Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2010:BO3270

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
13-10-2010
Datum publicatie
08-11-2010
Zaaknummer
AWB 10/185
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHLEE:2011:BT2425, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Spreken op uitvaarten valt niet onder de vrijstelling van artikel 11, lid 1, sub h, van de Wet OB; geen schending neutraliteitsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-2618
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht, belastingkamer

procedurenummer: AWB 10/185

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 oktober 2010 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Emmen,

verweerder,

gemachtigde [gemachtigde].

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak 1 januari 2009 tot en met 31 maart 2009 een naheffingsaanslag (aanslagnummer [aanslagnummer].F.01.9501) omzetbelasting ten bedrage van € 1.099 opgelegd.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 5 januari 2010 de naheffingsaanslag gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 25 januari 2010, ontvangen bij de rechtbank op 28 januari 2010, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2010 te Leeuwarden.

Eiseres is daar in persoon verschenen, bijgestaan door [bijstand] en [echtgenoot].

Namens verweerder is verschenen zijn gemachtigde.

Motivering

Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

1.1 De werkzaamheden van eiseres bestaan uit het spreken op uitvaarten. Tijdens de uitvaartplechtigheid, die door een lijkbezorger wordt verzorgd, geeft zij een terugblik op het leven van de overledene.

1.2 Eiseres brengt in het kader van het maken van de toespraak gemiddeld twee keer een bezoek aan de nabestaanden. Aan een opdracht besteedt zij gemiddeld 15 uur.

1.3 In 70 tot 75% van de gevallen is de uitvaartverzorger de opdrachtgever van eiseres. De uitvaartverzorger brengt haar in contact met de nabestaanden van de overledene en met de uitvaartverzorger regelt eiseres de invulling van haar werkzaamheden. Aan de uitvaartverzorger brengt zij een overeengekomen vast bedrag in rekening en zij wordt ook door de uitvaartverzorger betaald. In de overige gevallen is ofwel sprake van een uitvaartverzorger, die eiseres alleen met de klanten in contact brengt of er is sprake van een directe opdracht van de nabestaanden.

1.4 Eiseres heeft begin 2008 een formulier 'Opgaaf Startende Onderneming' bij verweerder ingediend. Op voormeld formulier heeft eiseres haar werkzaamheden omschreven als "spreekster en bureau voor stervensbegeleiding en rouwverwerking".

1.5 Eiseres is sinds 3 januari 2008 in het systeem van verweerder opgenomen als een vrijgestelde ondernemer voor de omzetbelasting en heeft geen aangiftebiljetten omzetbelasting ontvangen.

1.6 Op 26 mei 2009 wordt bij eiseres een boekenonderzoek ingesteld. Onderzocht worden de aanvaardbaarheid van de aangifte inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet 2007 en de aangiften omzetbelasting over de jaren 2007 en 2008.

1.7 Het rapport van voormeld boekenonderzoek is van 8 februari 2010. Hierin kondigt verweerder aan over de jaren 2007 en 2008 naheffingsaanslagen omzetbelasting te zullen gaan opleggen.

1.8 Met ingang van het jaar 2009 stuurt verweerder aan eiseres aangiftebiljetten omzetbelasting.

Geschil

2.1 Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de door eiseres verrichte dienst onder de vrijstelling van artikel 11, eerste lid, onderdeel h, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB) valt.

2.2 Eiseres beantwoordt de onder 2.1 genoemde vraag bevestigend. Zij voert daartoe - kort gezegd - primair aan dat de door haar verrichte dienst kwalificeert als een dienst verricht door lijkbezorgers als bedoeld in het onder 2.1 genoemde wetsartikel. Subsidiair voert zij - kort gezegd - aan dat de door haar verrichte dienst onder de onder 2.1 genoemde vrijstelling valt op basis van het neutraliteitsbeginsel. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van haar beroep en vernietiging van de onderhavige naheffingsaanslag.

2.3 Verweerder beantwoordt de onder 2.1 genoemde vraag ontkennend. Hij voert daartoe - kort gezegd - aan dat de door eiseres verrichte dienst niet kwalificeert als een dienst verricht door lijkbezorgers als bedoeld in het onder 2.1 genoemde wetsartikel en dat geen sprake is van gelijke of vergelijkbare gevallen, waardoor van schending van het neutraliteitsbeginsel geen sprake kan zijn. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep van eiseres.

2.4 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

Beoordeling van het geschil

3.1 Op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel h, van de Wet OB zijn van belasting vrijgesteld de diensten verricht door lijkbezorgers.

