Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2010:BN6111

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
18-08-2010
Datum publicatie
08-09-2010
Zaaknummer
301965 \ CV EXPL 09-2698
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Onterechte klacht van leerlinge van seksueel misbruik door werkneemster school. School handelt in de afhandeling van deze klacht niet als goed werkgever jegens beschuldigde werknemer. Het onrechtmatig handelen van functionarissen van de school jegens deze werkneemster in dezelfde kwestie wordt toegerekend aan de school als werkgever. School schadeplichtig.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Wet bescherming persoonsgegevens
Wet bescherming persoonsgegevens 35
Wet op het voortgezet onderwijs
Wet op het voortgezet onderwijs 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2010/243
JA 2010/143
AR-Updates.nl 2010-0719
Prg. 2010/232
JAR 2010/243

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector kanton

Locatie Sneek

zaak-/rolnummer: 301965 \ CV EXPL 09-2698

vonnis van de kantonrechter d.d. 18 augustus 2010

inzake

[eiseres],

hierna te noemen: [eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde: mr. J. Werle,

tegen

1. De stichting Stichting voor Christelijk Voortgezet Onderwijs Zuid-West Fryslan,

hierna te noemen: de school,

gevestigd te Sneek,

2. [gedaagde sub 2],

hierna te noemen: [gedaagde sub 2],

wonende te Sneek,

3. [gedaagde sub 3],

hierna te noemen: [gedaagde sub 3],

wonende te Leeuwarden,

4. [gedaagde sub 4],

hierna te noemen: [gedaagde sub 4],

wonende te Appelscha,

5. [gedaagde sub 5],

hierna te noemen: [gedaagde sub 5],

wonende te Balk,

gedaagden,

gemachtigde: mr. K.M. Volker.

Procesverloop

1.1. Op de bij dagvaarding (met 64 producties) vermelde gronden heeft [eiseres] gevorderd om:

A. voor recht te verklaren dat de school in 2004/2005, ter zake van (de behandeling en afhandeling door de school van) het gegrond vermoeden van structurele mishandeling van [leerlinge] (hierna verder te noemen: de leerlinge, ktr.) door haar ouders, als slecht werkgever jegens [eiseres] heeft gehandeld en haar zorgplicht ex artikel 7:658 lid 1 BW jegens [eiseres] (en de twee genoemde collega's van [eiseres]) heeft geschonden, en/of ter zake onrechtmatig heeft gehandeld;

B. voor recht te verklaren dat de school zich zowel in de periode vanaf begin 2007 tot 26 februari 2009, alsook in de periode nadien, als een slecht werkgever, in strijd met haar zorgplicht ex artikel 7:658 lid 1 BW en onrechtmatig -onder meer in strijd met de Wet Bestrijding van seksueel misbruik en seksuele intimidatie in het onderwijs (1999) en de Wet Kwaliteitszorg (1998)- jegens haar werkneemster [eiseres] heeft gedragen en mitsdien volledig schadeplichtig is jegens [eiseres];

C. voor recht te verklaren dat [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 3], [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] -toerekenbaar- onrechtmatig jegens [eiseres] hebben gehandeld, in het geval van [gedaagde sub 2] bovendien waar het betreft de hiervoor sub A genoemde kwestie, en dientengevolge aansprakelijk en schadeplichtig zijn jegens [eiseres], en hen deswege te veroordelen om aan [eiseres] publiekelijk, door de rechtbank te bepalen, excuses ter zake aan te bieden en aan [eiseres] een (immateriële) schadevergoeding te betalen, door de rechtbank in goede justitie ex aequo et bono te bepalen;

D. de school te veroordelen/gebieden om de melding/klacht van de leerlinge en/of haar ouders publiekelijk als kennelijk ongegrond en op valse gronden ingediend te verklaren, vergezeld van de publiekelijke excuses aan [eiseres] en de publiekelijke mededeling dat de aan [eiseres] door de leerlinge verweten gedragingen (eventueel: met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid) nimmer daadwerkelijk hebben plaatsgevonden en -dan ook- zijn verzonnen door de leerlinge, met aanbieding aan [eiseres], in goed overleg met [eiseres], van een passend rehabilitatietraject, waaronder begrepen schadeloosstelling van [eiseres] en het -alsnog- treffen van passende maatregelen tegen de leerlinge en haar ouders ter zake, alsook tegen de functionarissen van de school, onder wie [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 3], [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5]. Al het voorgaande op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van

€ 25.000,00 per geconstateerde overtreding, alsmede van € 5.000,00 voor iedere dag of ieder gedeelte van een dag dat een dergelijke overtreding mocht voortduren;

E. de school te veroordelen om binnen 48 uur na betekening van het te dezen te wijzen vonnis aan [eiseres] te verstrekken het overzicht als bedoeld in artikel 35 Wet bescherming persoonsgegevens (WBP), alsook het volledige rapport van GIMD, zulks op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 25.000,00 per geconstateerde overtreding, alsmede van € 5.000,00 voor iedere dag of ieder gedeelte van een dag, dat een dergelijke overtreding mocht voortduren;

F. de school te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [eiseres]:

• de kosten van rechtsbijstand aan de zijde van [eiseres] ad € 63.821,79, inclusief (niet voor [eiseres] als particulier verrekenbare) BTW en kantoorkosten, sedert 26 februari 2009 tot en met 26 november 2009, alsmede de kosten nadien, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

• een immateriële schadevergoeding ter zake van schending door de school van haar zorgplicht jegens [eiseres] ex artikel 7:658 lid 1 BW, en/of ter zake van slecht werkgeverschap en/of onrechtmatig handelen, mede bestaande in het structureel niet (doen) naleven van voornoemde wettelijke regelingen ter zake, daaronder begrepen de fouten van de ondergeschikten van de school, en/of ter zake van schending van de WBP en/of Arbeidsomstandighedenwet en/of de Wet Kwaliteitszorg (1998) en/of de Wet Bestrijding van seksueel misbruik en seksuele intimidatie in het onderwijs (1999) en/of Wijziging Wet op het Onderwijstoezicht (2002) en/of anderszins, ad (voorshands) € 250.000,00, gerekend tot en met 26 november 2009, te vermeerderen met vergoeding van schade nadien geleden, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

• overige (materiële) schadevergoeding, ad € 2.350,00, gerekend tot en met 26 november 2009, voor wat betreft de periode nadien nader op te maken bij staat en te vereffenen volgend de wet, alles te vermeerderen met de wettelijke rente over voornoemde schadebedragen sedert april 2007, subsidiair 26 februari 2009, meer subsidiair de dag dezer dagvaarding, tot de algehele voldoening;

G. de school en [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 3], [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] hoofdelijk te veroordelen in de kosten van het geding;

alsmede heeft [eiseres] gevorderd om bij wijze van voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 223 Rv:

H. de school te veroordelen om binnen 48 uur na betekening van het te dezen te wijzen vonnis aan [eiseres] te verstrekken het overzicht als bedoeld in artikel 35 WBP (inclusief alle documentatie, beweerdelijk foto's, e-mails, waaronder die van 14 mei 2007, in digitale vorm etc. ter zake), alsook het volledige rapport van GIMD, zulks op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 25.000,00 per geconstateerde overtreding, alsmede van

€ 5.000,00 voor iedere dag of ieder gedeelte van een dag, dat een dergelijke overtreding mocht voortduren;

I. de school te veroordelen om binnen 48 uur na betekening van het te wijzen vonnis aan [eiseres] een voorschot onder algemene titel te voldoen, dan wel door haar verzekeraar aan [eiseres] te laten voldoen, ad € 75.000,00;

J. de school te veroordelen in de kosten van dit (provisionele) geding.

1.2. [eiseres] heeft een akte van rectificatie genomen, waarbij zij tevens een nadere productie (nr. 65) in het geding heeft gebracht.

1.3. Gedaagden hebben bij conclusie van antwoord (met drie producties) de vorderingen betwist.

1.4. In de conclusie van antwoord hebben gedaagden ook een exceptie van onbevoegdheid opgeworden. [eiseres] heeft in het bevoegdheidsincident geantwoord. Vervolgens heeft de kantonrechter bij vonnis van 3 februari 2010 de incidentele vordering van gedaagden afgewezen, met veroordeling van gedaagden in de kosten van het incident.

1.5. Bij tussenvonnis van 17 februari 2010 is door de kantonrechter een comparitie (na antwoord) van partijen bevolen. Deze comparitie is gehouden op 22 maart 2010. Hiervan is door de griffier een proces-verbaal opgemaakt. Nadien is aan dit proces-verbaal gehecht een brief van mr. Volker d.d. 26 januari 2010, inhoudende een verzoek om een bepaalde zinsnede uit het proces-verbaal te verwijderen. Dit verzoek is door de kantonrechter afgewezen.

Ten behoeve van de comparitie heeft mr. Werle namens [eiseres] bij brief van 17 maart 2010 vier aanvullende producties (genummerd 66 t/m 96) in het geding gebracht.

1.5.1. Ter gelegenheid van de gehouden comparitie van partijen zijn de volgende afspraken gemaakt:

a. mr. Werle bericht op korte termijn of het voorlopig getuigenverhoor moet worden aangehouden;

b. de zaak wordt aangehouden tot uiterlijk 1 mei 2010 voor schikkingsonderhandelingen;

c. partijen geven uiterlijk 1 mei 2010 te kennen of zij een voortzetting van de procedure wensen.

