Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2010:BN1234

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
13-07-2010
Datum publicatie
15-07-2010
Zaaknummer
17/880553-09 PROM
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mensenhandel, Roemeense bouwvakkers, schorsing voorlopige hechtenis, uitbuiting, valselijk opmaken

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 47
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 225
Wetboek van Strafrecht 420ter
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector straf

parketnummer 17/880553-09

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 13 juli 2010 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 8 en 9 april 2010 en 29 en 30 juni 2010.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. E. van der Meer, advocaat te Leeuwarden.

Tenlastelegging

Aan verdachte is na wijziging ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2007 tot en met 7 maart 2009 te

Leeuwarden en/of elders in Nederland en/of in Roemenië, tezamen en

in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

sub 1 .-een of meer mannen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] door

dwang en/of geweld en/of een of meer andere feitelijkheden of door dreiging

met geweld of een of meer andere feitelijkheden en/of door afpersing, fraude

misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden

voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie of door het

geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een

persoon te verkrijgen die zeggenschap had over die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of

[slachtoffer 3] heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met het

oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of

sub 4 -een of meer mannen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] met

een van de onder sub 1 genoemde middelen heeft gedwongen of bewogen zich

beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten dan wel onder

een of meer van de onder a genoemde omstandigheden enige handelingen heeft

ondernomen waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die [slachtoffer 1]

en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] zich daardoor beschikbaar zouden stellen tot het

verrichten van arbeid of diensten en/of

sub 6.- opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van een of meer

mannen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3],

immers heeft verdachte met een of meer van zijn mededaders en/of alleen,

-aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] gevraagd of zij in de bouw in

Nederland wilden werken en/of

-de reiskosten voor die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] betaald om van

Roemenie naar Nederland te reizen en/of

-die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] naar een werkplek gebracht aan de

[adres 1] te Leeuwarden alwaar zij verbouwingswerkzaamheden dienden uit te

voeren en/of

-er niet voor gezorgd dat er een fatsoenlijke plek was om te verblijven (er

werd geslapen in de kamers (soms met 7 man tegelijk) waarin werd gewerkt op

matrassen op de grond) zulks terwijl dit wel was beloofd en/of

-er niet voor gezorgd dat er op die plek goede sanitaire voorzieningen waren

en/of tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] gezegd dat zij twaalf uren per

dag en 66 uren per week moesten werken en/of

-het salaris van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] gekort indien zij zich

hadden verslapen of te lang op het toilet hadden gezeten en/of

-telkens toezicht heeft doen houden op die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3]

en/of telkens die [slachtoffer 1] gebeld en gevraagd wat hij deed en waar hij was en/of

(vervolgens)

-die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] naar een werkplek in Bolsward gebracht

waar zij in een (in een garage geparkeerde) caravan moesten slapen en/of waar

geen stroom, wc of stromend water was en/of

-in Bolsward in eerste instantie niet gezorgd voor fatsoenlijke sanitaire

voorzieningen/kookgelegenheid (douchen moest in een container met behulp van

een slang) en/of

later (toen de douchegelegenheid gesloten werd in Bolsward) dienden die [slachtoffer 1]

en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] zich buiten te wassen met behulp van emmers en/of

het eten diende gekookt te worden in de garage en/of

-telkens een deel van het salaris niet betaald en/of te laat betaald en/of

-tegen die [slachtoffer 1] gezegd dat ze contact hadden met de politie en/of

invloedrijke mensen kenden en/of dat ze geen contacten mochten hebben met

andere Roemenen en/of

-aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] verplicht op papier bij te houden

hoelang zij hadden gewerkt en/of hoelang zij naar de wc waren geweest en/of

hoelang zij hadden gegeten en/of als zij het papier niet hadden die [slachtoffer 1]

en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] gedreigd dat het salaris zou worden ingehouden en/of

-die [slachtoffer 1] bedreigd met de dood en/of dat criminele personen uit Roemenie

hem zou opzoeken en in stukjes snijden en in de zouden Donau gooien en/of

tegen die [slachtoffer 1] gezegd dat hij zou worden vermoord en/of onthoofd, althans

woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

-tegen die [slachtoffer 1] gezegd dat hij het niet in zijn hoofd moest halen om weg

te gaan want daar zou hij spijt van krijgen en/of

-tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] gezegd dat zij niet voor anderen

mochten gaan werken en als ze dit wel zouden doen worden ze teruggestuurd naar

Roemenie en/of

-die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] geslagen en/of geschopt en/of

-die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] bedreigd met een vuurwapen en/of kogels

laten zien en/of

-tegen die [slachtoffer 3] gezegd dat hij in stukken zou worden gesneden en in een

kanaal zou worden gegooid en/of

-tegen die [slachtoffer 2] gezegd dat ze hem dood zouden schieten en/of kapot zouden

maken en/of in stukken snijden en/of

-tegen die [slachtoffer 3] gezegd dat hij zou worden doodgeschoten en/of doodgereden en/of

-door middel van het gebruiken van Roemeense arbeiders in Nederland en de

hiermee gepaard gaande notificatieplicht, er voor gezorgd

dat die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] ook niet voor andere opdrachtgevers

in Nederland mochten werken,

een en/of ander terwijl die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] de Nederlandse

taal niet of onvoldoende sprak/beheerste en/of onbekend was in Nederland en/of

met de Nederlandse regels en/of wetten en/of gewoonten en/of gebruiken en/of

(bijna) niemand in Nederland kende

en/of/aldus

bewerkstelligd dat die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] van hem/hen

afhankelijk was/waren;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2007 tot en met 7 maart 2009 te

