Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2010:BO1946

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
11-10-2010
Datum publicatie
27-10-2010
Zaaknummer
08/1127
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Terbeschikkingstelling: Dga verhuurt op 1-1-2001 loodsen met grond aan BV; verhuur stopt in 2003. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat zich tussen 1 januari 2001 en het einde van de tbs per 31 oktober 2003 enige waardevermindering van de loodsen en de grond heeft voorgedaan. Er is dan geen reden om hiervoor enige aftrek in aanmerking te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2011/42.9 met annotatie van Redactie
FutD 2010-2573
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 08/1127

Uitspraakdatum: 11 oktober 2010

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats] FR,

eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord, kantoor Heerenveen,

verweerder.

Eiser wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 7 april 2008 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem over het jaar 2003 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 78.186, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 133.333 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.872 (aanslagnummer: [nummer].H.36).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 september 2010 te Leeuwarden.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde,

drs. [gemachtigde], verbonden aan Fiscount te Zwolle, en ter bijstand vergezeld van [administrateur], administrateur, alsmede namens de inspecteur, [gemachtigden].

1.Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2.Gronden

2.1.Belanghebbende is in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. Belanghebbende had, in elk geval vanaf het jaar 2000, een aanmerkelijk belang in [de BV] BV (hierna: de BV). Belanghebbende verhuurde aan de BV twee loodsen, gelegen op een terrein aan de [adres] te [plaats]. De huur bedroeg aanvankelijk ƒ 5000 (€ 2.269) per jaar. Nog in het jaar 2000 heeft de inspecteur de huur vastgesteld op ƒ 10.000 (€ 4.538). Dat huurbedrag is ook in de jaren 2001 en 2002 gehanteerd. In 2003 is de jaarhuur gesteld op € 6.200. Naast het terrein waarop de loodsen stonden, is de woning van belanghebbende gelegen.

2.2.Met ingang van 2001 is de verhuur aangemerkt als terbeschikkingstelling (verder: tbs) in de zin van artikel 3.92 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en zijn de inkomsten daaruit belast als resultaat uit overige werkzaamheden. Belanghebbende heeft het terrein en de loodsen per 1 januari 2001 geactiveerd op zijn tbs-balans voor € 200.000. Later heeft hij de waardering verminderd tot € 184.500, waarvan € 63.000 voor de loodsen en € 121.500 voor de grond. Ultimo oktober 2003 is de tbs beëindigd.

2.3.Begin 2003 is op het terrein een verkennend bodemonderzoek verricht door [R] BV en is ontdekt dat de ondergrond vervuild was. Eveneens in 2003 is gebleken dat in de loodsen asbest was verwerkt. De omvang van de vervuiling werd duidelijk in 2004 na een volledig onderzoek door Ingenieursbureau [O] BV. Daarbij zijn de saneringskosten geraamd op € 20.800 (excl. BTW) plus meerkosten van € 15.000 (excl. BTW). In september 2003 is een sloopvergunning voor de loodsen aangevraagd. In november 2003 is aangevangen met het slopen van de loodsen.

2.4.Ter zake van de tbs en de beëindiging daarvan heeft belanghebbende het volgende in zijn aangifte inkomstenbelasting over 2003 vermeld:

Bruto-inkomsten tbs € 5.166 (10/12 x € 6.200)

Af:

Taxatiekosten € 403

Sloopkosten loodsen € 9.500

Boekverlies loodsen € 63.000

Waardevermindering grond € 69.043 € 141.946

Resultaat uit overige werkzaamheid negatief € 136.780

2.5.Bij de aanslagregeling is de inspecteur afgeweken van de aangifte en heeft hij met betrekking tot het resultaat uit overige werkzaamheden een correctie aangebracht van € 141.543. Alleen de taxatiekosten zijn in aftrek toegelaten. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is vastgesteld op € 78.186. De aanslag is bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.

2.6.In geschil is de omvang van het resultaat uit tbs bij het einde daarvan.

