Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2010:BO3194

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
22-07-2010
Datum publicatie
08-11-2010
Zaaknummer
AWB 07/829
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ9826, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid; artikel 36 Inv,; kennelijk onbehoorlijk bestuur; causaal verband kennelijk onbehoorlijk bestuur en niet betalen belastingschuld

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2010/64.2.3
FutD 2010-2578
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht, belastingkamer

procedurenummer: AWB 07/829

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 juli 2010 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde [gemachtigde],

en

de ontvanger van de Belastingdienst/Noord/kantoor Heerenveen,

verweerder,

gemachtigde [gemachtigde]

Procesverloop

Verweerder heeft eiseres bij beschikking met dagtekening 27 september 2006 tot een bedrag van € 42.117,06 aansprakelijk gesteld voor niet betaalde aanslagen loon- en omzetbelasting, opgelegd aan [X] B.V. ([X] BV).

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 27 februari 2007 de beschikking gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 4 april 2007, ontvangen bij de rechtbank op 5 april 2007, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft voor de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2010 te Leeuwarden.

Eiseres is daar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Namens verweerder is verschenen zijn gemachtigde, bijgestaan door [bijstand].

Partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan elkaar.

Ter zitting is gelijktijdig met deze zaak behandeld de zaak van de echtgenoot van eiseres met het kenmerk AWB 07/831.

Van het ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

Motivering

Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

1.1 Eiseres en haar echtgenoot, [echtgenoot], zijn onder huwelijkse voorwaarden gehuwd. Elke gemeenschap van goederen is uitgesloten.

1.2 Voor 31 december 1999 dreven zowel eiseres als haar echtgenoot een eenmanszaak. De eenmanszaak van de echtgenoot van eiseres omvatte de reparatie van scheepsmotoren. De eenmanszaak van eiseres, [eenmanszaak], omvatte de bemiddeling bij de handel in onderdelen van scheepsmotoren.

1.3 Eiseres heeft op 31 december 1999 [X] BV opgericht.

1.4 Eiseres is 100% aandeelhouder en formeel bestuurder van [X] BV. In 2001 ontving zij een bruto jaarsalaris uit [X] BV van € 42.609. In 2002 ontving zij over het eerste half jaar een bruto jaarsalaris uit [X] BV van € 19.058.

1.5 Volgens de statuten van [X] BV luidt haar doelomschrijving:

- reparatie, revisie, in- en verkoop van scheepsdieselmotoren en hulpwerktuigen alsmede het verlenen van service;

- dienstverlening aan bedrijven in de scheepvaart;

- sierviskwekerij, in- en verkoop en leveren van kweeksystemen met bijbehorende artikelen;

- het verrichten van al hetgeen met het vorenstaande verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn.

1.6 Eiseres stelt dat bij oprichting van [X] BV de eenmanszaak van haar echtgenoot (zie 1.2) niet is ingebracht. Deze eenmanszaak is volgens eiseres blijven bestaan. Voormelde eenmanszaak heeft na oprichting van [X] BV geen aangiften omzetbelasting gedaan.

1.7 [X] BV huurde een loods in [plaats] van [verhuurder].

1.8 [X] BV is op 22 juli 2002 failliet verklaard, met achterlating van belastingschulden van in totaal € 45.171. Het faillissement is wegens toestand van de boedel op 5 oktober 2004 opgeheven. [X] BV is daarna ontbonden.

1.9 Voorafgaand aan het faillissement van [X] BV bevonden zich enkele voorraden in de onder 1.7 genoemde loods. Na het faillissement waren deze voorraden verdwenen. In het faillissementsverslag van het vierde kwartaal van 2002 schrijft de curator - voor zover hier van belang - het volgende:

"Volgens [echtgenoot] had de onderneming nauwelijks gereedschappen, omdat op locatie, aan boord van de betreffende schepen, alleen wat montage en demontagewerkzaamheden werden verricht en de vervangen en te reviseren onderdelen extern werden gereviseerd. Volgens [echtgenoot] werd vanwege vorenstaande werkwijze ook geen voorraad gehouden. Als de onderneming voor een specifieke klus onderdelen benodigde, dan werden die ten behoeve van deze klus ingekocht. In het verleden is volgens zijn mededeling wel voorraad gehouden, maar is deze langzamerhand verbruikt waarna er geen financiële middelen waren om nieuwe voorraad aan te houden. […] Er zijn enige concept jaarstukken betreffende 2001 overhandigd. Volgens deze jaarstukken zou er nog wel sprake geweest moeten zijn van voorraad en gereedschappen. Volgens [echtgenoot] is dit alles echter ook al in 2000 verkocht of verbruikt en had dit nog in het definitieve jaarrapport verwerkt moeten worden."

