Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2010:BN3513

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
09-08-2010
Datum publicatie
09-08-2010
Zaaknummer
17/755004-09 VEV
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

hennepplantage, doorzoeking, Algemene wet binnentreden, grenzen bevoegdheid

Wetsverwijzingen
Opiumwet 3, geldigheid: 2010-08-09
Opiumwet 11, geldigheid: 2010-08-09
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector straf

parketnummer 17/755004-09

verkort vonnis van de politierechter d.d. 9 augustus 2010 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1955 te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 26 juli 2010.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. C. Eenhoorn, advocaat te Groningen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip in of omstreeks de

periode van september 2007 tot 14 april 2009, te Harlingen, (althans) in de

gemeente Harlingen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of

verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de

[adres]) ongeveer 60, althans een (groot) aantal hennepplanten

en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30

gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op

de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- veroordeling voor het ten laste gelegde;

- oplegging van een werkstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis, waarvan 60 uren, subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Bespreking van het verweer

De raadsman bepleit dat de opsporingsambtenaren niet binnen hun bevoegdheid van het bepaalde in artikel 9 Opiumwet zijn gebleven. Zijns inziens heeft een doorzoeking plaatsgehad omdat de opsporingsambtenaren overal hebben gezocht. Naar de mening van de raadsman hebben de opsporingsambtenaren meer gedaan dan alleen zoekend rondkijken, hetgeen meebrengt dat het resultaat van de zoeking niet kan worden meegenomen voor het bewijs.

De feiten

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het volgende gebleken.

Op 10 april 2009 is een brigadier van politie voor een andere aangelegenheid in verdachtes woning geweest. Hij rook toen een duidelijke geur van hennep.

Hennepplanten heeft hij toen niet gezien. Later hoorde genoemde brigadier van politie dat zich in de kelder van verdachtes woning een hennepplantage bevond.

Op 14 april 2009 hebben twee andere brigadiers van politie met een machtiging als bedoeld in artikel 2 van de Algemene wet op het binnentreden de woning van verdachte zonder diens toestemming betreden door het opendrukken van een zijdeur. In een kast onder de trap naar de slaapkamers zagen zij dat onder een zeil een houten plaat lag.

Zij hebben deze plaat opgetild en zagen daaronder een kelderruimte, die toegankelijk was door een trapje. In de kelderruimte zagen zij een in werking zijnde hennepkwekerij. Zij hebben vervolgens de tot deze kwekerij behorende voorwerpen in beslag genomen. De machtiging tot binnentreden die zich bij de stukken bevindt vermeldt als doel: in beslag nemen van drugs volgens lijst II van de Opiumwet.

Het toetsingskader

Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b. van de Opiumwet hebben opsporingsambtenaren, voor zover dat redelijkerwijze voor de vervulling van hun taak nodig is, toegang tot de plaatsen, waar een overtreding van meergemelde wet gepleegd wordt of waar redelijkerwijze vermoed kan worden, dat zodanige overtreding gepleegd wordt.

Ingevolge artikel 9, derde lid, van de Opiumwet zijn opsporingsambtenaren te allen tijde bevoegd tot inbeslagneming van daarvoor vatbare voorwerpen.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Algemene wet op het binnentreden is voor het betreden van een woning zonder toestemming van de bewoner een schriftelijke machtiging vereist. Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c. van laatstgenoemde wet vermeldt de machtiging het doel waarvoor wordt binnengetreden.

Ingevolge artikel 9 van laatstgenoemde wet kan degene die bevoegd is zonder toestemming van de bewoner binnen te treden zich de toegang tot of de doorgang in de woning verschaffen, voor zover het doel van het binnentreden dit redelijkerwijs vereist.

Uit het bepaalde in artikel 110 van het Wetboek van strafvordering in samenhang met de artikelen 96c en 97 van dat wetboek volgt dat doorzoeking van een woning geschiedt door de rechter-commissaris.

Beoordeling

Uit het vorenstaande volgt dat de opsporingsambtenaren op 14 april 2009 redelijkerwijze konden aannemen dat in de kelder van verdachtes woning artikel 3 van de Opiumwet werd overtreden. Deze verdenking behelsde dat zich in die kelder hennepplanten bevonden. De opsporingsambtenaren waren daarom bevoegd de woning van verdachte ook zonder diens toestemming te betreden om daar middelen als vermeld op lijst II, behorende bij de Opiumwet in beslag te nemen. In de woning mochten zij zich de doorgang verschaffen. Het recht van doorgang omvat het betreden van alle vertrekken in de woning -dus ook een kelderruimte, zelfs als daarvoor het forceren van een binnendeur nodig is. De politierechter ontleent steun voor deze opvatting aan het arrest van de Hoge Raad van 21 oktober 2003, LJN AH9998. Nu de opsporingsambtenaren in de onderhavige zaak zonder geweld uit te oefenen een kastdeur hebben geopend en een losliggende houten plaat onder een zeil hebben opgetild, waarna zij zonder verdere doorzoeking de kelderruimte met daarin een hennepkwekerij hebben waargenomen, zijn zij binnen de grenzen van hun bevoegdheid gebleven en is geen sprake van een onrechtmatige doorzoeking. Aan het proces-verbaal waarin de opsporingsambtenaren verantwoording afleggen van hun ambtshandelingen kleeft geen smet en dat proces-verbaal is dan ook toelaatbaar als bewijsmiddel. Het verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring

De politierechter acht het ten laste gelegde feit bewezen, met dien verstande dat:

hij in de periode van september 2007 tot 14 april 2009, te Harlingen, in de gemeente Harlingen, opzettelijk heeft geteeld in een pand aan de [adres] ongeveer 60, hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de politierechter dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op het misdrijf:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid verdachte

De politierechter acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

De politierechter neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking:

- de aard en de ernst van het gepleegde feit;

- de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komt uit het uittreksel uit het algemeen documentatieregister;

- de vordering van de officier van justitie;

- het pleidooi van de raadsman.

Verdachte heeft een hennepkwekerij ingericht met 60 planten. Zijn motief was met de opbrengst van de planten geld te verdienen. Door zijn gedraging heeft hij bijgedragen aan het in stand houden van de illegale handel in cannabis. Voor een feit als dit hanteert de politierechter voor de strafmaat een landelijk oriëntatiepunt dat voorziet in een geldboete van € 1.000,00. Er is geen reden hiervan af te wijken.

Toepassing van wetsartikelen

De politierechter heeft gelet op de artikelen 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE POLITIERECHTER LUIDT, RECHTDOENDE:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld en verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte te dier zake tot:

Betaling van een geldboete ten bedrage van € 1.000,00 (zegge: éénduizend euro), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door 20 dagen hechtenis.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.H. Severein, politierechter, bijgestaan door L. Palstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 augustus 2010.