1.6. In het kader van een door [eiseres] verzocht voorlopig getuigenverhoor zijn door de kantonrechter op 30 maart 2010 vier getuigen gehoord. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt. Het voorlopig getuigenverhoor is verder aangehouden voor beraad voortzetting ervan.

1.7. Gedaagden hebben op 1 mei 2010 een akte overlegging productie genomen.

1.8. [eiseres] heeft op 30 juni 2010 een antwoordakte genomen.

1.9. Vervolgens is vonnis bepaald.

Motivering

De vaststaande feiten

Als gesteld en erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de in zoverre onbetwiste inhoud van de overgelegde producties, staat tussen partijen het volgende vast.

2.1. [eiseres] is sinds [datum] bij de school in dienst krachtens een arbeidsovereenkomst, in de functie van [functie]. [eiseres] is in haar functie werkzaam op de locatie Christelijke Scholen Gemeenschap Bogerman te Sneek.

2.2. [eiseres] heeft eind 2004 als teamleider, in overleg met de schoolarts en samen met [persoon] (als vertrouwensdocent) en [persoon] (als mentor) bij het AMK Friesland melding gedaan van een ernstig vermoeden van structurele mishandeling van de leerlinge door haar ouders.

2.3. [eiseres] heef in de dagvaarding een uitvoerige beschrijving gegeven van de gebeurtenissen die hebben geleid tot de onderhavige procedure. Gedaagden hebben in de conclusie van antwoord erkend dat de door [eiseres] weergegeven gebeurtenissen in beginsel juist zijn, behalve voor wat betreft de uiterst subjectieve inkleuring ervan.

Dit levert de navolgende beschrijving op van gebeurtenissen die voor de beoordeling van de zaak als voldoende vaststaand worden aangemerkt.

2.4.1. In en omstreeks april 2007 heeft de leerlinge aan [gedaagde sub 3] in een aantal gesprekken verteld wat haar met [eiseres] was overkomen. [eiseres] zou de leerlinge zeventien maal uit de klas hebben gehaald om in het kantoor van [eiseres] seks met haar te hebben en [eiseres] zou gefaciliteerd hebben dat een onbekende man in dat kantoor seks met de leerlinge had, terwijl [eiseres] daarvan foto's maakte.

[gedaagde sub 3] is werkzaam bij de school in de functie van leraar met als bijzondere taak zorgcoördinator.

In mei 2007 heeft [gedaagde sub 3] van de leerlinge een mailtje ontvangen met als bijlage een mailtje van 14 mei 2007 dat afkomstig zou zijn van [eiseres] en dat gericht was aan de leerlinge. Dit laatste mailtje noemt als afzender [eiseres] en bevat de volgende tekst:

Hallo [leerlinge]

Ik had je de vorige keer al gemaild dat ik nog niet met je uitgepraat was.

[leerlinge] ik ben heel boos op je.

Ik heb dingen bij jouw gedaan die niet hadden gemogen.

Die zelfs strafbaar zijn. Die man heeft ook dingen bij jouw gedaan die niet hadden gemogen.

Als jij dat doorvertelt aan mensen die jij kent dan kom ik in de problemen.

Het is dan jouw schuld.

Je moet zeker volgende week examen doen.

Dan kom ik nog wel even met je praten want dit kan echt niet hoor [leerlinge].

Jij hebt mij beloofd dat je niks zou doorvertellen.

Dat heb je nu wel gedaan.

[eiseres] [eiseres]

2.4.2. [gedaagde sub 3] heeft samen met de leerlinge in mei 2007 gesproken met [persoon], kinderpsycholoog te [plaats]. Ook heeft [gedaagde sub 3] het hierboven geciteerde mailtje van 14 mei 2007 laten zien aan de sectordirecteur VMBO bovenbouw [gedaagde sub 5], gedaagde sub 5.

[gedaagde sub 3] heeft later over de meldingen van de leerlinge ook gesproken met [gedaagde sub 4], vertrouwensdocent voor bovenbouw HAVO/VWO bij Bogerman, gedaagde sub 4.

[gedaagde sub 3] heeft omstreeks januari 2008 naar aanleiding van de meldingen van de leerlinge telefonisch overleg gehad met [persoon] van de zedenpolitie te Sneek. Naar aanleiding van een nieuwe melding in januari 2008 van de leerlinge, inhoudende dat zij door een onbekende man buiten de school aangerand/verkracht zou zijn, heeft [gedaagde sub 3] met de leerlinge een huisarts bezocht.

Omstreeks januari 2008 is ook de rector van Bogerman, [gedaagde sub 2], gedaagde sub 2, van de gebeurtenissen op de hoogte gebracht door [gedaagde sub 4].

In maart 2008 hebben [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] de ouders van de leerlinge geïnformeerd. Vervolgens hebben die ouders contact gehad met de politie.

[eiseres] is al deze tijd van de aan haar adres geuite beschuldigingen onwetend gebleven. Evenmin is het bevoegd gezag daarvan in kennis gesteld.

2.4.3. Op 28 januari 2009 is door de ouders van de leerlinge een melding gedaan bij de vertrouwensinspecteur van de Inspectie voor het onderwijs, welke melding inhield dat hun dochter mogelijk slachtoffer is geworden van de handelwijze van [eiseres]. Naar aanleiding van deze melding is het College van Bestuur van de school, hierna: het CvB, voor het eerst op de hoogte gesteld van de gebeurtenissen. Met de vertrouwensinspecteur is de afspraak gemaakt dat de directie van de school na de voorjaarsvakantie met [eiseres] in gesprek zal gaan over de melding. Vervolgens is [eiseres] op 24 februari 2009 door de sectordirecteur [persoon] telefonisch uitgenodigd om op 26 februari 2009 om 16.30 uur een gesprek te hebben met hem en de rector in verband met een klacht. Tijdens dat gesprek is [eiseres] voor het eerst geïnformeerd over de door de leerlinge geuite beschuldigingen. Naar aanleiding hiervan heeft [eiseres] zich nog diezelfde dag tot haar gemachtigde gewend. De gemachtigde heeft vervolgens bij brief van 27 februari 2009 gericht aan de voorzitter van het CvB aangedrongen op spoedberaad. Op 2 maart 2009 heeft er een gesprek plaatsgevolgen tussen enerzijds [eiseres] en haar advocaat en anderzijds de (toenmalige) voorzitter van het CvB, [pesoon], en [gedaagde sub 2] (de rector). [eiseres] heeft in dat gesprek gevraagd om het complete dossier aan haar ter hand te stellen, als ook om een chronologisch verslag van alle (telefoon)gesprekken en (e-mail) correspondentie die sedert begin 2007 zijn gevoerd tussen functionarissen van de school en de leerlinge en/of haar ouders en tussen de school en contactpersonen, hulpverleners, de politie en andere derden. In de hierop volgende correspondentie tussen de gemachtigde van [eiseres] en de school is namens [eiseres] ten behoeve van waarheidsvinding aangedrongen op een onderzoek door politie en justitie. Ook is [eiseres] blijven aandringen op overhandiging aan haar van alle informatie en stukken betrekking hebbend op de aan haar adres geuite beschuldiging. Omdat [eiseres] geen informatie van de school ontving heeft zij de school ter zake in kort geding doen dagvaarden. Deze procedure heeft zij later weer ingetrokken.

2.4.4. Naar aanleiding van de melding door de ouders van de leerlinge bij de vertrouwensinspecteur heeft het CvB een onderzoek laten verrichten door een extern bureau. Dit onderzoek is uitgevoerd door GIMD BV, hierna: GIMD, in de periode tussen 18 maart 2009 en 16 april 2009.

Ten behoeve van dit onderzoek is door GIMD op 23 maart 2009 een gespreksprotocol opgesteld waarin zijn opgenomen de navolgende door het CvB geformuleerde onderzoeksvragen:

Het onderzoek zal zich moeten concentreren op 2 niveaus:

1a

Zijn er feiten, gebeurtenissen of omstandigheden aan te wijzen die op een of andere manier aannemelijk maken dat er op Bogerman en met betrokkenheid van [eiseres]. als medewerker van Bogerman ontoelaatbaar grensoverschrijdend gedrag heeft plaatsgevonden in de richting van leerlinge [leerlinge]?

1b

Zijn deze feiten, gebeurtenissen en omstandigheden voldoende overtuigend om het bevoegd gezag te adviseren over te gaan tot het doen van aangifte opdat het eigenlijke proces van waarheidsvinding door justitie kan worden vervolgd? Of -indien dit niet het geval is- welke maatregelen zijn anders wellicht noodzakelijk?

2a

Wat valt er te zeggen over de begeleiding van [leerlinge] in de afgelopen jaren door de school als we letten op de rol van mentoren, leerlingenbegeleiding, vertrouwenspersoon en het volgen van de protocollen bij een ingewikkelde situatie als deze?

2b

Wat valt er te concluderen over de communicatie tussen ouders, school en medewerker sinds de ouders de beslissing namen tot een melding te komen over mogelijk seksueel misbruik van [leerlinge]? Op welke punten had de school slagvaardiger kunnen en mogelijk ook moeten handelen?

[eiseres] heeft dit gespreksprotocol gedateerd 23 maart 2009 voor gezien ondertekend.

De door GIMD opgestelde conceptrapportage van het uitgevoerde onderzoek is op 24 april 2009 doorgesproken met [voorzitter CvB] (voorzitter CvB) en [secretaris CvB] (secretaris CvB). Tijdens deze bespreking zijn twee onderzoeksvragen toegevoegd, te weten:

1aa

Zijn er feiten, gebeurtenissen of omstandigheden aan te wijzen die op een of andere manier aannemelijk maken dat er op Bogerman en met betrokkenheid van [eiseres]. als medewerker van Bogerman geen ontoelaatbaar grensoverschrijdend gedrag heeft plaatsgevonden in de richting van leerlingen [leerlinge]?

