduizend eenenzeventig euro en vierenvijftig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.892,10 vanaf 6 augustus 2009 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt Intership tot betaling aan [eiser] van een bedrag groot € 719,00 (zegge: zevenhonderd negentien euro), te vermeerderen met de wettelijke rente over € 719,00 vanaf

6 augustus 2009 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt Intership en [gedaagde sub 2] hoofdelijk, met dien verstande dat indien de een betaalt de ander zal zijn bevrijd, in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van [eiser] begroot op € 400,00 wegens salaris en op € 281,89 wegens verschotten;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde;

in reconventie

wijst de vorderingen van Intership af;

veroordeelt Intership in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van [eiser] begroot op € 1.200,00 wegens salaris.

Aldus gewezen door mr. P. Schulting, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 november 2010 in tegenwoordigheid van de griffier.

c 151