Leeuwarden, en/of elders in Nederland en/of in Roemenië, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

sub 1 .-een man [slachtoffer 4] door dwang en/of geweld en/of een of meer andere

feitelijkheden of door dreiging met geweld of een of meer andere

feitelijkheden en/of door afpersing, fraude misleiding dan wel door misbruik

van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, door misbruik van

een kwetsbare positie of door het geven of ontvangen van betalingen of

voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap had

over die [slachtoffer 4] heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen,

met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer 4] en/of

sub 4 -een man [slachtoffer 4] met een van de onder sub 1 genoemde middelen heeft

gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid

of diensten dan wel onder een of meer van de onder a genoemde omstandigheden

enige handelingen heeft ondernomen waarvan hij wist of redelijkerwijs moest

vermoeden dat die [slachtoffer 4] zich daardoor beschikbaar zouden stellen tot het

verrichten van arbeid of diensten en/of

sub 6.- opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van een man [slachtoffer 4],

immers heeft verdachte met een of meer van zijn mededaders en/of alleen,

-tegen die [slachtoffer 4] gezegd dat de reiskosten werden betaald, zulks terwijl later

de reiskosten van het salaris werden afgetrokken en/of dat de huisvesting was

geregeld en/of

-die [slachtoffer 4] naar een werkplek gebracht aan de [adres 1] te Leeuwarden alwaar

hij verbouwingswerkzaamheden diende uit te voeren en/of

-er niet voor gezorgd dat er een fatsoenlijke plek was om te verblijven zulks

terwijl dit wel was beloofd (er werd geslapen op een matras op de grond in de

kamers waarin gewerkt werd) en/of

-er niet voor gezorgd dat er op die plek goede sanitaire voorzieningen waren

en/of

-tegen die [slachtoffer 4] gezegd dat hij 11 uren per dag moest werken en/of indien hij

zich had verslapen hij een boete kreeg en/of

-tegen die [slachtoffer 4] gezegd dat hij niet de stad in mocht gaan en contact leggen

met andere Roemenen en/of

-die [slachtoffer 4] heeft beboet als hij zich had verslapen en/of

-tegen een arts gezegd dat die [slachtoffer 4] was geblesseerd geraakt met voetballen

zulk terwijl hij in werkelijkheid op de werkplek van een ladder was gevallen

en/of moest die [slachtoffer 4] met de blessure doorwerken en/of

-door middel van het gebruiken van Roemeense arbeiders in Nederland en de

hiermee gepaard gaande notificatieplicht, er voor gezorgd

dat die [slachtoffer 4] ook niet voor andere opdrachtgevers in Nederland mocht werken,

een en/of ander terwijl die [slachtoffer 4] de Nederlandse taal niet of onvoldoende

sprak/beheerste en/of onbekend was in Nederland en/of met de Nederlandse

regels en/of wetten en/of gewoonten en/of gebruiken en/of (bijna) niemand in

Nederland kende

en/of/aldus

bewerkstelligd dat die [slachtoffer 4] van hem/hen afhankelijk was;

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2007 tot en met 7 maart 2009 te

Leeuwarden en/of elders in Nederland en/of in Roemenië, tezamen en

in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

sub 1 .-een man [slachtoffer 5] door dwang en/of geweld en/of een of meer andere

feitelijkheden of door dreiging met geweld of een of meer andere

feitelijkheden en/of door afpersing, fraude misleiding dan wel door misbruik

van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, door misbruik van

een kwetsbare positie of door het geven of ontvangen van betalingen of

voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap had

over die [slachtoffer 5] heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of

opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer 5] en/of

sub 4 -een man [slachtoffer 5] met een van de onder sub 1 genoemde middelen heeft

gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid

of diensten dan wel onder een of meer van de onder a genoemde omstandigheden

enige handelingen heeft ondernomen waarvan hij wist of redelijkerwijs moest

vermoeden dat die [slachtoffer 5] zich daardoor beschikbaar zouden stellen tot het

verrichten van arbeid of diensten en/of

sub 6.- opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van een man

[slachtoffer 5],

immers heeft verdachte met een of meer van zijn mededaders en/of alleen,

-aan die [slachtoffer 5] gevraagd of hij in de bouw in Nederland wilde werken en/of

-tegen die [slachtoffer 5] gezegd dat hij de reis voor hem zou betalen en/of 8 a 10

uren per dag zou moeten werken en/of dat de woonomstandigheden goed zouden

zijn en/of dat hij verzekerd zou zijn en/of

-een werkplek voor die [slachtoffer 5] geregeld aan de [adres 1] te Leeuwarden waar

hij ook moest slapen op een matras op de grond met 5 personen in een kamer

en/of er niet voor gezorgd dat er op die plek goede

sanitaire voorzieningen waren en/of

-tegen die [slachtoffer 5] gezegd dat hij minimaal 70 uren per week met werkdagen van

11 of 12 uur per dag moest werken en/of

-niet altijd de gewerkte uren uitbetaald en/of die [slachtoffer 5] telkens opgejaagd

en/of het paspoort ingenomen en/of

-die [slachtoffer 5] telkens gecontroleerd en/of

-telkens als straf op het loon bedragen in mindering gebracht en/of

-de reiskosten tegen de afspraken in op het loon in mindering gebracht en/of

-gezegd dat hij te laat was , zulks terwijl dat in werkelijkheid niet zo was,

waarna er geen loon werd uitbetaald en/of

- en/of

-die [slachtoffer 5] bedreigd door te zeggen:"wie weet in welke hoedanigheid je naar

huis gaat" en/of

-een wapen laten zien en/of

-door middel van het gebruiken van Roemeense arbeiders in Nederland en de

hiermee gepaard gaande notificatieplicht, er voor gezorgd

dat die [slachtoffer 5] ook niet voor andere opdrachtgevers in Nederland mocht werken,

een en/of ander terwijl die [slachtoffer 5] de Nederlandse taal niet of onvoldoende

sprak/beheerste en/of onbekend was in Nederland en/of met de Nederlandse

regels en/of wetten en/of gewoonten en/of gebruiken en/of (bijna) niemand in

Nederland kende

en/of/aldus

bewerkstelligd dat die [slachtoffer 5] van hem/hen afhankelijk was/waren;