1bb

Zijn de feiten, gebeurtenissen of omstandigheden, bedoeld in 1aa, voldoende overtuigend om het bevoegd gezag te adviseren niet over te gaan tot het doen van aangifte opdat het eigenlijke proces van waarheidsvinding door justitie kan worden vervolgd?

Een tweede conceptrapportage is op 27 april 2009 door GIMG gemaild naar het CvB. Op 7 mei 2009 heeft het CvB de rapportage geaccordeerd, waarna de definitieve rapportage op 11 mei 2009 aan het CvB is aangeboden.

Naar aanleiding van de definitieve rapportage van GIMD heeft de heer [voorzitter CvB] in een aan [eiseres] gerichte brief van 20 mei 2009 onder meer het volgende geschreven:

(…)

Het College van Bestuur verklaart de melding/klacht ongegrond. Er zijn geen feiten of gebeurtenissen gebleken, die de melding/klacht ondersteunen, noch zijn er feiten gebleken van het tegendeel. Op grond hiervan besluit het College van bestuur dan ook om geen aangifte te doen bij de politie.

(…)

Het College van Bestuur stelt vast dat er door de school fouten zijn gemaakt in de te volgen procedure bij dit soort meldingen/klachten. Hiervoor zal schriftelijk excuus aan u worden aangeboden.

(…)

[eiseres] heeft bij meerdere gelegenheden aangedrongen op afgifte van dan wel in ieder geval inzage in het GIMDrapport, hetgeen door de school is geweigerd.

Wel heeft de school op 20 mei 2010 een bijeenkomst belegd voor het team van [eiseres], over de uitslag van het GIMDrapport.

2.4.5. Eveneens bij brief van 20 mei 2009 heeft [gedaagde sub 2] onder meer het volgende aan [eiseres] geschreven:

Beste [eiseres],

De afgelopen periode is voor jou zeer belastend geweest. Je bent geconfronteerd met een verhaal van een leerling over jou, waarin van jouw integriteit weinig overblijft. Daarenboven bleek jou dat een aantal medewerkers van de school, waaronder ik, al langer van het bestaan van dit verhaal op de hoogte waren. Dat feit heeft je vertrouwen in mij ondergraven en daar heb ik begrip voor. In deze brief wil ik jou mijn excuses aanbieden voor mijn verzuim om, via melding, onmiddellijk actie te ondernemen na het bij mij bekend worden van het bestaan van dit verhaal.

(…)

Deze brief is mede (voor akkoord) ondertekend door [voorzitter CvB].

Door de voorzitter van het CvB, de heer [voorzitter CvB], is in een aan alle medewerkers van de school, locatie Hemdijk 47 te Sneek, gerichte en verzonden brief van 15 juni 2009, onder meer het volgende geschreven:

Beste collega,

In januari 2009 is er een melding binnengekomen bij de vertrouwensinspectie van de ouders van een leerling van Bogerman betreffende mogelijk grensoverschrijdend gedrag van mevrouw [eiseres].

Op grond van deze melding heeft het College van Bestuur, in overleg met de vertrouwensinspectie, een onafhankelijk onderzoek laten instellen. Resultaat van dit onderzoek is dat er geen feiten of gebeurtenissen zijn gebleken die deze melding rechtvaardigen, noch zijn er feiten gebleken van het tegendeel. Dit betekent dat de melding ongegrond is verklaard en er geen aanleiding bestaat tot het nemen van verdere maatregelen.

(…)

2.4.6. Op 25 juni 2009 heeft [eiseres] bij de Landelijke Klachtencommissie voor het Christelijk Onderwijs, hierna: de Klachtencommissie, een klacht ingediend tegen het bevoegd gezag van de school. Door de Klachtencommissie is de klacht van [eiseres] als volgt geformuleerd:

a. de wijze waarop de in 2007 tegen over een leerlingenbegeleidster geuite melding van seksuele intimidatie van een leerling door klaagster is afgehandeld;

b. de wijze waarop de in januari 2009 bij de rector van de school binnengekomen klacht van de ouders van voormelde leerling over het grensoverschrijdende gedrag van klaagster is afgehandeld;

c. de wijze waarop het bevoegd gezag als werkgever met klaagster als werkneemster is omgegaan; het bevoegd gezag heeft zich niet als goed werkgever gedragen.

In zijn beslissing van 27 augustus 2009 heeft de Klachtencommissie de klacht op de onderdelen a) en c) gegrond verklaard en die op onderdeel b) ongegrond.

De Klachtencommissie heeft geen aanleiding gezien tot het geven van een advies.

De school heeft naar aanleiding van de beslissing van de Klachtencommissie niets ondernomen in de richting van [eiseres].

2.5. In een brief van 27 april 2010 hebben [gedaagde sub 3], [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] onder meer het volgende aan [eiseres] geschreven:

Beste [eiseres],

Jouw naam is in verband gebracht met grensoverschrijdend gedrag jegens een leerling. Wij, de ondergetekenden, vormen samen met de rector een keten van functionarissen in de leerlingenbegeleiding die, achteraf gezien, adequater hadden moeten optreden door meteen over te gaan tot melding volgens het protocol, d.w.z. de melding had direct aan het bevoegd gezag moeten worden medegedeeld. Het feit dat dit niet is gebeurd heeft bij jou voor extra onrust gezorgd. De rector heeft in dit verband per brief van 20 mei 2009 zijn excuses gemaakt en in deze brief willen wij ons bij deze excuses aansluiten.

(…)

2.6. Door de school is aan [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 3], [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] een schriftelijke waarschuwing gegeven, welke zich in hun personeelsdossier bevindt.

Het standpunt van [eiseres]

3. [eiseres] legt aan haar vorderingen de hiervoor vermelde feiten ten grondslag en voegt daar -samengevat- het volgende nog aan toe.

3.1. [eiseres] ontkent dat zij [leerlinge] seksueel heeft misbruikt en/of geïntimideerd. De e-mail van 14 mei 2007 is volgens [eiseres] vervalst en niet van haar afkomstig.

Met betrekking tot de in rechtsoverweging 2.2. genoemde melding van een ernstig vermoeden van structurele mishandeling heeft [eiseres] aangevoerd dat zij en haar collega's destijds volledig volgens het geldende protocol hebben gehandeld. Toch heeft [gedaagde sub 2] als rector tijdens een bijeenkomst op 23 februari 2005 aan de ouders van [leerlinge] en hun pleitbezorgster mevrouw [persoon] alle ruimte gegeven om [eiseres] en haar collega's te bekritiseren. Waarschijnlijk heeft [gedaagde sub 2] deze kwestie in de doofpot gestopt. [eiseres] voelt zich als gevolg daarvan door [gedaagde sub 2] beschadigd.

3.2. [eiseres] verwijt [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 3], [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] dat zij zich niet hebben gehouden aan de wettelijke meldplicht. Ook hebben deze personen nooit iets tegen haar gezegd over deze kwestie. [eiseres] verwijt de school ook dat zij een kennisachterstand heeft en dat de school die kennisachterstand heeft laten voortbestaan Zij wil weten wat de melding precies inhield, wat er allemaal over haar is besproken, wat er naar aanleiding van de melding is ondernomen, wat er op papier staat met betrekking tot de melding en dergelijke zaken. Nadat het GIMDonderzoek was afgerond wilde zij kunnen beschikken over het rapport, hetgeen is geweigerd. Maar bovenal verwijt [eiseres] de school dat zij niet door de school gerehabiliteerd is, terwijl de klacht uiteindelijk ongegrond verklaard is.

Het standpunt van de school, [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 3], [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5]

4. De school, [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 5] hebben verweer gevoerd.

Naast hetgeen door gedaagden is aangevoerd in het door hen opgeworpen bevoegdheidsincident, heeft de school aangevoerd -samengevat- (primair) dat zij niet aansprakelijk is jegens [eiseres], (subsidiair) dat het causaal verband ontbreekt tussen het gestelde verwijtbaar (niet-)handelen van de school en de gezondheidsklachten van [eiseres] en (meer subsidiair) dat zij de (omvang) van de schade betwist.

Gedaagden hebben hun stellingen uitvoerig gemotiveerd en de kantonrechter zal daarop voor zover nodig terugkomen bij de beoordeling van het geschil.

De beoordeling van het geschil

5. De in het voorlopig getuigenverhoor afgelegde verklaringen zullen worden betrokken bij de beoordeling van het geschil. Weliswaar is het voorlopig getuigenverhoor nog niet beëindigd en is het proces-verbaal van het op 30 maart 2010 plaatsgevonden hebbende verhoor van getuigen door geen der partijen daadwerkelijk in het geding gebracht, maar, gelet op de ondubbelzinnige samenhang tussen het voorlopig getuigenverhoor en de vorderingen van [eiseres], zou het in strijd met de goede procesorde zijn indien de afgelegde verklaringen in dit stadium geheel buiten de beoordeling van die vorderingen zouden worden gelaten. Daarbij zal terughoudendheid worden betracht, aldus dat deze verklaringen alleen zullen worden gebruikt ter vaststelling van partijstandpunten

De vorderingen gericht tegen [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 3], [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5]

6. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 3], [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] jegens haar onrechtmatig hebben gehandeld en zij vordert uit dien hoofde schadevergoeding en het aanbieden van excuses. Door hetgeen hen bekend was geworden over de door de leerlinge aan het adres van [eiseres] geuite beschuldigingen niet direct te melden aan het CvB hebben [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 3], [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] volgens [eiseres] in strijd gehandeld met het bepaalde in artikel 3 lid 3 van de Wet op het voortgezet onderwijs. Ook hebben genoemde functionarissen volgens [eiseres] gehandeld in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt.