2.7.Belanghebbende heeft gesteld dat zowel de loodsen als het omliggende terrein aan de BV ter beschikking zijn gesteld en dat het terrein diende als opslagplaats voor onder andere pvc-buizen. Ter zitting heeft belanghebbende toegelicht dat de aard van het bedrijf van de BV met zich meebracht dat er allerlei maten buizen voor grondwaterprojecten beschikbaar moesten zijn en dat die opgeslagen werden op het terrein naast de loodsen. De rechtbank heeft geen reden aan de juistheid van die verklaring te twijfelen. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat zowel de loodsen als het omliggende terrein aan de BV ter beschikking werden gesteld.

2.8.Belanghebbende heeft gesteld dat de inspecteur gebonden is aan de waardering van terrein plus loodsen per 1 januari 2001 op € 184.500. Uit de stukken blijkt dat over de oorspronkelijke waardering op € 200.000 is gecorrespondeerd tussen belanghebbende en de inspecteur. Belanghebbende heeft in dat verband een taxatierapport van Makelaardij [W] van 29 oktober 2003 aan de inspecteur gezonden, waarin de waarde per 1 januari 2001 is getaxeerd op € 184.500. In zijn brief van 12 november 2003 heeft de inspecteur daarop gereageerd en onder meer het volgende geschreven:

“U heeft mij geïnformeerd over de terbeschikkinggestelde vermogensbestanddelen (..) De taxatiewaarde van het terbeschikkinggestelde vermogen is per 1 januari 2001 € 184.500. Ik ben van mening dat de aangegeven zakelijke huurwaarde een te laag bedrag is. Een zakelijke huurprijs heeft een verband met de waarde van het pand (…).”

Naar aanleiding van deze brief is nog gecorrespondeerd over de door belanghebbende aan te geven huur. Uiteindelijk is een huur van € 6.200 door de inspecteur geaccepteerd.

2.9.Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur in de bovengeciteerde brief niet meer gedaan dan het volgen van het standpunt dat belanghebbende had ingenomen met betrekking tot de waarde van het terrein en de loodsen, maar heeft hij die waarde als zodanig niet geaccordeerd. Belanghebbende kan de brief ook redelijkerwijs niet zo hebben begrepen. Van een bewuste standpuntbepaling over de waarde is in de brief geen sprake. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom niet met vrucht een beroep worden gedaan op ter zake van de waarde van de grond en de loodsen per 1 januari 2001in rechte opgewekt vertrouwen.

2.10.Belanghebbende heeft de juistheid van de waarde van € 184.500 ook overigens niet aannemelijk gemaakt. Het taxatierapport vermeldt dat geen onderzoek is gedaan naar eventuele bodemverontreiniging en dat is uitgegaan van schone grond. Uit hetgeen onder 2.3 is vermeld blijkt dat dat uitgangspunt onjuist is. Belanghebbende moet dat overigens ook hebben geweten nu het verkennend onderzoek door Haskoning al begin 2003 heeft plaatsgehad.

2.11.Belanghebbende heeft ter zitting een beroep gedaan op het “WOZ plus 20% besluit”. De rechtbank verstaat dit als een beroep op het goedkeuringsbesluit van de Staatssecretaris van financiën van 9 maart 2001, RTB 2001/947, onder meer gepubliceerd in VN 2001/19.13 (hierna: het Besluit). In het Besluit heeft de Staatssecretaris goedgekeurd dat voor het vaststellen van de waarde in het economische verkeer van onroerende zaken, in het kader van de tbs-regeling, op de openingsbalans per 1 januari 2001 wordt uitgegaan van de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet onroerende zaken vastgestelde waarde met waardepeildatum 1 januari 1999, verhoogd met 20%. De inspecteur heeft echter onweersproken gesteld dat voor de waarde van het terrein met de loodsen geen afzonderlijke WOZ-beschikking is vastgesteld. Wel is er een beschikking per waardepeildatum 1 januari 1999 vastgesteld voor zowel de loodsen met ondergrond als het terrein waarop het woonhuis van belanghebbende staat en dat woonhuis gezamenlijk, maar deze was voor het beoogde doel niet bruikbaar. Naar het oordeel van de rechtbank is het gelijk op dit punt aan de inspecteur. Het Besluit geldt uitsluitend indien de afbakening van het WOZ-object op de WOZ-beschikking overeenkomt met het vermogensbestanddeel dat op de beginbalans gewaardeerd moet worden.

