Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2010:BN2991

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
03-05-2010
Datum publicatie
02-08-2010
Zaaknummer
09/2277
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

verlaging bezoldiging tot 70% na 52 weken ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte - is er sprake van een beroepsziekte ten gevolge van een onderzoek naar stalking? - geen buitensporige werkomstandigheden welke op dat moment (objectief gezien) tot arbeidsongeschiktheid moesten leiden - direct voorafgaande aan het uitvallen heeft betrokkenen bijna twee jaar gewerkt, zonder dat in die periode is gebleken dat hij niet in staat was de werkzaamheden te verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

procedurenummer: AWB 09/2277

uitspraak van de meervoudige kamer van 3 mei 2010 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats],

eiser (hierna: [eiser]),

gemachtigde: mr. drs. M.R. van der Pol, advocaat te Leeuwarden,

en

de staatssecretaris van Financiën,

verweerder (hierna: de staatssecretaris),

gemachtigden: mr. H. van Geffen, mr. D.B. van der Werff en H. Siemens, allen werkzaam bij de Belastingdienst.

Procesverloop

Bij brief van 27 juli 2009 heeft de staatssecretaris aan [eiser] mededeling gedaan van een besluit op bezwaar betreffende de toepassing van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (hierna: ARAR). Tegen dit besluit heeft [eiser] beroep aangetekend.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 8 februari 2010. [eiser] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens de staatssecretaris zijn de voornoemde gemachtigden verschenen.

Motivering

Feiten

1.1 [eiser] is sinds 1 januari 1974 werkzaam in dienst van het Ministerie van Financiën. Tot 22 november 2004 was [eiser] werkzaam bij de Belastingdienst/Douane Noord te Harlingen (hierna: Douane Noord). Op 10 maart 2003 heeft [eiser] zich ziek gemeld wegens psychische klachten, waarna hij op 7 september 2004 weer beter is gemeld.

1.2 In de jaren 2003 en 2004 heeft binnen de Douane Noord een onderzoek plaatsgevonden naar de stalking van een medewerker, waarbij onder meer de mogelijke betrokkenheid van [eiser] is onderzocht. In het kader van dit onderzoek is onder meer handschriftkundig onderzoek gedaan en zijn door Hoffman Bedrijfsrecherche BV gesprekken gevoerd met [eiser]. Gedurende het onderzoek is aan [eiser] enige tijd buitengewoon verlof verleend. Op basis van de uitkomsten van dit onderzoek hebben de managementteams van de Douane Noord en de Belastingdienst/Noord in een vaststellingsovereenkomst van 31 maart 2005 (onder meer) vastgelegd dat er een reële kans bestaat dat [eiser] niet betrokken is bij het stalken, dat het onderzoek richting [eiser] zal worden stopgezet, dat geen disciplinaire maatregelen zullen worden genomen, dat het management van de Belastingdienst/Noord nadrukkelijk wenst uit te gaan van de onschuld van [eiser] en dat [eiser] de toegezegde ondersteuning zal krijgen bij het ingezette reïntegratietraject. [eiser] heeft deze vaststellingsovereenkomst op 1 april 2005 ondertekend. Op verzoek van [eiser] heeft Niehoff & de Jong op kosten van de Belastingdienst/Noord een contra-expertise uitgevoerd in de vorm van een schriftonderzoek. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 10 oktober 2005. In dat rapport wordt geconcludeerd dat [eiser] met zeer hoge mate van waarschijnlijkheid niet de schrijver is van een in het kader van de stalking ingevulde bestelbon. Mede naar aanleiding van de contra-expertise heeft de Belastingdienst/Noord [eiser] in januari 2006 een compensatievoorstel gedaan. [eiser] heeft daarop niet gereageerd.

