Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2010:BN3615

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
04-08-2010
Datum publicatie
10-08-2010
Zaaknummer
104532 / HA ZA 10-409
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsincident. EEX-Verordening. Vraag of de Nederlandse of de Hongaarse rechter bevoegd is tot kennisneming van de vorderingen. Overeenkomst tot koop/verkoop van roerende zaken. Plaats van levering van deze zaken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 104532 / HA ZA 10-409

Vonnis in incident van 4 augustus 2010

in de zaak van

de vennootschap onder firma

POSTHUMA BATTERIJEN V.O.F.,

gevestigd te IJlst,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat: mr. W.A.J. Hagen, kantoorhoudende te Arnhem,

tegen

de vennootschap naar Hongaars recht

JASZ-PLASZTIK KFT,

gevestigd te Jászberény (Hongarije),

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat: mr. R.L.H. Boas, kantoorhoudende te Goes.

Partijen zullen hierna Posthuma en Jasz-Plasztik genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring;

- de incidentele conclusie van antwoord.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. Het geschil in de hoofdzaak

2.1. Posthuma vordert in de hoofdzaak - kort gezegd - dat het de rechtbank moge behagen om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. te verklaren voor recht dat de door Jasz-Plasztik aan haar geleverde cellen niet voldoen aan de daaraan te stellen eisen;

II. te verklaren voor recht dat Jasz-Plasztik is gehouden de schade te vergoeden die zij heeft geleden als gevolg van de toerekenbare tekortkoming bij de uitvoering van de tussen partijen tot stand gekomen overeenkomst(en);

III. Jasz-Plasztik te veroordelen tot betaling van een bedrag van EUR 101.633,76, te vermeerderen met de daarover verschuldigde wettelijke handelsrente;

IV. Jasz-Plasztik te veroordelen tot de verder door haar geleden schade, te vermeerderen met de daarover verschuldigde wettelijke handelsrente, welke schade nader dient te worden opgemaakt bij staat en dient te worden vereffend volgens de wet;

V. Jasz-Plasztik te veroordelen in de proceskosten.

2.2. Posthuma heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat zij een leverancier is van tractiebatterijen voor industrieel gebruik en dat zij deze batterijen (grotendeels) zelf opbouwt, met behulp van cellen die zij van andere producenten betrekt. Posthuma heeft gesteld dat Jasz-Plasztik een onderneming drijft die zich onder meer bezig houdt met het produceren van cellen voor tractiebatterijen. Posthuma heeft aangevoerd dat zij begin 2008 met Jasz-Plasztik afspraken heeft gemaakt over de soorten cellen die Jasz-Plasztik aan haar zou kunnen leveren, alsmede over de condities waartegen deze leveringen zouden kunnen plaatsvinden en dat zij nadien bestellingen bij Jasz-Plasztik heeft geplaatst en cellen van Jasz-Plasztik geleverd heeft gekregen. Posthuma heeft gesteld dat zij een deel van deze cellen rechtstreeks heeft doorgeleverd aan derden en dat zij een deel van deze cellen heeft verwerkt in de door haar opgebouwde batterijen, welke batterijen zij vervolgens ook aan derden heeft doorgeleverd. Posthuma heeft aangevoerd dat zij via voornoemde derden klachten heeft gekregen over de kwaliteit van de cellen en batterijen. Naar de mening van Posthuma voldoen de cellen die Jasz-Plasztik aan haar heeft geleverd niet aan de daaraan te stellen eisen. Posthuma stelt hierdoor schade te hebben geleden en wenst deze op Jasz-Plasztik te verhalen.

3. Het geschil in het incident en de beoordeling daarvan

3.1. Jasz-Plasztik vordert in het incident dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om van het geschil in de hoofdzaak kennis te nemen. Jasz-Plasztik heeft aan haar vordering

- kort gezegd - ten grondslag gelegd dat de rechter te Hongarije op grond van de artikelen 2 en 5 van de Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: EEX-Verordening) bevoegd is om van het geschil in de hoofdzaak kennis te nemen.

3.2. Posthuma voert verweer, met conclusie tot niet-ontvankelijk verklaring van Jasz-Plasztik in haar incidentele vordering, althans tot afwijzing van deze vordering, met veroordeling van Jasz-Plasztik in de kosten van het incident. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3.3. De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 2 van de EEX-Verordening bepaalt dat zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, worden opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat. Nu Jasz-Plasztik in Hongarije is gevestigd, is de rechter te Hongarije aldus bevoegd om van het geschil in de hoofdzaak kennis te nemen. Volgens artikel 5 lid 1 sub a van de EEX-Verordening kan een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst eveneens worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd. Artikel 5 lid 1 sub b van de EEX-Verordening schrijft evenwel voor overeenkomsten tot koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken en overeenkomsten tot verstrekking van diensten autonoom voor waar de plaats van uitvoering van de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt is gelegen. Nu artikel 5 lid 1 sub c van de EEX-Verordening bepaalt dat sub a van dit artikellid van toepassing is indien sub b niet van toepassing is, zal de rechtbank eerst beoordelen of zij op grond van artikel 5 lid 1 sub b EEX-Verordening bevoegd is om van het geschil in de hoofdzaak kennis te nemen.