2.12.Belanghebbende heeft gesteld dat de loodsen in het voorjaar 2003 zijn beschadigd door stormschade. Belanghebbende, op wie de bewijslast rust, heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat de stormschade zodanig was dat deze een waardevermindering van de loodsen tot gevolg had. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat in het in 2.8 gememoreerde taxatierapport van [W] niets over schade wordt opgemerkt. In het rapport wordt alleen gesteld dat, volgens belanghebbende, de onderhoudstoestand in 2001 beter was dan in 2003. Bovendien is de verhuur en het gebruik van de loodsen als opslagruimte blijkbaar gewoon voortgezet tot 1 november 2003. Niet is gesteld of gebleken dat verhuur na die datum niet meer mogelijk was.

2.13.De andere waardeverminderende factoren die belanghebbende heeft aangevoerd, zijn de ontdekking, in 2003, van asbest in de loodsen en verontreiniging in de grond. Deze factoren waren op 1 januari 2001 evenzeer aanwezig als eind 2003, bij het einde van de tbs. Niet valt in te zien waarom de aanwezigheid van asbest en grondvervuiling per 1 oktober 2003 een hogere waardedrukkend effect zou hebben dan per 1 januari 2001.

2.14.Al het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat zich tussen 1 januari 2001 en het einde van de tbs enige waardevermindering van de loodsen en de grond heeft voorgedaan. Er is dan geen reden om hiervoor enige aftrek in aanmerking te nemen.

2.15.Het gegeven dat belanghebbende bij de aanvang van de tbs op de openingsbalans geen rekening heeft gehouden met de waardedruk die reeds toen aanwezig was als gevolg van de aanwezigheid van asbest en grondvervuiling, acht de rechtbank niet relevant. Indien er bij de aanvang van de tbs een fout is gemaakt, dient die fout op grond van de foutenleer te worden gecorrigeerd. In dit geval leidt dat ertoe dat voor de bepaling van de jaarwinst 2003 de waarde van grond en loodsen op de beginbalans 2003 moet worden gecorrigeerd. De door belanghebbende toegepaste waardevermindering van de grond kan derhalve niet uitsluitend bij beëindiging van de tbs meegenomen worden.

2.16.Voor wat betreft de sloopkosten ad € 9.500 heeft het volgende te gelden. Belanghebbende heeft gesteld dat deze kosten in mindering moeten komen op het inkomen uit tbs omdat tijdens de tbs tot sloop is besloten. Wat daar ook van zij, feit is dat de sloop pas heeft plaatsgehad na de beëindiging van de tbs. Niet is gesteld of gebleken dat de sloop plaatsvond in het kader van de gezamenlijke bedoeling van belanghebbende en de BV om de loodsen en/of het terrein (weer) in gebruik te geven aan de BV. De sloopkosten zijn dan niet gemaakt in het kader van de tbs en zijn derhalve niet aftrekbaar als kosten van de tbs.

2.17.Uit al het voorgaande volgt dat de inspecteur het resultaat uit overige werkzaamheden op een juist bedrag heeft berekend. Het beroep is ongegrond.

2.18.De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Aldus gedaan door mr. D. Hund, voorzitter, mr. A.F.M.Q. Beukers- van Dooren en

mr. M.L. Weerkamp, rechters, en door de voorzitter en mr. M.D.E. Copra-Carolie, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2010.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 21 oktober 2010

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 1704, 8901 CA Leeuwarden.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.