1.3 Met ingang van 22 november 2004 is [eiser] aangesteld als behandelingsfunctionaris E bij de Belastingdienst/Noord te Leeuwarden. In de periode van 22 november 2004 tot en met medio juni 2005 is [eiser] stapsgewijs begonnen met zijn werkzaamheden bij de Belastingdienst/Noord te Leeuwarden en heeft hij in dat kader een opleiding gevolgd. In de periode van medio juni 2005 tot en met december 2005 is aan [eiser] in verband met de contra-expertise bijzonder verlof verleend. Met ingang van januari 2006 heeft [eiser] zijn werkzaamheden bij de Belastingdienst/Noord te Leeuwarden hervat. Op 28 september 2007 heeft de toenmalige juridisch adviseur van [eiser] contact gezocht met de Belastingdienst/Noord over een mogelijke compensatie. Op 7 december 2007 heeft [eiser] zich ziek gemeld voor zijn werkzaamheden. Op 14 december 2007, 8 februari 2008 en 1 september 2008 heeft de Belastingdienst/Noord aan [eiser] wederom schriftelijk compensatievoorstellen gedaan. [eiser] is niet ingegaan op de finale aanbieding van 1 september 2008.

1.4 Bij besluit van 9 januari 2009 heeft een lid van het managementteam van de Belastingdienst/Noord namens de staatssecretaris de bezoldiging van [eiser] met toepassing van artikel 37, eerste lid, van het ARAR met ingang van 1 januari 2009 verlaagd tot 70%.

1.5 Bij het bestreden besluit heeft een lid van het managementteam van de eenheid Belastingdienst/Centrum voor informatie- en communicatietechnologie namens de staatssecretaris het bezwaar van [eiser] tegen het besluit van 9 januari 2009 ongegrond verklaard.

Geschil

2.1 In geschil is de vraag of [eiser] ook na 1 januari 2009 recht had op doorbetaling van zijn volledige bezoldiging.

2.2 [eiser] beantwoordt deze vraag bevestigend. Hij stelt zich op het standpunt dat de ongeschiktheid om zijn arbeid te verrichten wordt veroorzaakt door een beroepsziekte. Volgens [eiser] is zijn arbeidsongeschiktheid een direct gevolg van het spanningsveld dat is ontstaan na de hernieuwde beschuldigingen dat hij zijn superieur [X] zou hebben gestalkt, de wijze waarop hij is bejegend tijdens het daarop volgende onderzoek en de wijze waarop de Belastingdienst de kwestie kennelijk wenst af te doen. De arbeidsongeschiktheid is veroorzaakt door onaanvaardbare gedragingen van de Belastingdienst en is niet te wijten aan schuld of onvoorzichtigheid van zijn kant. Voorts heeft [eiser] aangevoerd dat de Belastingdienst hem steeds inzage in het stalkingsdossier heeft geweigerd en niet heeft gehandeld overeenkomstig de interne regelgeving betreffende integriteitschendingen.

2.3 De staatssecretaris beantwoordt de onder 2.1 vermelde vraag ontkennend en handhaaft het bestreden besluit. Hij stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een beroepsziekte, omdat het besluit tot het onderzoeken van het stalken van [X] en de wijze waarop dit onderzoek is uitgevoerd, objectief beschouwd, niet als abnormaal of buitensporig kunnen worden gekwalificeerd. Voorts wijst de staatssecretaris erop dat de stalkingskwestie op formele wijze is afgehandeld door middel van de vaststellingsovereenkomst van 31 maart 2005. Vervolgens is aan [eiser] coulancehalve een aantal compensatievoorstellen gedaan, waarop [eiser] niet is ingegaan. Ook dit zijn volgens de staatssecretaris geen werkomstandigheden die, objectief beschouwd, de kwalificatie abnormaal of excessief toekomt. Volgens de staatssecretaris is [eiser]'s ziekte veeleer het gevolg van de manier waarop hij de situatie ervaart.

Beoordeling van het geschil

3.1 Ingevolge artikel 35, aanhef en onder d, van het ARAR wordt in dit hoofdstuk onder beroepsziekte verstaan: een ziekte, welke in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht, en niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten. Ingevolge artikel 35, aanhef en onder f, wordt in dit hoofdstuk onder beroepsincident verstaan: een dienstongeval of een beroepsziekte voortvloeiend uit een gevaarzettende situatie die rechtstreeks verband houdt met de uitvoering van zijn taak waaraan de ambtenaar zich vanwege zijn specifieke functie niet kan onttrekken.