6.1. De kantonrechter is van oordeel dat [eiseres] haar stelling dat [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 3], [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] hebben gehandeld in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt slechts summier heeft onderbouwd. De enkele vermelding (punt 61 van de dagvaarding) dat onfatsoenlijk en onbehoorlijk is gehandeld levert onvoldoende houvast op om het handelen van de betrokken functionarissen op onrechtmatigheid te kunnen toetsen. Nochtans is de kantonrechter van oordeel dat uit de bij de vaststaande feiten beschreven gebeurtenissen volgt dat [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 3], [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] zonder enige rechtvaardiging [eiseres] in onwetendheid hebben gelaten van hetgeen zij wisten en van hetgeen zij met die kennis deden. Gegeven de ernst van de beschuldigingen is dat zonder meer in strijd met de zorgvuldigheid die zij jegens [eiseres] in acht hadden behoren te nemen. Hiermee staat vast dat [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 3], [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] in zoverre onrechtmatig jegens [eiseres] hebben gehandeld. Dit kan hen ook worden toegerekend omdat zij hadden kunnen (en moeten) spreken daar waar zij gezwegen hebben. [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 3], [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] zijn daarom aansprakelijk voor de door [eiseres] als gevolg van hun niet spreken geleden schade.

6.2. De ten aanzien van [gedaagde sub 2] geldende verwijzing naar de gebeurtenissen in 2004/2005 kan niet tot de conclusie leiden dat door [gedaagde sub 2] in verband met die gebeurtenissen onrechtmatig jegens [eiseres] is gehandeld. De stellingen van [eiseres] zijn daartoe te weinig concreet en te weinig onderbouwd.

6.3. [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 3], [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] hebben naar het oordeel van de kantonrechter ook gehandeld in strijd met een wettelijke plicht als bedoeld in artikel 6:162 BW. De kantonrechter overweegt hiertoe het volgende.

Artikel 3 lid 3 van de Wet op het voortgezet onderwijs luidt:

3. Indien een personeelslid op enigerlei wijze bekend is geworden dat een ten behoeve van de school met taken belast persoon zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid (bedoeld zijn zedenmisdrijven, ktr.) jegens een minderjarige leerling van de school, stelt het personeelslid het bevoegd gezag daarvan onverwijld in kennis.

Tussen partijen is niet in geschil, althans uit de overgelegde producties en de vaststaande feiten blijkt genoegzaam dat op alle vier betrokken functionarissen op enig moment de meldplicht als hiervoor bedoeld is komen te rusten en dat zij daaraan niet hebben voldaan. Betrokkenen hebben dit ook erkend. [gedaagde sub 2] door middel van zijn in rechtsoverweging 2.4.5. geciteerde brief van 20 mei 2009 en [gedaagde sub 3], [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] door middel van hun in rechtsoverweging 2.5. geciteerde brief.

Aldus staat vast dat deze vier functionarissen hebben gehandeld in strijd met artikel 3 lid 3 van de Wet op het voortgezet onderwijs. Hiermee staat de onrechtmatigheid van hun handelwijze, voor zover die inhoudt dat zij de kennis van de door de leerlinge jegens [eiseres] geuite beschuldiging van seksuele intimidatie niet aan het CvB hebben gemeld, ook vast. Dit kan [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 3], [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] ook worden toegerekend omdat zij hadden kunnen (en moeten) spreken daar waar zij hebben gezwegen.

6.4. Voor zover het verweer van [gedaagde sub 2] en/of [gedaagde sub 3] en/of [gedaagde sub 4] en/of [gedaagde sub 5] aldus begrepen moet worden dat zij een beroep doen op omstandigheden die maken dat hun onrechtmatige handelen hen niet kan worden toegerekend, bijvoorbeeld omdat zij louter goede bedoelingen hebben gehad of omdat zij de beschuldigingen niet geloofwaardig achtten, of omdat zij zich vergist hebben in de persoon die het bevoegd gezag vertegenwoordigde, overweegt de kantonrechter het volgende.

[gedaagde sub 2], [gedaagde sub 3], [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] hebben lange tijd ([gedaagde sub 3] bijna twee jaar, [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] iets korter en [gedaagde sub 2] ongeveer één jaar) geweten van welke ernstige feiten [eiseres] beschuldigd werd, zonder dat [eiseres] daarvan op de hoogte was. Zonder dat [eiseres] het wist hebben [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 3], [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] over haar gesproken en zonder dat [eiseres] het wist is er over haar ook met derden gesproken, alles in verband met bedoelde ernstig feiten. Het is niet goed denkbaar dat [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 3], [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] zich niet hebben gerealiseerd wat het voor [eiseres] zou kunnen betekenen om achteraf te horen dat collega's (en ook derden) gedurende lange tijd hebben gedacht en gesproken in verband met bedoelde ernstige feiten, zonder dat zij daarvan op de hoogte was. Goede bedoelingen, zoals door [gedaagde sub 2] ter verontschuldiging zijn aangevoerd, vallen hierbij in het niet. Dat [gedaagde sub 3] heeft gesproken met een kindertherapeut, met de zedenpolitie en met de huisarts in een kennelijk aan zichzelf toebedachte rol, is onbegrijpelijk. Dat [gedaagde sub 3], zoals zij heeft aangevoerd, zou hebben gemeend dat [gedaagde sub 5], met wie zij over de beschuldigingen heeft gesproken, het bevoegd gezag was, is voor iemand in de functie van [gedaagde sub 3] weinig geloofwaardig.

De gedragingen van [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 3], [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] die zoals hiervoor is overwogen jegens [eiseres] onrechtmatig zijn, vallen hen naar het oordeel van de kantonrechter zwaar aan te rekenen.

7.1. Uit het vorenoverwogene volgt dat [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 3], [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] jegens [eiseres] toerekenbaar onrechtmatig hebben gehandeld. [eiseres] stelt dat zij als gevolg daarvan schade heeft geleden. Met betrekking tot de aard en omvang van de door haar geleden schade heeft [eiseres] alleen in het algemeen en voornamelijk gerelateerd aan de gedragingen van de school aangegeven waaruit de door haar geleden schade bestaat, voor zover die schade thans al is te begroten. Met betrekking tot de door haar geleden schade die het gevolg is van de handelwijze van [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 3], [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] heeft [eiseres] niets gesteld.

Wel heeft [eiseres] een brief van 12 februari 2010 overgelegd van de bedrijfsarts [bedrijfsarts]. De bedrijfsarts schrijft in die brief dat [eiseres] op dat moment op medische gronden volledig arbeidsongeschikt is en dat er sprake is van beperkingen in mentale belastbaarheid die zijn terug te voeren op factoren uit het werk. Ook heeft [eiseres] een brief overgelegd van de psychiater [psychiater]s, gericht aan de bedrijfsarts.

In deze brief staat onder meer het volgende:

(…)

Mevrouw [eiseres] heeft klachten en psychopathologische verschijnselen die sterke overeenkomst vertonen met die welke passen bij een posttraumatische stress stoornis.

Haar trauma kan als volgt beschreven en omschreven worden.

In februari 2009 werd ze overvallen door de rector van haar school - ze is sinds jaar en dag docente [functie] - met de mededeling dat ze door een leerlinge beschuldigd was van sexueel misbruik en dat ze een man c.q. diverse mannen zou hebben gefaciliteerd om deze leerlinge sexueel te misbruiken (door de leerlinge gemeld in 2007).

Die klacht lag er al twee jaar. Ze was daar niet eerder van op de hoogte gesteld. Twee jaar lang is men dus met deze klacht bezig geweest, zonder dat ze het wist. De school liet een onderzoek doen door een maatschappelijk werkster. Die kwam tot de conclusie, dat er geen feiten waren die de beschuldigingen al of niet konden onderschrijven. Vervolgens werd de melding door de schoolleiding ongegrond verklaard 'wegens gebrek aan bewijs'. Men vond dat ze maar moest leren leven met dit verhaal. De school wilde niet verklaren dat men in haar onschuld gelooft.

Mevrouw [eiseres] is nooit eerder overspannen geweest. Ze heeft ook nooit eerder psychiatrische of psychologische hulp nodig gehad. Ze heeft een uitstekende staat van dienst in en met haar werk.

In mijn onderzoek vond ik geen uitgesproken aanwijzingen voor een persoonlijkheidsstoornis. Met andere woorden, er is bij haar sprake van een p.t.s.s. die geheel toegeschreven kan worden aan de gebeurtenissen die haar in en met de school zijn overkomen.

De kantonrechter is van oordeel dat uit de brieven van de bedrijfsarts en de psychiater volgt dat [eiseres] schade heeft geleden die (mede) het gevolg is van de onrechtmatige gedragingen van [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 3], [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5].