3.4. De rechtbank is van oordeel dat de overeenkomst tussen partijen kan worden aangemerkt als een overeenkomst tot koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken. De rechtbank overweegt dat een persoon ingevolge artikel 5 lid 1 sub b van de EEX-Verordening ten aanzien van een verbintenis uit een overeenkomst tot koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken kan worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats in een lidstaat waar de zaken 'volgens de overeenkomst' geleverd werden of geleverd hadden moeten worden, tenzij partijen andersluidende afspraken over de plaats van uitvoering hebben gemaakt. Teneinde vast te stellen welke rechter bevoegd is om van het geschil in de hoofdzaak kennis te nemen, dient de rechtbank te beoordelen waar de batterijcellen volgens de overeenkomst tussen partijen geleverd werden of geleverd hadden moeten worden. Hoewel een deel van batterijcellen mogelijk feitelijk onder de leveringsconditie 'Ex Works' zijn geleverd aan Posthuma, is de rechtbank van oordeel dat Jasz-Plasztik niet dan wel onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat de levering van de batterijcellen onder deze conditie 'volgens de overeenkomst' tussen partijen was voorgeschreven. Posthuma heeft ook uitdrukkelijk betwist dat partijen deze leveringsconditie zijn overeengekomen.

De rechtbank leidt uit de stellingen van partijen af dat de batterijcellen ingevolge de tussen hen bestaande overeenkomst onder de leveringsconditie 'CPT' geleverd moesten worden te IJlst. Posthuma heeft in haar dagvaarding immers gesteld dat zij en Jasz-Plasztik begin 2008 overeenstemming hebben bereikt over de soorten cellen die Jasz-Plasztik aan haar zou kunnen leveren en over de condities waartegen dit zou gebeuren. Een van deze condities, die partijen voorafgaand aan het plaatsen van bestellingen en leveringen zijn overeengekomen, hield volgens Posthuma in dat geleverd zou worden CPT IJlst. Jasz-Plasztik heeft dit niet weersproken. Posthuma heeft evenwel gesteld dat enkele bestellingen - op haar uitdrukkelijk verzoek - door Jasz-Plasztik CPT Arnhem zijn geleverd. De rechtbank zal voorbijgaan aan de stellingen die Posthuma in haar incidentele conclusie van antwoord heeft ingenomen, inhoudende dat zij nimmer met Jasz-Plasztik is overeengekomen dat de batterijcellen CPT geleverd zouden worden en dat zelfs nimmer over deze leveringsconditie is gesproken. Deze stellingen stroken immers geenszins met de stellingen die Posthuma in haar dagvaarding heeft ingenomen.

3.5. De rechtbank overweegt dat de door partijen overeengekomen leveringsconditie CPT ('Carriage Paid To') - kort gezegd - inhoudt dat de verkoper de (verkochte) goederen levert aan een door hem in te schakelen vervoerder en dat deze vervoerder - op kosten van de verkoper - zorg draagt voor het vervoer van deze goederen naar de bestemming die is overeengekomen met de koper. Vanaf het moment dat de verkoper de goederen aan de vervoerder heeft geleverd draagt de koper het risico en eventuele andere kosten met betrekking tot de goederen. De plaats waar de goederen volgens de overeenkomst moeten worden afgeleverd betreft naar het oordeel van de rechtbank de plaats waar de verkoper de goederen aan de vervoerder aflevert en niet - zoals Posthuma heeft gesteld - de plaats waar de vervoerder de goederen aflevert. Nu Jasz-Plasztik onweersproken heeft gesteld dat zij de batterijcellen aan een vervoerder in Hongarije heeft afgeleverd, betreft de plaats waar de batterijcellen volgens de overeenkomst werden of hadden moeten worden een plaats in de lidstaat Hongarije. Aldus is de rechter te Hongarije op grond van artikel 5 lid 1 sub b van de EEX-Verordening bevoegd om van het geschil in de hoofdzaak kennis te nemen. De rechtbank zal de incidentele vordering van Jasz-Plasztik dan ook toewijzen en zich onbevoegd verklaren om van het geschil in de hoofdzaak kennis te nemen.

3.6. Posthuma zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het incident, alsmede in de kosten van de hoofdzaak.

4. De beslissing

De rechtbank,

in het incident

4.1. wijst de vordering van Jasz-Plasztik toe,

4.2. veroordeelt Posthuma in de kosten van het incident, aan de zijde van Jasz-Plasztik tot op heden vastgesteld op EUR 452,- aan salaris advocaat,

in de hoofdzaak

4.3. verklaart zich onbevoegd om van het geschil in de hoofdzaak kennis te nemen,

4.4. veroordeelt Posthuma in de kosten van de hoofdzaak, aan de zijde van Jasz-Plasztik tot op heden vastgesteld op EUR 2.235,- aan vast recht.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.E. Geerlings en in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2010.?