4.

hij in of omstreeks de periode van 22 mei 2007 tot en met 3 maart 2008 te

Leeuwarden, althans elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of

meer ander(en) althans alleen, meermalen, althans eenmaal,

(telkens) een factuur op naam gesteld van [bedrijf 1] gericht aan [bedrijf 2], [adres 2] en/of [verdachte] [adres 2], - (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van

enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft

verdachte en/of verdachtes mededader(s) (telkens) valselijk naast de

omschrijving afbouwwerk en sloopwerk [bedrijf 2] en/of

schilderwerk en Stuckwerk [bedrijf 2] en/of afbouwwerk

[adres 1] en sloopwerk,

een hoger factuurbedrag vermeld dan de werkelijk door [bedrijf 1]

gemaakte kosten, althans een onjuist factuurbedrag zulks (telkens) met het

oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door

anderen te doen gebruiken;

Subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en

strafoplegging aan verdachte

hij in of omstreeks de periode van 22 mei 2007 tot en met 3 maart 2008 te

Leeuwarden althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens)

opzettelijk gebruik heeft gemaakt van (een) vals(e) of vervalst(e) facturen,

p naam gesteld van [bedrijf 1] gericht aan [bedrijf 2], [adres 2] te en/of [verdachte] [adres 2], - - (elk) zijnde een

geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware

die/dat geschrift(en) (telkens) echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken

hierin dat verdachte de facturen heeft gefaxed of doen faxen naar de Rabobank

te Damwoude ten behoeve van het verkrijgen van geldbedragen uit een bouwdepot

en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat

telkens naast de omschrijving afbouwwerk en sloopwerk [bedrijf 2]

en/of schilderwerk en Stuckwerk [bedrijf 2] en/of afbouwwerk

[adres 1] en sloopwerk,

een hoger factuurbedrag vermeld dan de werkelijk door [bedrijf 1]

gemaakte kosten, althans een onjuist factuurbedrag;

5.

hij in of omstreeks de periode van 22 mei 2007 tot en met 2 december 2009 te

Leeuwarden, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer

anderen althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft

gemaakt, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) meermalen

een voorwerp, te weten telkens een hoeveelheid geld van in totaal

ongeveer E 401.434,- verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet,

althans van een voorwerp, te weten een hoeveelheid geld van in totaal ongeveer

E 401.434,- gebruik gemaakt,

terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk -

afkomstig was uit enig misdrijf;

Subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en

strafoplegging aan verdachte

hij in of omstreeks de periode van 22 mei 2007 tot en met 2 december 2009,

te Leeuwarden, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer

anderen althans alleen, een voorwerp, te weten een hoeveelheid geld van in

totaal ongeveer E 401.434,- heeft verworven, voorhanden heeft gehad,

overgedragen en/of omgezet, althans van dat voorwerp gebruik heeft gemaakt,

terwijl hij redelijkerwijs moest vermoeden dat bovenomschreven voorwerp -

onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- veroordeling voor het onder 1., 2., 3., 4. primair en 5. primair ten laste gelegde;

- oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

- teruggave aan verdachte van de in beslag genomen goederen met uitzondering van het onroerend goed van verdachte waarop conservatoir beslag is gelegd.

Geldigheid van de dagvaarding

De raadsman heeft ter terechtzitting nietigheid bepleit van de dagvaarding ten aanzien van het onder 5. primair ten laste gelegde. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat de tenlastelegging onvoldoende feitelijk is, zodat niet duidelijk is waar verdachte zich tegen moet verdedigen.

De rechtbank is van oordeel dat uit de bewoordingen van de tenlastelegging, bezien in samenhang met het onderliggende dossier, duidelijk blijkt welk verwijt verdachte wordt gemaakt. Bovendien heeft de verdediging er ter terechtzitting voldoende blijk van gegeven dat het haar duidelijk was wat verdachte werd verweten. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.

Beoordeling van het bewijs

Het begrip uitbuiting

Aan verdachte is onder 1., 2. en 3. ten laste gelegd overtreding van artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht (Sr.). In dit artikel is mensenhandel strafbaar gesteld. Het artikel strekt blijkens zijn plaatsing in titel XVIII van dat wetboek (Misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid) tot bescherming van het grondrecht van persoonlijke vrijheid, zoals dat wordt gegarandeerd in de artikelen 4 en 5 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en in artikel 15 van de Grondwet.

Blijkens de wetsgeschiedenis is artikel 273f Sr. onder meer gebaseerd op het VN-Verdrag tegen de grensoverschrijdende georganiseerde criminaliteit1 en het daarbij behorende Protocol ter voorkoming, bestrijding en bestraffing van mensenhandel, inzonderheid handel in vrouwen en kinderen, kortweg het Protocol mensenhandel2.

Blijkens artikel 3 van het Protocol mensenhandel is van mensenhandel sprake als de verweten gedraging geschiedt ten behoeve van uitbuiting.