7.2. Op grond van het bovenstaande rust op [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 3], [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] de verplichting tot schadevergoeding, tenzij de geschonden norm (in casu de meldplicht op grond van artikel 3 lid 3 van de Wet op het voortgezet onderwijs) niet strekt tot bescherming van [eiseres] als aangeklaagde persoon en/of tegen de schade zoals die door haar is geleden. De kantonrechter overweegt met betrekking tot dit punt dat de schending van de meldplicht, ook indien er van uit gegaan zou moeten worden dat die meldplicht niet strekt tot de bescherming van het belang van [eiseres], wel kan meewegen bij de vaststelling van de schending van de in r.o. 6.1. bedoelde ongeschreven norm. Op dit punt is door [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 3], [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] overigens ook geen verweer gevoerd, hetgeen tot gevolg heeft dat de kantonrechter er van uit zal gaan dat aan het met artikel 6:163 BW tot uitdrukking gebrachte relativiteitsvereiste is voldaan. Dit betekent dat [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 3], [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] aansprakelijk zijn voor de schade die [eiseres] heeft geleden als gevolg van het niet melden aan het CvB van de door de leerlinge geuite beschuldigingen.

7.2.1. Op grond van het bepaalde in artikel 6:170 BW is de werkgever aansprakelijk voor fouten van zijn werknemers. Daarbij geldt wel de voorwaarde dat er voldoende functioneel verband dient te bestaan tussen de fout en de aan de werknemer opgedragen taak. Gesteld noch gebleken is dat bedoeld verband in het onderhavige geval ontbreekt. De school is daarom jegens [eiseres] aansprakelijk voor de hiervoor in rechtsoverwegingen 7.1. bedoelde schade.

7.2.2. In artikel 6:170 lid 3 BW is bepaald dat indien de werknemer en de werkgever beiden aansprakelijk zijn voor de schade, de werknemer niet in de schadevergoeding hoeft bij te dragen, tenzij de schade het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. Dit laatste is evenwel niet gesteld, noch is daarvan gebleken.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de gevorderde verklaring voor recht die ziet op de periode 2004/2005 worden afgewezen. De gevorderde verklaring voor recht inhoudende dat [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 3], [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] onrechtmatig jegens [eiseres] hebben gehandeld zal worden toegewezen. Terzake van de als gevolg daarvan door [eiseres] geleden schade zal de school op grond van het bepaalde in artikel 6:170 lid 3 BW worden veroordeeld om die schade te vergoeden. De begroting van deze schade zal plaatsvinden gelijk met de begroting van de (eventuele) door de school te vergoeden materiële en/of immateriële schade indien en voorzover komst vast te staan dat de school als slecht werkgever, en/of in strijd met haar zorgplicht als bedoeld in artikel 7:658 BW en/of onrechtmatig heeft gehandeld.

8. Met betrekking tot de door [eiseres] gevorderde excuses overweegt de kantonrechter dat excuses zijn te beschouwen als een uiting van een gemoedstoestand en dat niemand daartoe veroordeeld kan worden. Overigens hebben zowel [gedaagde sub 2] als [gedaagde sub 3], [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] inmiddels excuses aan [eiseres] aangeboden, waardoor [eiseres] ook onvoldoende belang meer heeft bij deze vordering.

De vorderingen gericht tegen de school

9. De vorderingen van [eiseres] hebben betrekking op de volgende drie van elkaar te onderscheiden periodes:

a. de periode 2004/2005;

b. de periode vanaf begin 2007 tot omstreeks februari 2009;

c. de periode vanaf omstreeks februari 2009.

De periode 2004/2005

10. De verwijten die [eiseres] met betrekking tot deze periode maakt richten zich met name op de rector. Met betrekking tot de in rechtsoverweging 2.2. genoemde melding van een ernstig vermoeden van structurele mishandeling heeft [eiseres] aangevoerd dat zij en haar collega's destijds volledig volgens het geldende protocol hebben gehandeld. Toch heeft [gedaagde sub 2] als rector tijdens een bijeenkomst op 23 februari 2005 aan de ouders van de leerlinge en hun pleitbezorgster mevrouw [persoon] alle ruimte gegeven om [eiseres] en haar collega's te bekritiseren. Waarschijnlijk heeft [gedaagde sub 2] deze kwestie in de doofpot gestopt. [eiseres] voelt zich als gevolg daarvan door [gedaagde sub 2] beschadigd. Verwijzend naar hetgeen daarover is overwogen in r.o. 6.2. overweegt de kantonrechter dat uit de stellingen van [eiseres] niet kan volgen dat de school in deze zaak niet als goed werkgever heeft gehandeld, dan wel haar zorgplicht heeft geschonden, dan wel onrechtmatig heeft gehandeld, dan wel als werkgever aansprakelijk is voor schade. In zoverre zal de vordering van [eiseres] als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen.

11. De periode vanaf begin 2007 tot omstreeks februari 2009

Met betrekking tot deze periode geldt dat de school niet op de hoogte is geweest van de jegens [eiseres] geuite beschuldigingen en de wijze waarop op die beschuldigingen door de rector en anderen is gereageerd. Niet valt daarom in te zien wat de school met betrekking tot deze periode verweten kan worden. [eiseres] heeft hierover ook niets gesteld, anders dan dat de school op grond van artikel 6:170 BW aansprakelijk is voor de schade als gevolg van de gebeurtenissen die zich in deze periode hebben voorgedaan. Op dit punt is reeds in rechtsoverweging 7.2.1. beslist.

De periode vanaf omstreeks februari 2010

12. Uit het in rechtsoverweging 2.3. en volgende opgenomen feitenrelaas begrijpt de kantonrechter dat de verwijten die [eiseres] de school maakt zijn te onderscheiden in twee categorieën.

Aan de ene kant verwijt [eiseres] de school niet juist te hebben gehandeld toen -samengevat- in februari 2009 bekend werd dat vanaf april 2007 meerdere functionarissen op de hoogte zijn geweest van de zeer ernstige beschuldigingen aan het adres van [eiseres], dat daarvan geen melding was gedaan aan het bevoegd gezag, dat door die functionarissen derden wel waren geïnformeerd en dat [eiseres] van dit alles onwetend was gebleven.

Aan de andere kant verwijt [eiseres] de school niet juist te hebben gehandeld naar aanleiding van de tegen haar ingediende klacht, in het bijzonder verwijt [eiseres] de school dat zij haar niet volledig heeft gerehabiliteerd.

13. De kantonrechter overweegt dat uit de vaststaande feiten en in het bijzonder ook uit het door [eiseres] opgemaakte verslag van het gesprek op 26 februari 2009, waarvan de juistheid niet, althans niet voldoende gemotiveerd is weersproken, genoegzaam blijkt dat de school in februari 2009 op de hoogte is geraakt van de gebeurtenissen die zich daarvoor vanaf april 2007 hebben voorgedaan.

De kantonrechter is van oordeel dat de school als goed werkgeefster zich had moeten inspannen om tot een zo volledig mogelijke reconstructie te komen van zowel de inhoud van de klacht van de leerlinge als van al hetgeen dat naar aanleiding daarvan door functionarissen van de school onderling en met derden was gecommuniceerd en wanneer. [eiseres] mocht van de school verwachten dat alles in het werk gesteld zou worden om de kennisachterstand die [eiseres] had als gevolg van de handelwijze van een aantal functionarissen van de school in een voor haar uitzonderlijk belastende kwestie zo snel mogelijk op te heffen.

De school is hierin tekortgeschoten. De school heeft volstaan met het aanbieden van excuses en zich vervolgens geconcentreerd op de afhandeling van de melding zoals die via de vertrouwensinspectie bij haar bekend was geworden. Eerst ter gelegenheid van een door [eiseres] aangespannen kort gedingprocedure (zie punt 2.14 van de conclusie van antwoord) heeft de school de toezegging gedaan te onderzoeken of zij nog schriftelijke informatie heeft die aan [eiseres] verstrekt zou kunnen worden die betrekking heeft op de melding/klacht van de leerlinge voor zover de privacybelangen van derden daardoor niet geschaad zouden worden. Volgens de school bleek echter aanvullende schriftelijke informatie feitelijk niet beschikbaar. De kantonrechter overweegt dat de school in haar ontkenning van het bestaan van schriftelijke informatie moeilijk te volgen is. Aangenomen mag toch worden dat in ieder geval de melding van de ouders aan de vertrouwensinspecteur schriftelijk is vastgelegd. Voorts is door [gedaagde sub 3] ter gelegenheid van de comparitie van partijen gezegd dat de leerlinge in de onderbouw tekeningen heeft gemaakt waarbij zij op de achterkant de data heeft vermeld waarop zij door [eiseres] uit de klas is gehaald. Ook heeft [gedaagde sub 3] als getuige in het voorlopig getuigenverhoor verklaard dat zij die tekeningen en teksten aan de ouders van de leerlinge heeft gegeven, nadat zij er eerst kopieën van had gemaakt. Die kopieën heeft [gedaagde sub 3], aldus nog steeds volgens haar eigen verklaring, aan de heer [voorzitter CvB] (destijds voorzitter CvB, ktr.) of aan de heer [gedaagde sub 2] gegeven. Mogelijk heeft de school goede redenen gehad om deze informatie niet met [eiseres] te willen delen, maar zij had dan toch op z'n minst melding moeten maken van het bestaan ervan.

Voor het niet inventariseren van alle contacten en mogelijk de inhoud daarvan tussen functionarissen van de school onderling en/of met derden heeft de school geen verklaring gegeven. De kantonrechter overweegt in dat verband dat de bij brief van 20 maart 2009 van de toenmalige gemachtigde van de school overgelegde Tijdlijn contacten op school, gemaakt door [gedaagde sub 3] [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] [gedaagde sub 4] (cursivering van mij, ktr.) daartoe ontoereikend is. Enerzijds blijkt daaruit niet dat het gaat om een volledige opgave van alle contacten, terwijl anderzijds de inhoud van de wel genoemde contacten niet dan wel slechts summier is vermeld.