In het faillissementsverslag van het derde kwartaal van 2003 schrijft de curator - voor zover hier van belang - het volgende:

"Voorraad en inventaris waren aan [pand] verpand. Bij het uitspreken van het faillissement heb ik daarvan niet veel meer aangetroffen. Blijkens de boekhouding had er toch nog wel substantiële voorraad moeten zijn."

In zijn eindverslag schrijft de curator - voor zover hier van belang - het volgende:

"Blijkens de uiteindelijk verstrekte administratie waren er wel gereedschappen en onderdelenvoorraden geweest. Volgens [echtgenoot], wat overigens ook bleek uit de administratie, waren deze toch al geruime tijd vóór het faillissement verkocht aan derden en aan hemzelf, in het laatste geval onder verrekening met vorderingen zijnerzijds op de gefailleerde, terwijl ook deels blijkens de administratie daadwerkelijk was betaald en/of alreeds eigendom van [echtgenoot] was, maar slechts werd gebruikt door de gefailleerde."

In het beroepschrift en ter zitting stelt eiseres dat de verhuurder van de loods in [plaats], [verhuurder], eigenmachtig voorraden heeft afgevoerd en verkocht in verband met de huurachterstanden.

1.10 Verweerder heeft bij [X] BV een onderzoek laten uitvoeren naar de aansprakelijkheid van de bestuurders. Van dit onderzoek is een rapport opgemaakt met dagtekening 19 mei 2006.

1.11 De boekhouding van [X] BV betrof een doos met mappen met daarin facturen van de jaren 1999, 2000 en 2001, bankafschriften van de jaren 1999, 2000, 2001 en 2002 en een kasboek. Het kasboek kende geen saldo en de boekingen zijn niet volledig noch chronologisch. Dagboeken, grootboeken en kolommenbalansen ontbraken net als een overzicht van de omzet en de kosten.

1.12 Van 12 april 2002 tot 22 april 2002 wordt in het totaal € 6.863 overgeschreven van rekeningnummer [rekeningnummer], een bankrekening van [X] BV, naar de privé-rekening van eiseres.

1.13 Op 23 april 2002 wordt van de onder 1.12 genoemde bankrekening van [X] BV € 3.000 contant opgenomen.

1.14 In mei 2002 wordt van de onder 1.12 genoemde bankrekening van [X] BV € 7.800 contant opgenomen. Hiervan is geen melding gemaakt in het kasboek.

1.15 Van bankrekeningnummer [rekeningnummer], tevens een bankrekening van [X] BV, wordt op 8 mei 2002 € 700 contant opgenomen.

1.16 Eiseres stelt dat de onder 1.13 tot en met 1.15 genoemde opnames van contanten zijn verricht om het personeel te betalen. Eiseres heeft kopieën overgelegd van ontvangstbewijzen, ondertekend door diverse personeelsleden. Het totale bedrag van de op de ontvangstbewijzen genoemde bedragen is € 10.205,87. De omschrijvingen op de voormelde kopieën luidden afwisselend "vakantietoeslag + overwerk", "loon […]", "vakantiegeld", "voorschot vakantiegeld" en "voorschot reiskosten". Twee van voormelde kopieën bevatten geen omschrijving.

1.17 [X] BV heeft geen jaarstukken gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel.

1.18 [X] BV heeft geen aangiften vennootschapsbelasting gedaan.

1.19 [X] BV heeft wel aangiften loonbelasting gedaan doch niet de verschuldigde loonheffingen ten bedrage van € 23.530 afgedragen.

1.20 [X] BV heeft aan haar gefactureerde omzetbelasting in aftrek gebracht, doch deze niet afgedragen. Het totale bedrag van de door [X] BV verschuldigde omzetbelasting bedraagt € 18.587 (inclusief € 2.067 aan heffingsrente).

1.21 Op 17 februari 2006 heeft [opsporingsfunctionaris], opsporingsfunctionaris in dienst bij het UWV, [ex-werknemer 1], een voormalige werknemer van [X] BV, verhoord. Van dit verhoor is door deze opsporingsfunctionaris op dezelfde datum op ambtseed een proces-verbaal opgemaakt. In dit proces-verbaal staat - voor zover hier van belang - het volgende vermeld:

"Voor de datum van faillissement is het bedrijf nog verhuisd naar een locatie in [plaats 2]. Dat was vlak voor het faillissement, volgens mij in de maand juni 2002. Het hele pand in [plaats] is leeggehaald en alle bruikbare materialen zijn verplaatst naar [plaats 2]. Daar had [echtgenoot] een pand gehuurd en daar zijn alle materialen opgeslagen. […] Ik kwam zo nu en dan in [plaats 2] en hielde de activiteiten van [echtgenoot] daar wat in de gaten. Ik zag dan dat er wel de nodige materialen en onderdelen weg waren. […] Hij heeft inmiddels ook weer een web-site op Internet. De foto's die daar op staan zijn gemaakt in [plaats 2]. We hadden de daarop voorkomende apparatuur al bij [X BV]."