3.2 Ingevolge artikel 37, eerste lid, van het ARAR heeft de ambtenaar bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte gedurende een tijdvak van 52 weken recht op doorbetaling van zijn bezoldiging. Bij voortdurende ongeschiktheid heeft hij vervolgens recht op doorbetaling van 70% van zijn bezoldiging. Ingevolge het vierde lid heeft de ambtenaar, in afwijking van het eerste lid, ook na afloop van het tijdvak van 52 weken, bedoeld in het eerste lid, recht op doorbetaling van zijn bezoldiging indien de ongeschiktheid om zijn arbeid te verrichten wordt veroorzaakt door een beroepsincident.

3.3 Tussen partijen is niet in geschil dat eisers ziekte van psychische aard is. Het is vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) dat voor een aanspraak als thans in geding, vereist is dat, naar gelang de ziekten of gebreken in sterkere mate van psychische aard zijn, in meerdere mate sprake zal moeten zijn van bijzondere factoren, die niet alleen deel uitmaken van of in rechtstreeks verband staan met het werk of de werkomstandigheden, maar die in verhouding daartoe - objectief beschouwd - een abnormaal of excessief of, zoals de CRvB het thans aanduidt, een buitensporig karakter dragen. Het ligt daarbij op de weg van de ambtenaar, die in aanmerking wenst te komen voor volledige doorbetaling van zijn bezoldiging, om voldoende feiten aan te dragen ter onderbouwing van de stelling dat van dergelijke omstandigheden sprake is. De rechtbank verwijst in dit kader bijvoorbeeld naar een uitspraak van de CRvB van 12 november 2009 (gepubliceerd op rechtspraak.nl onder LJN BK3891).

3.4 De rechtbank stelt voorop dat zij in het midden zal laten of gedurende het onderzoek naar de stalkingskwestie in de periode van 2003 tot en met 2005 voor [eiser] sprake was van omstandigheden met een buitensporig karakter. Nu [eiser] na het beëindigen van dit onderzoek gedurende een periode van bijna twee jaar heeft gewerkt bij de Belastingdienst/Noord en hij zich eerst op 7 december 2007 ziek heeft gemeld, is voor het antwoord op de vraag of [eiser] recht heeft op volledige doorbetaling van zijn bezoldiging bepalend of diens ziekmelding op 7 december 2007 kan worden toegeschreven aan buitensporige werkomstandigheden welke op dat moment - objectief gezien - tot arbeidsongeschiktheid moesten leiden.

3.5 Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser] dergelijke werkomstandigheden niet aannemelijk gemaakt en is daar ook anderszins onvoldoende van gebleken. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende. Nadat de onderzoeken eind 2005 waren voltooid en (de toenmalige gemachtigde van) [eiser] niet reageerde op het in januari 2006 door de Belastingdienst/Noord gedane compensatievoorstel, was de stalkingskwestie objectief gezien afgesloten. Vervolgens heeft [eiser] van januari 2006 tot 7 december 2007 gewerkt bij de Belastingdienst/Noord, zonder dat in die periode is gebleken dat hij niet in staat was deze werkzaamheden te verrichten. [eiser] is in deze periode niet onder behandeling geweest voor psychische problemen en hij heeft ook geen stukken in het geding gebracht waaruit blijkt dat in die periode dergelijke problemen speelden. Daarom heeft [eiser] naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen (de wijze van uitvoeren van) het onderzoek in de stalkingskwestie en [eiser]'s ziekmelding op 7 december 2007. De omstandigheid dat [eiser] eind 2007, naar aanleiding van een gesprek met een leidinggevende, kennelijk tot de conclusie is gekomen dat de kwestie naar zijn mening nog niet op een bevredigende wijze was afgesloten, kan niet tot de conclusie leiden dat op dat moment sprake was van buitensporige werkomstandigheden, aangezien [eiser]'s subjectieve beleving daarbij niet doorslaggevend kan zijn.

3.6 Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van arbeidsongeschiktheid ten gevolge van een beroepsincident en dat de staatssecretaris daarom terecht en op goede gronden heeft besloten [eiser]'s bezoldiging met ingang van 1 januari 2009 te verlagen tot 70%. Dit betekent dat het beroep ongegrond is.

Proceskosten

4. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. E. de Witt, voorzitter, en door mrs. C.H. de Groot en P.G. Wijtsma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.F. van Emst als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2010.

w.g. E. de Witt

w.g. F.F. van Emst

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:13 in samenhang met artikel 6:24 van de Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Centrale Raad van Beroep

Postbus 16002

3500 DA Utrecht

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.