Uitbuiting omvat blijkens dat artikel naast seksuele uitbuiting ook gedwongen arbeid of diensten, slavernij of praktijken die vergelijkbaar zijn met slavernij, onderworpenheid of de verwijdering van organen. Artikel 273f Sr., tweede lid, geeft soortgelijke indicaties, namelijk - naast seksuele uitbuiting - gedwongen of verplichte arbeid of diensten, slavernij en met slavernij of dienstbaarheid te vergelijken praktijken.

De rechtbank leidt uit de samenhang van bedoelde verdragsbepalingen en de tekst van artikel 273f Sr. af dat ook in geval van niet-seksuele uitbuiting slechts dan van mensenhandel in de zin van laatstgenoemd artikel sprake kan zijn als de dader beoogt een ander uit te buiten. Zij vindt voor deze opvatting steun in de wetsgeschiedenis van artikel 273a Sr. (de voorganger van artikel 273f Sr.), waar de Memorie van toelichting stelt dat mensenhandel is gericht op uitbuiting. Steun ontleent de rechtbank voor haar opvatting ook aan de doctrine3.

De rechtbank zal daarom eerst onderzoeken of de ten laste gelegde gedragingen gedwongen of verplichte arbeid of diensten, slavernij en met slavernij of dienstbaarheid te vergelijken praktijken in de zin van artikel 273f Sr. hebben opgeleverd. Daarbij is van belang of de ten laste gelegde gedragingen in strijd zijn met de menselijke waardigheid, de lichamelijke integriteit of de persoonlijke vrijheid - in de zin van beperking van de bewegingsvrijheid - van de in de tenlastelegging genoemde personen. Voorts moet sprake zijn van een zekere mate van onderwerping of horigheid van deze personen. Tenslotte komt in een geval als het onderhavige betekenis toe aan de aard en de duur van de tewerkstelling, de beperkingen die zij voor de tewerkgestelde meebrengt en het economisch voordeel dat door de tewerksteller wordt behaald. Het referentiekader bestaat daarbij uit de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven en normen4.

Verklaring van verdachte

Verdachte heeft ontkend dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan uitbuiting.

Verklaringen van getuigen

a. De beloning

Alle getuigen die op de projecten [adres 1] te Leeuwarden en [adres 3] te Bolsward hebben gewerkt ([slachtoffer 6], [slachtoffer 7], [slachtoffer 8], [slachtoffer 9], [slachtoffer 3], [slachtoffer 4], [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 5]; hierna: de bouwvakkers) verklaren dat zij een uurloon verdienden van € 8,00. Per week ontvingen zij ongeveer € 525,00. Alleen [slachtoffer 7] zegt dat hij per week € 360,00 uitbetaald kreeg, maar dit komt overeen met de door hem gewerkte uren (40 tot 45 per week). De werkgever was soms wel, soms niet bereid de kosten voor de reis van Roemenië naar Nederland te betalen. Volgens diverse verklaringen werd het loon gekort als volgens de werkgever niet goed was gewerkt, ook wel bij te laat komen, te lang op het toilet zitten of koffie zetten buiten de pauze.

b. De arbeidstijd

De meeste bouwvakkers werkten zes dagen per week, van maandag tot en met zaterdag. Per dag werkten zij 12 uren, op zaterdag 5 à 6 uren. Er waren ook bouwvakkers die minder uren maakten ([slachtoffer 2], [slachtoffer 7], [slachtoffer 8], [slachtoffer 9]). Er was een lunchpauze van een uur. [slachtoffer 9] heeft verklaard dat hij graag overwerkte.

c. De huisvesting

De bouwvakkers die werkten op het project [adres 1] te Leeuwarden woonden in kamers die deel uitmaakten van het te verbouwen pand. De omstandigheden waren volgens de verklaringen van de meesten hunner niet goed. Aanvankelijk sliepen zij op matrassen op de grond. Later kwamen er bedden. Men sliep met vijf tot tien mensen op één kamer. Er was een keuken, een toilet en één douche. Op het project [adres 3] te Bolsward woonden de bouwvakkers in caravans. Volgens [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] was er geen toilet; dit wordt door de overige getuigen niet bevestigd. Vast staat daarentegen dat er geen keuken was en - aanvankelijk - geen douche en geen warmwatervoorziening. De bouwvakkers konden voor een douche terecht in de openbare voorziening aan de haven. Wassen moesten zij zich echter aanvankelijk in een container. Na drie weken zorgde verdachte voor matrassen en een warmwatervoorziening.

d. Bewegingsvrijheid en integriteit

Verscheidene bouwvakkers hebben zich in hun verklaringen beklaagd dat zij in hun bewegingsvrijheid werden belemmerd. [slachtoffer 3] heeft verklaard dat hij niet uit mocht gaan en niet naar de stad mocht gaan. Als hij toch eens naar de stad ging, liep een andere bouwvakker mee om hem te controleren. Ook [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij niet naar de winkel mocht gaan en niet met Roemenen mocht omgaan. Hij mocht volgens zijn zeggen van medeverdachte [medeverdachte] het huis niet verlaten. Hij werd door [medeverdachte] gecontroleerd en moest precies zeggen waar hij was en wat hij deed. [slachtoffer 4] heeft verklaard dat hij niet naar de stad mocht en geen kennissen mocht maken. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij van [medeverdachte] nergens anders mocht gaan werken. Tegenover deze klachten staat dat [slachtoffer 1] eind 2007 met vakantie naar Polen is gegaan. Hij heeft er wel aan gedacht met het werk te stoppen, maar deed dit niet omdat hij het geld hard nodig had. [slachtoffer 4] is na een bedrijfsongeval naar Roemenië vertrokken. Later keerde hij terug naar Nederland en heeft daar nog enkele weken gewerkt. Hij wilde weer voor [medeverdachte] werken. Ook [slachtoffer 2] is een keer terug geweest in Roemenië. Toen hij ziek werd heeft [medeverdachte] hem aangespoord naar huis te gaan, dat wil zeggen naar Roemenië. [slachtoffer 2] heeft later [medeverdachte] opgebeld en hem gevraagd of hij terug kon komen. Volgens eigen zeggen had [slachtoffer 2] wel definitief naar Roemenië kunnen terugkeren, maar dan had hij niet genoeg geld verdiend om zijn schulden af te lossen. Volgens [slachtoffer 2] gingen de bouwvakkers wel uit. [medeverdachte] heeft hen eens meegenomen naar een disco. [slachtoffer 2] heeft voorts verklaard dat hij kon gaan en staan waar hij wilde. Volgens de getuige [slachtoffer 9] konden de bouwvakkers op zaterdag en zondag naar buiten gaan. [slachtoffer 5] heeft verklaard dat [medeverdachte] zeker de helft van de tijd zijn paspoort heeft ingehouden. Daar staat tegenover dat [slachtoffer 1], [slachtoffer 4] en [slachtoffer 9] hebben verklaard dat zij hun paspoort in hun bezit hadden.