De school heeft zich vanaf de melding bij de vertrouwensinspecteur laten leiden door een ander belang dan dat van [eiseres]. In de hiervoor al aangehaalde brief van 20 maart 2009 van de toenmalige gemachtigde van de school (productie 20 bij de dagvaarding) is dit als volgt verwoord:

Cliënte richt zich in deze fase op de hoofdzaak van het gebeuren. De hoofdzaak is de inhoud, de strekking en de boodschap van de melding / klacht van (naam leerlinge, ktr.) en de vraag of goed en veilig onderwijs in het geding is geweest.

In het vervolg van die brief wordt weliswaar ook melding gemaakt van het belang om duidelijk te krijgen wat de handelwijze van de betrokken medewerkers bij de melding/klacht is geweest, maar hoe de school dat denkt te bereiken wordt niet gezegd. Wel wordt gemeld dat een onderzoek door GIMD is geïnitieerd, maar de school heeft geweigerd om het onderzoeksrapport aan [eiseres] ter beschikking te stellen.

Het is juist dat de school zich heeft gericht op de afdoening van de melding/klacht van de (ouders van) de leerlinge, maar zij heeft daarbij naar het oordeel van de kantonrechter het belang van [eiseres] bij opheffing van haar kennis- en informatieachterstand miskend. Dit klemt temeer nu die kennis- en informatieachterstand is veroorzaakt door functionarissen die werkzaam zijn onder de verantwoordelijkheid van de school.

De school heeft aldus niet zorgvuldig en niet als goed werkgeefster jegens [eiseres] gehandeld.

14. Met betrekking tot de wijze waarop de melding/klacht door de school is afgedaan overweegt de kantonrechter het volgende.

In februari 2009 is het CvB op de hoogte gesteld van de melding door de ouders van de leerlinge. Omdat het CvB slechts over uiterst summiere informatie beschikte betreffende die melding en het binnen de school doorlopen traject tot aan de melding, heeft het CvB een onafhankelijk onderzoek laten uitvoeren door GIMD. Doel van dit onderzoek was in de eerste plaats om vast te stellen of er feiten, gebeurtenissen of omstandigheden zijn die doen vermoeden dat er mogelijk sprake is geweest van grensoverschrijdend gedrag van [eiseres] en zo ja, of deze voldoende overtuigend waren om aangifte te doen. Het onderzoek was in zoverre nadrukkelijk niet gericht op waarheidsvinding. In de tweede plaats was het onderzoek gericht op de begeleiding van de leerlinge en de te hanteren procedures door de verschillende functionarissen binnen de school in de periode voorafgaand aan de melding van de ouders bij de vertrouwensinspecteur en in de periode vanaf de melding bij de vertrouwensinspecteur.

De kantonrechter is met de Landelijke Klachtencommissie voor het Christelijk onderwijs (zie rechtsoverweging 2.4.6.) van oordeel dat het CvB, op het moment dat zij in februari 2009 op de hoogte werd gesteld van de melding van de ouders van de leerlinge en daarmee van de melding van de leerlinge uit 2007, zorgvuldig heeft gehandeld door in overleg met de vertrouwensinspectie een onafhankelijk onderzoek te laten instellen, teneinde te kunnen vaststellen of er voldoende aanleiding bestond om aangifte te doen van ontoelaatbaar grensoverschrijdend gedrag.

GIMD heeft haar bevindingen en conclusies uit het onderzoek vastgelegd in een rapport dat in definitieve vorm op 11 mei 2009 is aangeboden aan het CvB.

15. Voor de verschillende onderzoeksvragen verwijst de kantonrechter naar rechtsoverweging 2.4.4.

15.1. Onderzoeksvraag 1a is gericht op feiten, gebeurtenissen of omstandigheden die kunnen duiden op het bestaan van ontoelaatbaar grensoverschrijdend gedrag van [eiseres] in de richting van de leerlinge.

De conclusie naar aanleiding van deze vraag luidt dat er geen feiten of gebeurtenissen zijn aan te wijzen die aannemelijk maken dat [eiseres] grensoverschrijdend gedrag heeft vertoond ten opzichte ven de leerlinge.

Voorts noemt de onderzoekster nog een aantal omstandigheden maar in hoeverre deze omstandigheden kunnen duiden op de aanwezigheid van grensoverschrijdend gedrag als vorenbedoeld, vermeldt de onderzoekster niet. Deze omstandigheden zien -samengevat- op de aangifte door de moeder van de leerlinge, op van de moeder van de leerlinge afkomstige vage verhalen over eventuele andere slachtoffers van [eiseres], op het feit dat de leerlinge behandeld wordt voor post traumatische klachten en op de bij onder andere ouders en professionals bestaande overtuiging dat de leerlinge oprecht doodsbang is voor [eiseres], alsmede op de bij Fier Fryslân bestaande -op de verhalen van de leerlinge gebaseerde- overtuiging dat er sprake is geweest van grensoverschrijdend gedrag van de kant van [eiseres].

15.2. Onderzoeksvraag 1b houdt in -samengevat- of de feiten, gebeurtenissen en omstandigheden die uit onderzoeksvraag 1a zijn gebleken, voldoende overtuigend zijn om over te gaan tot het doen van aangifte.

Het in het rapport gegeven antwoord op deze vraag beperkt zich tot de hiervoor genoemde omstandigheden, hetgeen begrijpelijk is omdat van het bestaan van feiten en gebeurtenissen niet was gebleken.

De conclusie van de onderzoekster is dat de omstandigheden niet voldoende overtuigend zijn om te adviseren over te gaan tot aangifte.

15.3. Op grond van deze uitkomsten heeft het CvB besloten geen aangifte te doen. Het CvB had het daarbij kunnen laten maar dat heeft zij niet gedaan. Om niet toegelichte redenen heeft het CvB zonder [eiseres] daarin te kennen ter gelegenheid van de bespreking van het concept onderzoeksverslag aan de onderzoeksvragen twee vragen toegevoegd. (zie rechtsoverweging 2.4.4.).

De toegevoegde vraag 1aa richt zich op feiten, gebeurtenissen of omstandigheden die op een of andere manier aannemelijk maken dat er geen ontoelaatbaar grensoverschrijdend gedrag van [eiseres] in de richting van de leerlinge heeft plaatsgevonden.

De onderzoekster heeft deze vraag niet met ja of nee beantwoord, maar uit het antwoord kan wel worden afgeleid dat dergelijke feiten en gebeurtenissen niet zijn te duiden. Dat mag geen verwondering wekken omdat feiten en gebeurtenissen met betrekking tot iets dat zich niet heeft voorgedaan doorgaans om voor de handliggende redenen zullen ontbreken.

Wel heeft de onderzoekster gewezen op de omstandigheid dat [eiseres] heeft aangegeven akkoord te kunnen gaan met het doen van aangifte, hetgeen de onderzoekster doet vermoeden dat [eiseres] een politieonderzoek niet schuwt. Hiermee heeft de onderzoekster kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat deze omstandigheid in het voordeel van [eiseres] moet worden uitgelegd. Voor de beantwoording van onderzoeksvraag 1aa levert dat een argument op om die vraag eerder met "ja" dan met "nee" te beantwoorden.

De toegevoegde vraag 1bb houdt in of de feiten, gebeurtenissen of omstandigheden die uit onderzoeksvraag 1aa zijn gebleken voldoende overtuigend zijn om te adviseren niet over te gaan tot het doen van aangifte.

Het mag geen verwondering wekken dat deze vraag, gelet op het geringe resultaat van vraag 1aa, door de onderzoekster ontkennend is beantwoord. Het lot van niet gebleken feiten en gebeurtenissen is nu eenmaal dat er geen betekenis aan kan worden toegekend.

15.4. Waarom het CvB de hiervoor genoemde vragen 1aa en 1bb in het stadium waarin het rapport in concept gereed was heeft toegevoegd aan de eerder geformuleerde onderzoeksvragen is niet bekend. Begrijpelijk is het niet, al was het maar omdat het onderzoek niet op waarheidsvinding was gericht, terwijl deze vragen daar wel naar tenderen.

Naar aanleiding van de definitieve rapportage van GIMD heeft het CvB de melding/klacht ongegrond verklaard. Daarbij heeft het CvB in haar aan [eiseres] gerichte brief van 20 mei 2009 het volgende overwogen: Er zijn geen feiten of gebeurtenissen gebleken, die de melding/klacht ondersteunen, noch zijn er feiten gebleken van het tegendeel.

Het leidt naar het oordeel van de kantonrechter geen twijfel dat de zinsnede noch zijn er feiten gebleken van het tegendeel berust op de beantwoording door GIMD van de toegevoegde onderzoeksvragen. Kennelijk heeft het CvB na lezing van het concept onderzoeksrapport naar een reden gezocht om [eiseres] niet te hoeven rehabiliteren en heeft zij daartoe onderzoeksvragen toegevoegd waarvan de beantwoording, gelet op de ongerijmdheid er van, al op voorhand bekend moet zijn geweest.

De kantonrechter is van oordeel dat er voldoende aanwijzingen zijn om te komen tot een dergelijk negatieve waardering van de handelwijze van het CvB. De toegevoegde onderzoeksvragen passen namelijk niet binnen de oorspronkelijke bedoeling van het onderzoek, die er op gericht was te kunnen beslissen om al dan niet aangifte te doen van grensoverschrijdend gedrag van [eiseres]. De beantwoording van de oorspronkelijke onderzoeksvragen in de conceptrapportage was daartoe ook toereikend. Hoewel partijen daarover niets hebben aangevoerd gaat de kantonrechter er van uit dat de beantwoording van de onderzoeksvragen 1a en 1b na de bespreking van de conceptrapportage niet is gewijzigd.