1.22 Op 22 februari 2006 heeft [opsporingsfunctionaris], opsporingsfunctionaris in dienst bij het UWV, [ex-werknemer 2], een voormalige werknemer van [X] BV, verhoord. Van dit verhoor is door deze opsporingsfunctionaris op dezelfde datum op ambtseed een proces-verbaal opgemaakt. In dit proces-verbaal staat - voor zover hier van belang - het volgende vermeld:

"Er was in de loods een voorraad scheepsonderdelen aanwezig. […] Eind juni 2005 moest de inventaris van de loods in [plaats] verhuisd worden naar een nieuw pand in [plaats 2]. […] De grote motoren bleven achter in [plaats] en de dagelijkse onderdelen gingen naar [plaats 2]."

1.23 Verweerder heeft eiseres bij beschikking met dagtekening 27 september 2006 tot een bedrag van € 42.117,06 aansprakelijk gesteld voor de volgende belastingaanslagen opgelegd aan [X] BV:

- aanslagnummer [aanslagnummer]A01.1110

- aanslagnummer [aanslagnummer]A01.1120

- aanslagnummer [aanslagnummer]A01.1500

- aanslagnummer [aanslagnummer]A01.2010

- aanslagnummer [aanslagnummer]A01.2020

- aanslagnummer [aanslagnummer]A01.2030

- aanslagnummer [aanslagnummer]A01.2040

- aanslagnummer [aanslagnummer]A01.2050

- aanslagnummer [aanslagnummer]A01.2060

- aanslagnummer [aanslagnummer]A01.2070

- aanslagnummer [aanslagnummer]F01.2060

- aanslagnummer [aanslagnummer]F01.2070

- aanslagnummer [aanslagnummer]F01.2501

1.24 Tegen de beschikking aansprakelijkstelling is door eiseres bezwaar gemaakt met het verzoek om te worden gehoord, indien verweerder het bezwaarschrift zou willen afwijzen. Er is een hoorgesprek gepland op 24 januari 2007, doch deze afspraak is wegens ziekte van de echtgenoot van eiseres geannuleerd. Eiseres is eveneens niet verschenen op de vervolgens door verweerder geplande hoorzitting van 12 februari 2007. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres verklaard dat eiseres wegens ziekte van haar echtgenoot niet in staat was het hoorgesprek op 12 februari 2007 bij te wonen en dat verweerder eiseres geen rappel heeft gestuurd.

Geschil

2.1 In geschil is het antwoord op de vraag of eiseres terecht aansprakelijk is gesteld voor de niet betaalde belastingaanslagen loon- en omzetbelasting, opgelegd aan [X] BV, ten bedrage van € 42.117,06.

2.2 Eiseres beantwoordt de onder 2.1 vermelde vraag ontkennend en heeft daartoe primair aangevoerd dat van aan haar te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur als bedoeld in artikel 36, derde lid, van de Invorderingswet 1990 (IW) geen sprake is. Subsidiair voert eiseres aan dat het niet betalen van de belastingschuld van [X] BV niet te wijten is aan haar vermeende daden van onbehoorlijk bestuur. Eiseres concludeert primair en subsidiair tot vernietiging van de beschikking aansprakelijkstelling.

2.3 Verweerder beantwoordt de onder 2.1 vermelde vraag bevestigend. Verweerder neemt daartoe het voorwaardelijke standpunt in dat, ingeval de rechtbank in de procedure van de echtgenoot van eiseres met procedurenummer AWB 07/831 (zie Procesverloop) zou oordelen dat de echtgenoot van eiseres niet is aan te merken als iemand, van wie aannemelijk is dat hij het beleid van het lichaam heeft bepaald of mede heeft bepaald als ware hij bestuurder, als bedoeld in artikel 36, vijfde lid, onder c, van de IW, er geen tijdige melding betalingsonmacht heeft plaatsgevonden als bedoeld in artikel 36, tweede en vierde lid, van de IW en dat in dat geval moet worden vermoed dat de niet betaling van de belastingschuld van [X] BV aan eiseres te wijten is. Voorts voert verweerder aan dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur van eiseres als bedoeld in artikel 36, derde lid, van de IW en dat het niet betalen van de belastingschuld van [X] BV te wijten is aan voormeld kennelijk onbehoorlijk bestuur van eiseres. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