3.2 Volgens Hoge Raad 27 januari 2006, nr. 40.403, onder meer gepubliceerd in VN 2006/11.26, en Hoge Raad 27 januari 2006, nr. 40.750, onder meer gepubliceerd in VN 2006/11.27 is het antwoord op de vraag of een bepaalde dienst op basis van artikel 11, eerste lid, onderdeel h, van de Wet OB kan worden vrijgesteld niet afhankelijk van de hoedanigheid van de dienstverrichter, maar van het karakter van de verrichte dienst in die zin, dat slechts kunnen worden vrijgesteld diensten die kenmerkend en essentieel zijn voor de diensten die door een lijkbezorger of crematorium worden verricht.

3.3 Naar het oordeel van de rechtbank kunnen onder andere de volgende diensten als kenmerkende en essentiële diensten van een lijkbezorger worden aangemerkt:

- de verzorging en opbaring van het lichaam van de overledene;

- de verzorging van de uitvaartplechtigheid;

- de teraardebestelling of crematie (inclusief de asverstrooiing).

3.4 De rechtbank overweegt dat eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat er uitvaartverzorgers zijn die het spreken op uitvaarten als dienst aanbieden, als onderdeel van de andere door hen verrichte werkzaamheden, zoals bedoeld onder 3.3. Dat brengt naar het oordeel van de rechtbank nog niet met zich mee dat het spreken op uitvaarten op zichzelf beschouwd als kenmerkend en essentieel is aan te merken voor diensten die door een lijkbezorger of crematorium worden verricht.

3.5 Voorts overweegt de rechtbank dat er ook uitvaarten zijn waar geen professionele spreker een dienst als die van eiseres verricht. Dit omdat bijvoorbeeld een familielid of vriend van de overledene een toespraak houdt, of een geestelijke. Ook komt het voor dat er tijdens een uitvaart door niemand een dergelijke toespraak gehouden wordt. Dit alles maakt dat de rechtbank van oordeel is dat de dienst zoals verricht door eiseres niet kenmerkend en essentieel is voor de diensten die door een lijkbezorger of crematorium worden verricht. Het gelijk op dit punt is daarom aan de zijde van verweerder.

3.6 Voor wat betreft het subsidiaire standpunt van eiseres (zie 2.2) overweegt de rechtbank als volgt. Het neutraliteitsbeginsel brengt mee dat concurrerende ondernemers, die soortgelijke activiteiten verrichten, niet verschillend mogen worden behandeld. Dit roept de vraag op welke groep belastingplichtigen soortgelijke activiteiten verrichten. Eiseres verwijst in dat kader naar uitvaartverzorgers, die volgens haar een gelijke dienst aanbieden.

3.7 Op basis van HvJ EG 21 februari 2008, zaak C-425/06 (Part Service), zoals onder meer gepubliceerd in VN 2008/11.17, punten 50 tot en met 53 en de daar aangehaalde rechtspraak overweegt de rechtbank, dat normaal gesproken elke prestatie als onderscheiden en zelfstandig moeten worden beschouwd. Echter, in bepaalde omstandigheden dienen verschillende formeel onderscheiden prestaties, die afzonderlijk kunnen worden verricht en zodoende ieder als zodanig tot belastingheffing of tot vrijstelling kunnen leiden, worden beschouwd als één enkele handeling wanneer zij niet zelfstandig zijn. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer blijkt dat één of meer prestaties een hoofdprestatie vormen, terwijl de andere prestatie(s) moet(en) worden beschouwd als een of meer bijkomende prestaties, die het fiscale lot van de hoofdprestatie delen. Een prestatie moet in het bijzonder als bijkomend bij een hoofdprestatie worden beschouwd, wanneer zij voor de klanten geen doel op zich is, maar slechts een middel om de hoofdprestatie van de dienstverlener zo aantrekkelijk mogelijk te maken. Daarnaast kan worden gesproken van één enkele prestatie, wanneer twee of meer elementen of handelingen die de belastingplichtige levert of verricht, zo nauw met elkaar verbonden zijn dat zij objectief gezien één enkele ondeelbare economische prestatie vormen, waarvan splitsing kunstmatig zou zijn.

3.8 Indien de uitvaartverzorger een dienst verricht zoals die van eiseres, dan zal dit naar het oordeel van de rechtbank geen zelfstandige prestatie vormen. Voor de uitvaartverzorger zal het houden van een toespraak opgaan in de hoofdprestatie, het organiseren van de uitvaart. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van gelijke of vergelijkbare gevallen tussen de dienst van eiseres en de diensten van uitvaartverzorgers. Nu geen sprake is van soortgelijke activiteiten kan van schending van het neutraliteitsbeginsel geen sprake zijn. Ook op dit punt is het gelijk daarom aan de zijde van verweerder.

3.9 Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. A.F. Germs-de Goede, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.J.S. Verbeek-van der Kroft, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2010.

w.g. A.J.S. Verbeek-van der Kroft

w.g. A.F. Germs-de Goede

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 1704, 8901 CA Leeuwarden.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.