Bovendien heeft het CvB [eiseres] niet geïnformeerd over het stellen van extra onderzoeksvragen, laat staan over de inhoud daarvan. Het had temeer in de rede gelegen dit wel te doen, nu [eiseres] voorafgaand aan het onderzoek wél is geïnformeerd over de onderzoeksvragen, welke zijn opgenomen in het ten behoeve van het onderzoek opgemaakte gespreksprotocol.

Door zowel geen melding te maken van de extra onderzoeksvragen als [eiseres] ook geen inzage te bieden in het eindrapport heeft het CvB bovendien de schijn gewekt dat haar conclusies, zoals die aan [eiseres] zijn meegedeeld bij brief van 20 mei 2009, gegrond waren op een onderzoek aan de hand van de oorspronkelijke, bij [eiseres] wel bekende onderzoeksvragen. De kantonrechter acht dit alles zeer laakbaar.

Daar komt dan nog bij dat ook in de namens de school in deze procedure genomen conclusie van antwoord (punt 2.16) met zoveel woorden is gesteld dat [eiseres] door middel van ondertekening heeft ingestemd met de vraagstelling en de voorwaarden zoals die zijn vastgelegd in het gespreksprotocol. Daarmee is niet alleen [eiseres] nogmaals op het verkeerde been gezet, maar ook de kantonrechter. Immers, toen de conclusie van antwoord werd genomen was het GIMD-rapport noch bij [eiseres] noch bij de kantonrechter bekend. Pas later, nadat dit rapport op aandringen van [eiseres] door de school bij akte was overgelegd, bleek dat er extra vragen waren gesteld.

16. Los van de wijze waarop het definitieve rapport van GIMD tot stand is gekomen, kan het rapport de hiervoor al geciteerde conclusie van het CvB niet dragen. Het rapport leidt in geen enkel opzicht tot deze voor [eiseres] per saldo negatieve conclusie. De door het CvB gebezigde formulering: Er zijn geen feiten of gebeurtenissen gebleken, die de melding/klacht ondersteunen, noch zijn er feiten gebleken van het tegendeel, komt er op neer dat de waarheid niet is achterhaald en dat alle opties, waaronder die dat [eiseres] zich wel schuldig heeft gemaakt aan grensoverschrijdend gedrag, open staan.

De school heeft [eiseres] hiermee onrecht aangedaan. In feite heeft het onderzoek van GIMD geen enkel voor [eiseres] belastend feit opgeleverd en daarmee ook geen enkele onderbouwing of zelfs maar een begin daarvan van de melding/klacht van de ouders en de daaraan voorafgaande melding van de leerlinge. In redelijkheid had dit de school moeten doen besluiten om de melding/klacht ongegrond te verklaren en om zonder enig voorbehoud en ondubbelzinnig haar vertrouwen in [eiseres] uit te spreken.

17. De kantonrechter verbindt aan hetgeen hiervoor is overwogen in de rechtsoverwegingen 12 t/m 16 de conclusie dat de school zich jegens [eiseres] niet als goed werkgeefster heeft gedragen. De gevraagde verklaring voor recht zal op deze grondslag worden toegewezen. De schade die [eiseres] als gevolg daarvan heeft geleden zal de school aan haar dienen te vergoeden. Dat [eiseres] schade heeft geleden is voldoende aannemelijk geworden.

18. De door [eiseres] gevorderde schadevergoeding is opgebouwd uit de navolgende componenten:

a. de kosten van rechtsbijstand in de periode van 26 februari 2009 tot en met 26 november 2010, alsmede de kosten nadien, nader op te maken bij staat.

[eiseres] beroept zich daarbij op een afspraak met de school die inhoudt dat de school de kosten van rechtsbijstand aan [eiseres] zal vergoeden, mits "redelijk" en uitgaande van de ongegrondheid van de klacht. Subsidiair grondt [eiseres] deze vordering op artikel 6:96 BW.

De kantonrechter overweegt dat van het bestaan van een zo vergaande afspraak als die waarop [eiseres] zich beroept niet is gebleken. [eiseres] stelt weliswaar in punt 64 van de dagvaarding dat één en ander uit de overgelegde stukken kan worden afgeleid, maar dat is niet het geval. Hooguit kan uit die stukken volgen dat de school bereid is geweest om [eiseres] in redelijkheid tegemoet te komen in de kosten van rechtsbijstand nodig om zich te verweren tegen de beschuldiging van de leerlinge, maar niet dat ook de kosten van rechtsbijstand inzake een geschil tussen [eiseres] en de school onverkort aan haar zouden worden vergoed.

[eiseres] komt in beginsel wel in aanmerking voor een vergoeding van buitengerechtelijke kosten op grond van de wet. De school heeft de redelijkheid van de gevorderde kosten echter betwist. Ook heeft de school aangevoerd dat een deel van de kosten zoals die door [eiseres] zijn gespecificeerd, is gemaakt in het kader van de kort-gedingprocedure, de klachtenprocedure en het voorlopig getuigenverhoor en daarom niet zijn te kwalificeren als vermogenschade in de zin van artikel 6:96 BW. Daarnaast zou een deel van de kosten vallen onder de proceskostenveroordeling.

De kantonrechter overweegt dat de kosten die zijn gemaakt ter zake van de kort-gedingprocedure niet als buitengerechtelijke kosten in de onderhavige procedure tot vergoeding kunnen komen. Dat geldt ook voor de kosten die verband houden met het opstellen van de dagvaarding in de onderhavige procedure. De kosten van de procedure die is gevoerd bij de Klachtencommissie komen in beginsel wel voor vergoeding in aanmerking omdat deze kosten geacht kunnen worden te zijn gemaakt om tot een oplossing van het geschil buiten rechte te komen. De kosten van het voorlopig getuigenverhoor kunnen meegenomen worden in de kostenveroordeling in de onderhavige procedure.

Uit de door [eiseres] overgelegde specificatie valt niet af te leiden welke kosten tot welke werkzaamheden zijn te herleiden. Alvorens op deze vordering te beslissen zal [eiseres] in de gelegenheid worden gesteld om -met in achtneming van het bovenstaande- bij akte een deugdelijke specificatie te geven van de door haar geleden vermogensschade als bedoeld in artikel 9:96 lid 2 sub c BW. Uit de inhoud van de overgelegde producties blijkt naar het oordeel van de kantonrechter wel genoegzaam dat [eiseres] inmiddels aanmerkelijke kosten heeft moeten maken. De kantonrechter zal daarom bij wijze van voorschot op de buitengerechtelijke kosten de provisionele eis tot een bedrag van € 25.000,00 toewijzen. De vordering die strekt tot vergoeding van de na 26 november 2009 ontstane kosten, nader op te maken bij staat, zal worden afgewezen omdat niet aannemelijk is dat na 26 november 2009 naast proceskosten andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn gemaakt.

b. immateriële schadevergoeding tot een bedrag van € 250.000,00, berekend tot en met 26 november 2009, alsmede de kosten nadien, nader op te maken bij staat.

Voor de onderbouwing van deze vordering heeft [eiseres] aangevoerd dat zij als gevolg van de handelwijze van de school zeer aanzienlijke psychische (en psychosomatische) schade heeft geleden, waarbij ook de psychische schade die haar echtgenoot heeft geleden dient te worden betrokken. [eiseres] stelt dat zij zich in een diepe depressie bevindt en in een continue toestand van shock/ongeloof/woede/verdriet over al het onrecht dat haar is aangedaan. Haar leven en dat van haar echtgenoot is totaal ontwricht. Zij meent haar werk niet meer te kunnen doen, vrijwel zeker blijvend, nu het voor haar vaststaat dat zij door de valse beschuldigingen van de leerlinge en haar ouders nimmer meer arbeidsvreugde als docent zal (kunnen) hebben en nimmer meer alleen met een leerling in een afgesloten ruimte zal durven zijn. [eiseres] heeft de omvang van het door haar gevorderde bedrag aan immateriële schadevergoeding van € 250.000,00 niet nader toegelicht. Wél heeft [eiseres] brieven overgelegd van de bedrijfsarts [bedrijfsarts] en de psychiater [psychiater]s (zie rechtsoverweging 7.1.).

Ook heeft [eiseres] een deskundigenoordeel d.d. 13 januari 2010 van UWV overgelegd, waarvan de conclusie luidt:

De door de werkgever uitgevoerde re-integratie-inspanningen zijn niet voldoende. De werkgever heeft geen deugdelijke grond voor het afzien van voldoende re-integratie-inspanningen.

De kantonrechter is van oordeel dat uit de inhoud van de hiervoor bedoelde brieven van de bedrijfsarts en de psychiater, zoals weergegeven in rechtsoverweging 7.1., met voldoende zekerheid volgt dat de gebeurtenissen die zich hebben voorgedaan en waarvoor de school deels op grond van artikel 6:170 BW en deels op grond van artikel 7:611 BW aansprakelijk is, de oorzaak zijn van ernstige gezondheidsklachten van [eiseres], ten gevolge waarvan zij ook arbeidsongeschikt is geraakt. Het lijdt ook geen twijfel dat [eiseres] als gevolg van die gebeurtenissen in haar eer en goede naam is aangetast en dat haar veel psychisch leed is toegebracht. Met name de weigering van de school om [eiseres] op grond van de uitkomst van het onderzoek door GIMD volledig te rehabiliteren heeft een voor [eiseres] uitermate diffamerende uitwerking gehad. Door die weigering heeft de school de kennelijk bij haar levende twijfels over de volledige onschuld van [eiseres] onvermijdelijk overgebracht op andere betrokkenen die door de school zijn geïnformeerd.