2.4 De hoogte van de aansprakelijkstelling is tussen partijen niet in geschil.

2.5 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

Beoordeling van het geschil

3.1 Aangezien de rechtbank in de procedure van de echtgenoot van eiseres met procedurenummer AWB 07/831 heeft geoordeeld dat de echtgenoot van eiseres is aan te merken als iemand, van wie aannemelijk is dat hij het beleid van het lichaam heeft bepaald of mede heeft bepaald als ware hij bestuurder, als bedoeld in artikel 36, vijfde lid, onder c, van de IW, is de geldigheid en tijdigheid van de melding betalingsonmacht als bedoeld in artikel 36, tweede lid, van de IW in de onderhavige procedure niet langer in geschil, zodat het onder 2.3 genoemde voorwaardelijke standpunt van verweerder geen behandeling behoeft.

3.2 De rechtbank overweegt dat de beoordeling omtrent de mogelijke bestuurdersaansprakelijkheid van eiseres dient plaats te vinden binnen het kader van artikel 36, derde lid, van de IW, zodat op verweerder de last rust aannemelijk te maken dat het niet betalen van de in geding zijnde belastingschulden het gevolg is van aan eiseres te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur in de periode van drie jaren, voorafgaand aan het tijdstip van de mededeling.

3.3 Vaststaat dat er sinds de oprichting van [X] BV geen aangiften vennootschapsbelasting zijn gedaan (zie 1.18) en dat de administratie incompleet en niet inzichtelijk was (zie 1.11). Daarbij hecht de rechtbank, gezien de stelling van eiseres dat er kasopnames ten laste van [X] BV hebben plaatsgevonden om personeel contant te betalen, anders dan eiseres, tevens waarde aan het feit dat de kasadministratie niet compleet was. Voorts is vast komen te staan dat er voorraden zijn verdwenen (zie 1.9). Ten aanzien van de verdwijning van deze voorraden heeft noch eiseres noch de echtgenoot van eiseres naar het oordeel van de rechtbank een consistente en overtuigende verklaring gegeven (zie tevens 1.9). Mede gelet op de onder 1.21 en 1.22 vastgestelde feiten acht de rechtbank het aannemelijk dat de voorraden onder verantwoordelijkheid van eiseres aan [X] BV zijn onttrokken. Tevens is vast komen te staan dat er een bedrag van € 18.363 aan [X] BV is onttrokken (zie 1.12 tot en met 1.15). De verklaring van eiseres ten aanzien van deze onttrekking (zie 1.16) is, gezien de gebrekkige (kas)administratie, niet verifieerbaar. Bovendien kunnen de door haar overgelegde ontvangstbewijzen (zie tevens 1.16) slechts een deel van deze onttrekkingen verklaren. Naar aanleiding van voormelde feiten, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van aan eiseres te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur, als bedoeld in artikel 36, derde lid, van de IW. Het gelijk op dit punt is derhalve aan de zijde van verweerder.

3.4 De rechtbank is van oordeel dat uit hetgeen onder 3.3 is overwogen en hetgeen is vermeld onder 1.9 tot en met 1.15, volgt dat eiseres [X] BV in een positie heeft gebracht dat zij de onderhavige belastingschulden niet kon betalen. Daarmee hecht de rechtbank in het bijzonder waarde aan het feit dat er voorraden (zie 1.9, 1.21, 1.22 en 3.3) en een bedrag van € 18.363 (zie 1.12 tot en met 1.15 en 3.3) zijn onttrokken aan het vermogen van [X] BV. Bovendien is eiseres significant tekort geschoten in de zorg die zij als bestuurster draagt voor een afdoende continuïteit en volledigheid van de administratie van de vennootschap (zie 1.11), met als gevolg dat [X] BV het zicht op haar betalingsverplichtingen voor de loon- en omzetbelasting is kwijtgeraakt. Op grond van het geheel van deze, mede in onderling verband en samenhang te beschouwen, aan eiseres verweten gedragingen, acht de rechtbank het aannemelijk dat de belastingschulden waarvoor eiseres aansprakelijk is gesteld, onbetaald zijn gebleven als gevolg van het kennelijk onbehoorlijk bestuur van eiseres (vergelijk Hoge Raad 14 oktober 2005, C04/172HR, zoals onder meer gepubliceerd in VN 2006/34.25). Het gelijk op dit punt is derhalve aan de zijde van verweerder.

3.7 Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. M. van den Bosch, mr. J.W. Keuning en mr. A.F. Germs-de Goede, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.J.S. van der Kroft, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2010.

w.g. A.J.S. van der Kroft

w.g. M. van den Bosch

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 1704, 8901 CA Leeuwarden.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.