Beoordeling

De beloning (€ 8,00 netto per uur) moet naar Nederlandse normen als normaal worden beschouwd. Dat op het loon werd gekort als er niet of niet goed gewerkt was, ligt voor de hand. Dat er minder loon werd betaald als men te lang op het toilet zat of buiten de gewone pauze koffie zette is alleen gebaseerd op de verklaringen van respectievelijk [slachtoffer 1] en [slachtoffer 5] en wordt niet door de andere bouwvakkers bevestigd. De rechtbank acht de verklaringen op deze onderdelen daarom niet aannemelijk. Uit de regeling van de beloning kan, gelet op het vorenstaande, niet worden afgeleid dat verdachte het oogmerk had de bouwvakkers uit te buiten. Deze uitbuiting kan evenmin worden afgeleid uit het feit dat verdachte en medeverdachten een economisch voordeel hebben beoogd. In algemene zin kan uit het streven naar winst bovenop de aan een werknemer betaalde vergoeding geen uitbuiting van die werknemer worden afgeleid. Voor zover verdachte en zijn medeverdachten hebben beoogd dit economisch voordeel te vergroten door geen belastingen en sociale premies te betalen, oordeelt de rechtbank dat hoe laakbaar deze gedraging ook zij, dit niet impliceert dat de bouwvakkers zijn uitgebuit, nu zij immers een netto loon ontvingen dat als normaal kan worden beschouwd en er aldus geen sprake is van het behalen van een economisch voordeel ten koste van de bouwvakkers.

De rechtbank acht het op grond van de hiervoor aangehaalde verklaringen aannemelijk dat de bouwvakkers zes dagen per week werkten. Op zaterdagmiddag en op zondag hadden zij vrij. De meesten hunner werkten ongeveer 12 uren per dag, hetgeen resulteerde in een werkweek van ongeveer 65 uren. Vier bouwvakkers (bijna de helft van de gehoorde getuigen) hebben verklaard dat zij korter werkten. De rechtbank leidt hieruit af dat de bouwvakkers niet gedwongen werden langer dan de in Nederland gebruikelijke 36 tot 40 uren per week te werken. Van belang is ook dat de beloning navenant was aan het aantal gewerkte uren: hoe meer uren men maakte, hoe hoger het loon. Deze regeling wijst niet op een oogmerk van uitbuiting. Ook Nederlandse werknemers werken geregeld over. Veeleer wijst alles erop dat de Roemeense bouwvakkers zoveel mogelijk geld in een zo kort mogelijke tijd wilden verdienen en bereid waren daarvoor hard te werken. [slachtoffer 9] zegt met zoveel woorden dat men graag overwerkte. De werktijden waren in het algemeen van 7.00 uur 's morgens tot 19.00 uur 's avonds. Men had dagelijks een lunchpauze van een uur. Al met al kan uit de hier beschreven regeling van de arbeidstijd niet worden afgeleid dat sprake was van een oogmerk van uitbuiting van de bouwvakkers.

Op de huisvesting van de bouwvakkers kunnen zeker aanmerkingen worden gemaakt. Op zichzelf is het niet onaanvaardbaar dat de bouwvakkers die werkten aan het project [adres 1] te Leeuwarden in kamers woonden die deel uitmaakten van het gebouw waaraan zij werkten. De rechtbank acht het evenwel in strijd met de in Nederland geldende normen dat de bouwvakkers op matrassen op de grond moesten slapen. Ook het aantal personen per kamer (vijf tot tien) is in dit opzicht twijfelachtig. Weliswaar beschikte men over een keuken, een douche en een toilet, maar nu allen daarvan gebruik moesten maken moet deze voorziening als onvoldoende worden aangemerkt. Daar staat tegenover dat er later bedden werden opgesteld. Belangrijker is echter dat het loon dat de bouwvakkers verdienden (gemiddeld circa € 525,00 per week) naar het oordeel van de rechtbank toeliet dat zij elders een kamer huurden of in pension gingen. Uit de verklaringen van de getuigen blijkt niet dat zij in die keuzevrijheid werden belemmerd. De rechtbank heeft de indruk gekregen dat de bouwvakkers hebben gekozen voor huisvesting in de [adres 1] om zo weinig mogelijk kosten te maken. Er was dus geen sprake van onvrijwilligheid in de zin van onderwerping of horigheid aan verdachte. Daarom is voor wat de huisvesting in de [adres 1] betreft, hoezeer zij ook op belangrijke punten tekortschoot, geen sprake van een oogmerk van uitbuiting.