De kantonrechter acht het ook aannemelijk dat de gebeurtenissen voor [eiseres] een blijvende derving van arbeidsvreugde tot gevolg zullen hebben en dat haar houding ten opzichte van leerlingen naar het zich laat aanzien blijvend aan onbevangenheid heeft verloren.

Naast de hiervoor aangegeven gevolgen van de gebeurtenissen waarvoor de school aansprakelijk is, zijn voor de vaststelling van de hoogte van een billijke schadevergoeding alle omstandigheden van het geval van belang, waaronder in het bijzonder de navolgende.

De aansprakelijkheid van de school vloeit voort uit haar werkgeverschap. Dat betekent dat de school heeft gehandeld vanuit een zekere gezagsverhouding ten opzichte van [eiseres], die zich in het algemeen kenmerkt door ongelijkheid. De schade veroorzakende gedragingen vallen de school daarom des te meer aan te rekenen.

Een andere omstandigheid waarmee rekening wordt gehouden is dat het hiervoor genoemde deskundigenoordeel van het UWV, inhoudende dat de school onvoldoende re-integratie inspanningen heeft uitgevoerd. Het is aannemelijk dat deze omstandigheid de duur van de gezondheidsklachten van [eiseres] heeft verlengd.

Daarnaast heeft de school zonder te begrijpen redenen een bij uitstek geschikte gelegenheid om [eiseres] te rehabiliteren, namelijk toen de uitkomst van het GIMDonderzoek bekend was, ongebruikt voorbij laten gaan. De kantonrechter betrekt hier ook bij hetgeen hij met betrekking tot het ontstaan van het definitieve GIMDrapport heeft overwogen in rechtsoverwegingen 15.3 en 15.4. Het is aannemelijk dat de schade voor [eiseres] beperkter zou zijn gebleven dan nu het geval is, indien de school [eiseres] toen naar aanleiding van het GIMDonderzoek wel zou hebben gerehabiliteerd.

Tenslotte is van belang dat [eiseres] 58 jaar oud is, dat zij een langdurig dienstverband bij de school heeft, dat zij tot voor de melding van de leerlinge een goede reputatie als docente genoot, dat het niet zeker is dat zij haar werkzaamheden bij de school zal kunnen hervatten en dat haar positie op de arbeidsmarkt als gevolg van de door haar opgelopen reputatieschade is verslechterd.

De schade die mogelijk door de echtgenoot van [eiseres] is geleden moet buiten beschouwing blijven omdat die echtgenote in deze procedure geen partij is.

De kantonrechter acht, gelet op al deze omstandigheden en rekening houdend met door andere rechters toegekende bedragen als immateriële schadevergoeding -voor zover daarbij sprake is van min of meer vergelijkbare gevallen- een vergoeding van € 50.000,00 billijk. Omdat er nog geen eindvonnis wordt gewezen (zie hierna rechtsoverweging 19) zal ook dit bedrag bij wijze van voorschot in het kader van de provisionele eis worden toegewezen.

De kantonrechter is van oordeel dat met deze vergoeding de totale immateriële schade van [eiseres] wordt vergoed. Voor vergoeding van meer schade, al dan niet nader op te maken bij staat, is daarom geen plaats.

c. overige (materiële) schadevergoeding van € 2.350,00 berekend tot en met 26 november 2009 en voor wat betreft de periode nadien nader op te maken bij staat en te vermeerderen met de wettelijke rente.

Dit onderdeel van de vordering van [eiseres] ziet op de kosten van een psycholoog (€ 800,00), diverse reiskosten € 750,00), telefoon-, telefax- en portiekosten (500,00), alsmede de kosten van het wijzigen van een privé telefoonnummer (in verband met anonieme intimiderende telefoontjes (300,00). Deze vordering wordt afgewezen omdat [eiseres] er geen enkele onderbouwing van heeft gegeven.

19. Met haar vordering sub D van het petitum van de dagvaarding streeft [eiseres] eerherstel na. Daartoe dient de school een aantal maatregelen te nemen, één en ander als sub D omschreven. De kantonrechter overweegt omtrent dit punt dat aan de hand van de ter beschikking staande informatie niet kan worden beoordeeld of de behandeling van de klacht/melding destijds op juiste wijze heeft plaatsgevonden. De kantonrechter laat dit punt verder rusten omdat hij een herhaalde behandeling van de klacht/melding niet in het belang van partijen acht. Wel is de kantonrechter van oordeel dat de uitspraak op de klacht zoals die is geformuleerd in de brief van de voorzitter van het CvB 20 mei 2009 onjuist is en dat [eiseres] daarmee onrecht is aangedaan. (Zie rechtsoverwegingen 15.4 en 16). De school dient dit recht te zetten. De school heeft daartoe inmiddels een poging ondernomen door middel van haar bij akte overgelegde rehabilitatiebrief. Deze brief houdt echter naar het oordeel van de kantonrechter geen voldoende rehabilitatie van [eiseres] in.

De school dient een nieuwe rehabilitatiebrief op te stellen en te versturen waarin op ondubbelzinnige wijze wordt meegedeeld dat het resultaat van het onderzoek is dat er absoluut niets is gebleken van seksuele intimidatie, dan wel seksueel misbruik, dan wel enige andere vorm van grensoverschrijdend gedrag. Daarbij dient ook te worden vermeld dat de destijds gebezigde zinsnede noch zijn er feiten gebleken van het tegendeel ten onrechte als resultaat van het uitgevoerde onderzoek is genoemd, omdat daarmee de suggestie kan zijn gewekt dat de school er rekening mee hield dat er iets meldenswaardig was voorgevallen tussen [eiseres] en de leerlinge van wie de klacht afkomstig is. Tenslotte dient in de brief te worden vermeld dat [eiseres] volledig wordt gerehabiliteerd.

De kantonrechter adviseert partijen om in overleg te treden over de precieze formulering van de rehabilitatiebrief, over de personen aan wie die brief gericht moet zijn en over de wijze waarop verdere vorm wordt gegeven aan de rehabilitatie van [eiseres]. Desgewenst kan daartoe op verzoek van beide partijen nogmaals een comparitie van partijen worden gehouden.

Indien partijen er niet in slagen om in overleg tot rehabilitatie te komen zullen zij zich over het bovenstaande bij akte mogen uitlaten.

Voor zover de vordering ziet op het treffen van passende maatregelen tegen de leerlinge en haar ouders en tegen de functionarissen van de school, waaronder [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 3], [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5], zal deze worden afgewezen. De leerlinge en haar ouders zijn geen partij in deze procedure. Hetzelfde geldt voor andere functionarissen dan [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 3], [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5]. Ter gelegenheid van de comparitie is namens de school verklaard dat [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 3], [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] een schriftelijke waarschuwing hebben gekregen, welke zich in hun personeelsdossier bevindt. De kantonrechter is van oordeel dat de school daarmee een voldoende passende maatregel heeft genomen en dat [eiseres] in zoverre bij haar vordering geen belang heeft.

20. De vordering die strekt tot het verstrekken van een overzicht als bedoeld in artikel 35 Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) zal worden afgewezen. Artikel 35 Wbp geeft het recht op informatie over de verwerking van persoonsgegevens. Door de school is aangevoerd dat er geen persoonsgegevens van [eiseres] zijn verwerkt, omdat er naar aanleiding van de melding geen dossier is aangelegd. [eiseres] heeft naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende gesteld waaruit kan blijken dat er wél persoonsgegevens als bedoeld in artikel 35 Wbp zijn verwerkt.

21. [eiseres] heeft ook afgifte gevorderd van het volledige GIMD-rapport. Bij akte overlegging productie heeft de school het GIMD-rapport overgelegd. In het overgelegde rapport zijn door de school de passages die zien op andere functionarissen dan [eiseres] doorgehaald. De kantonrechter is van oordeel dat de school ter bescherming van persoonsgegevens die betrekking hebben op andere personen dan [eiseres] een aantal passages in het GIMD-rapport door middel van doorhalen onleesbaar heeft kunnen maken. Ook is niet gebleken van dusdanig zwaarwegende belangen van [eiseres] om de doorgehaalde passages te kunnen kennen, dat de belangen van de school en of derden daarvoor zouden moeten wijken. Omdat het rapport inmiddels (in voldoende mate) is overgelegd, heeft [eiseres] geen belang meer bij haar vordering. De vordering zal daarom worden afgewezen.

22. Voor het overige wordt iedere beslissing aangehouden.

Beslissing

De kantonrechter:

in het incident (voorlopige voorziening)

veroordeelt de school om binnen één week na betekening van dit vonnis om aan [eiseres] bij wijze van voorschot te betalen een bedrag van € 75.000,00 (zegge: vijfenzeventigduizend euro);

verklaart dit vonnis in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

in de hoofdzaak

verwijst de zaak naar de rolzitting van 29 september 2010 voor uitlating royement dan wel akte uitlating inzake hetgeen hiervoor is overwogen in rechtsoverwegingen 18 en 19, aan zijde van beide partijen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door mr. P. Schulting, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 augustus 2010 in tegenwoordigheid van de griffier.

c 73