De huisvesting op het project [adres 3] te Bolsward vertoonde ernstiger tekortkomingen. Het onderbrengen van de bouwvakkers in caravans was wellicht niet comfortabel, maar kan naar het oordeel van de rechtbank de toets van de kritiek doorstaan, nu er in elk geval behoorlijke zit- en slaapplaatsen waren. Onaanvaardbaar is echter dat er aanvankelijk geen behoorlijke badgelegenheid was. Er was geen douche en er was geen warm water. De bouwvakkers moesten zich met koud water wassen in een container. Enige tijd konden zij douchen in de daarvoor bestemde openbare voorziening in de haven van Bolsward. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] regelden kaartjes voor die voorziening. Na drie weken zorgde verdachte voor een warmwatervoorziening en bracht hij matrassen. Op grond van het vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de huisvesting in Bolsward aanvankelijk niet voldeed aan de normen die in de Nederlandse samenleving daaraan worden gesteld. Daar staat tegenover dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] zorgden voor een badgelegenheid op niet al te grote afstand van de verblijfplaats van de bouwvakkers en verdachte - na drie weken - voor een warmwatervoorziening en matrassen. Ook hier merkt de rechtbank op dat het loon dat de bouwvakkers verdienden (gemiddeld circa € 525,00 per week) toeliet dat zij elders een kamer huurden of in pension gingen. Uit de verklaringen van de getuigen blijkt niet dat zij in die keuzevrijheid werden belemmerd. Het geheel overziende oordeelt de rechtbank dat op de huisvesting in Bolsward stevige kritiek kan worden uitgeoefend, maar dat vanwege de relatief korte tijd dat de ongewenste situatie heeft bestaan en vanwege de mogelijkheid voor andere huisvesting te kiezen, geen sprake is geweest van een oogmerk van uitbuiting.

De verklaringen van de getuigen over beperkingen van hun bewegingsvrijheid lopen zeer uiteen. Sommige getuigen spreken zichzelf tegen. Eigenlijk is [slachtoffer 3] de enige die duidelijk aangeeft dat hij niet mocht uitgaan en niet naar de stad mocht gaan. [slachtoffer 1], [slachtoffer 4] en [slachtoffer 2] hebben ook verklaard dat zij in hun bewegingsvrijheid werden beperkt, maar daar staat tegenover dat zij alle drie in de periode dat zij in Nederland werkzaam waren naar het buitenland zijn vertrokken en naderhand vrijwillig naar Nederland zijn teruggekeerd om er weer te gaan werken. [slachtoffer 4] heeft zelfs verklaard dat hij weer voor [medeverdachte] wilde werken. [slachtoffer 2] heeft [medeverdachte] opgebeld en hem gevraagd of hij terug kon komen. Overigens blijkt ook niet dat de bouwvakkers hun werkplek niet mochten verlaten. Volgens [slachtoffer 2] gingen de bouwvakkers wel uit en heeft [medeverdachte] hen eens meegenomen naar een discotheek. [slachtoffer 2] heeft later verklaard dat hij kon gaan en staan waar hij wilde. [slachtoffer 9] heeft verklaard dat de bouwvakkers in het weekeinde naar buiten konden gaan. Of de bouwvakkers hun paspoort moesten inleveren is niet duidelijk geworden. Alleen [slachtoffer 5] zegt dat hij zijn paspoort geruime tijd kwijt was. [slachtoffer 1], [slachtoffer 4] en [slachtoffer 9] konden gewoon over hun paspoort beschikken. Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank het niet aannemelijk dat de bewegingsvrijheid van de bouwvakkers dermate is ingeperkt, dat hun recht op persoonlijke vrijheid is geschonden. Een oogmerk van uitbuiting van de bouwvakkers is dus niet vast te stellen.

Op grond van het vorenstaande stelt de rechtbank vast dat er geen sprake was van gedwongen of verplichte arbeid of diensten, slavernij en met slavernij of dienstbaarheid te vergelijken praktijken in de zin van artikel 273f Sr., zodat verdachte van de hem onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde mensenhandel ten aanzien van de bouwvakkers moet worden vrijgesproken.

De rechtbank past met betrekking tot de onder 4. primair en 5. primair ten laste gelegde feiten de volgende bewijsmiddelen toe:

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 8 april 2010, onder meer inhoudende:

Ik had aan de [adres 1] in Leeuwarden een groot appartement gekocht. Dit wilde ik laten ombouwen tot drie appartementen. [medeverdachte] kwam met [naam 1] in mijn woning. Ik heb met ze afgesproken dat zij het pand aan de [adres 1] zouden afmaken en later de appartementen in Bolsward. Twee appartementen waren nieuw en werden verbouwd door de Roemeense bouwvakkers. In Bolsward renoveerden de bouwvakkers bestaande appartementen. Deze appartementen waren van [naam 2] en van mij. Wij hadden allebei de helft van de aandelen.

2. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 9 april 2010, onder meer inhoudende:

Ik was op de hoogte van het bestaan van het bedrijf [bedrijf naam 1] en dat [naam 1] hiervan de eigenaar was. Het klopt dat ik ten aanzien van het pand aan de [adres 1] een bouwdepot had van € 500.000,-. [medeverdachte] bracht wekelijks een factuur waarop ik of mijn moeder deze naar de bank faxte. Mijn moeder zette door middel van internetbankieren de betaling klaar en de factuur werd geverifieerd door de bank. De betalingsopdracht werd uitgevoerd als de bank deze had goedgekeurd. Ik schatte het werk in en dat vergeleek ik met de factuur. Als ik het idee had dat enigszins met elkaar overeenkwam, ging ik akkoord met de factuur en betaalde deze vervolgens.

De rechtbank houdt mij twee facturen voor. De factuur op pagina 847 van het dossier herken ik als de factuur die ik heb ontvangen van [medeverdachte]. Deze heb ik naar de Rabobank gefaxt. De rechtbank houdt mij nog twee facturen voor. De factuur op pagina 862 van het dossier herken ik als de juiste factuur. Deze heb ik van [medeverdachte] ontvangen en heb ik betaald via de Rabobank.

In totaal is er voor ongeveer € 127.000,- gefactureerd met betrekking tot de [adres 1].

[bedrijf 2] is eigenaar van het pand in Bolsward. Ik bezit 50% van de aandelen en [naam 2] bezit 50% van de aandelen van deze BV. De hypotheek staat op mijn naam. Ik ben privé aansprakelijk voor deze lening. Ik weet niet of ik mede aansprakelijk was of alleen. Er was ook een bouwdepot.

Net als bij de [adres 1] controleerde ik wekelijks de voortgang van de werkzaamheden. De facturen die [medeverdachte] had opgemaakt vergeleek ik dan weer met mijn inschatting van het werk. De facturen die [medeverdachte] wekelijks opmaakte kwamen altijd overeen met de inschatting van mij van het gedane werk. Ik betaalde ze dan ook altijd.

3. Het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (proces-verbaalnummer V-04-01) onder meer inhoudende als verklaring van verdachte:

De facturen die bij de Rabobank aanwezig zijn, zijn door mij per fax naar hen verzonden. Indien de bank de factuur had ontvangen, kreeg ik het geld van de bank volgens de factuur. Het is ook wel eens geweest dat ik het geld op mijn rekening gestort kreeg. De factuur van [bedrijf 1] kreeg ik van [medeverdachte]. Ik heb hem misschien wel eens gezegd hoe hij het één en ander moest doen. [medeverdachte] maakte steeds een begroting van de bouwwerkzaamheden. Ik kreeg daarvoor een factuur. Ik had afgesproken dat ik per week zou betalen aan [bedrijf 1]. Op de factuur stond een bedrag met de omschrijving "afbouwwerk en sloopwerk".

3. Het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (proces-verbaalnummer V-01-01) onder meer inhoudende als verklaring van [medeverdachte]:

Ik ben op 16 mei 2007 begonnen met mijn bedrijf [bedrijf 1]. Ik ben dit bedrijf begonnen door [verdachte] om voor hem in de bouw te werken. Ik heb geen personeel, maar heb wel een vriend in Roemenië genaamd [naam 1]. Hij had een bedrijf genaamd [bedrijf naam 1] in Roemenië en hij kon personeel regelen voor mij. Nadat ik mij had ingeschreven met mijn bedrijf ben ik begonnen met een klus aan de [adres 1] te Leeuwarden. Dit was in opdracht van [verdachte], het was ook zijn gebouw.

[verdachte] heeft mij laten zien hoe het één en ander werkt. Hij heeft mij laten zien hoe je bijvoorbeeld een factuur maakt. De allereerste factuur heeft [verdachte] voor mij gemaakt als voorbeeld hoe ik dergelijke facturen moest opstellen. Deze is toen op mijn laptop gezet. [verdachte] kwam ook met het logo van [bedrijf 1].

Ik vertelde [verdachte] wekelijks hoeveel uren er door de werknemers gewerkt zijn. Als voorbeeld voor 6000 euro. [verdachte] gaf mij dan de opdracht om bijvoorbeeld een factuur te maken van 10.000 euro. Ik maakte vervolgens deze factuur en het restbedrag van 4000 euro moest gelijk naar [verdachte].

De facturen van [bedrijf 1] heb ik altijd gemaakt. Ik hoorde van [verdachte] altijd wat het factuurbedrag moest zijn. Op de factuur staat altijd de omschrijving van werkzaamheden. Er staat nooit het aantal gewerkte uren op een factuur. Ik heb dit gedaan omdat [verdachte] tegen mij had gezegd dat dit zo moet. Ik gaf alleen de gewerkte uren door aan [verdachte]. Op de factuur stond altijd een hoger bedrag ook voor de inkoop van bouwmaterialen die ik via [medeverdachte] afbouwtechniek had gedaan. Deze uitgaven staan ook niet op de factuur die naar [verdachte] is gegaan. Ik heb ook gefactureerd aan [adres 3] maar dat is ook gewoon [verdachte]. Dat waren de werkzaamheden in Bolsward.

[naam 1], [verdachte] en ik hadden een afspraak gemaakt. Voor de uren van de werknemers rekenen wij € 12,50. De werknemers krijgen hiervan meestal € 8,00 per gewerkt uur netto. De overige € 4,50 werd verdeeld tussen mij, [naam 1] en [verdachte].

4. Het door de rechter-commissaris d.d. 21 juni 2010 opgemaakte proces-verbaal (RC- nummers: 09/163, 09/293 en 09/807) onder meer inhoudende als verklaring van [naam 1]

Mijn bedrijf [bedrijf naam 1] voerde werkzaamheden uit in Nederland. Het gebeurde met een constructie via het Nederlandse bouwbedrijf [bedrijf 1] van [medeverdachte]. Dat is besloten na een bespreking te Leeuwarden met [verdachte] en [medeverdachte]. Het was ergens in mei 2007. Voorafgaand aan de komst naar Nederland van de werknemers was afgesproken dat € 8,- voor de werknemer zou zijn en € 4,50 voor [medeverdachte]diu en mij. Toen de arbeiders in Nederland waren, bleek de afspraak te zijn dat de commissie in drieën moest worden gedeeld. Namelijk tussen [medeverdachte], [verdachte] en mij. [verdachte] was de bedenker van deze constructie. De ideeën kwamen bijna altijd van [verdachte]. Het was het idee van [verdachte] om facturen naar [medeverdachte] te sturen voor het uurtarief van € 12,50. [verdachte] maakte wekelijks geld over op een bankrekening van [medeverdachte]. Vervolgens betaalde [medeverdachte] contant uit aan de werknemers.

5. Schriftelijke stukken opgenomen in het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (ISIS-nummer 66402009000009), welke - zakelijk weergegeven - inhouden:

Meerdere facturen op naam gesteld van [bedrijf 1] gericht aan [bedrijf 2], [adres 2] en [verdachte], [adres 2] met de omschrijving afbouwwerk en sloopwerk [bedrijf 2] en/of afbouwwerk [adres 1] en/of sloopwerk.

Deze facturen zijn afkomstig uit de administratie van de Rabobank te Damwoude.

Datum eerste factuur: 22 mei 2007

Datum laatste factuur: 3 maart 2008

De facturen belopen een totaalbedrag van € 401.434,-. Elk van de facturen bevat een handgeschreven notitie waaruit blijkt op welke datum de factuur is betaald.

Gelet op bovenstaande bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte] valselijk facturen heeft opgemaakt in de periode van 22 mei 2007 tot en met 3 maart 2008. Verdachte heeft deze facturen wekelijks gefaxt naar de Rabobank. De Rabobank heeft vervolgens telkens de bedragen overgemaakt naar verdachte, zodat hij de facturen weer kon betalen aan [bedrijf 1]. Door deze werkwijze heeft verdachte, gebaseerd op de facturen die de Rabobank heeft ontvangen, in totaal € 401.434,- uit zijn bouwdepot overgemaakt gekregen door de Rabobank. Verdachte wist dat dit geld afkomstig was uit misdrijf, namelijk uit oplichting door middel van door hem zelf en [medeverdachte] valselijk opgemaakte facturen. Door gedurende een langere periode wekelijks te handelen zoals verdachte heeft gedaan, heeft hij zich dus schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen. De rechtbank acht het onder 5. primair ten laste gelegde dan ook bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

4. primair

hij in de periode van 22 mei 2007 tot en met 3 maart 2008 te Leeuwarden, tezamen en in vereniging met een ander, meermalen, telkens een factuur op naam gesteld van [bedrijf 1] gericht aan [bedrijf 2], [adres 2] en [verdachte] [adres 2], - elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van

enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers hebben verdachte en zijn mededader telkens valselijk naast de omschrijving afbouwwerk en sloopwerk [bedrijf 2] en schilderwerk en Stuckwerk [bedrijf 2] en afbouwwerk [adres 1] en sloopwerk, een hoger factuurbedrag vermeld dan de werkelijk door [bedrijf 1] gemaakte kosten, zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

5. primair

hij in de periode van 22 mei 2007 tot en met 3 maart 2008 te Leeuwarden van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij meermalen een voorwerp, te weten een hoeveelheid geld van in totaal ongeveer E 401.434,- verworven, voorhanden gehad en overgedragen, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp middellijk afkomstig was uit enig misdrijf.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

4. primair Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

5. primair Gewoontewitwassen.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking:

- de aard en de ernst van de gepleegde feiten;

- de omstandigheden waaronder deze zijn begaan;

- de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komt uit het uittreksel uit het algemeen documentatieregister en het reclasseringsadvies d.d. 31 maart 2010;

- de vordering van de officier van justitie;

- het pleidooi van de raadsman.

Verdachte heeft samen met een ander een aantal valse facturen op naam van de onderneming van de medeverdachte opgemaakt, waardoor hij de mogelijkheid schiep dat hij daarmee te grote geldbedragen kon declareren bij een kredietinstelling. Verdachtes gedraging kon er bovendien toe leiden dat deze kredietinstelling onwetend valse stukken in haar boekhouding opnam, maar ook dat de boekhouding van de onderneming van de medeverdachte niet met de werkelijkheid overeenkwam. Nu verdachte hieraan willens en wetens heeft meegewerkt met geen ander oogmerk dan verrijking van zichzelf en een ander ten koste van een derde, past ook daarom een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Een andere sanctie zou aan de maatschappelijke betekenis van de misdraging geen recht doen.

Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van geld. De hiervoor vermelde misdraging heeft ertoe geleid dat verdachte geldbedragen heeft verworven ten laste van een kredietinstelling op vertoon van de eerder genoemde valse facturen. Verdachte bracht de kredietinstelling in de waan dat de op de facturen vermelde bedragen juist waren en bracht haar ertoe deze uit te betalen. Aldus was het door verdachte verworven geld in elk geval voor een deel uit misdrijf, te weten oplichting, afkomstig. Verdachte heeft eraan bijgedragen dat de integriteit van het financieel en economisch verkeer is geschonden. Hij heeft immers aan de door oplichting verkregen opbrengsten een schijnbaar legale herkomst verschaft. Ook hier geldt: nu verdachte hieraan willens en wetens heeft meegewerkt met geen ander oogmerk dan verrijking ten koste van een ander past ook daarom een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Een andere sanctie zou aan de maatschappelijke betekenis van de misdraging geen recht doen. De bestraffing heeft mede tot doel verdachte en mogelijke navolgers in te scherpen dat de norm niet behoort te zijn dat men inkomsten verwerft door het plegen van misdrijven.

In beslag genomen goederen

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen bankbiljetten aan hem moeten worden teruggegeven, nu het belang van de strafvordering zich daartegen niet verzet.

Overweging met betrekking tot de geschorste voorlopige hechtenis

Ter terechtzitting heeft de officier van justitie opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis per datum van de uitspraak gevorderd. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat, mede op grond van de onlangs gehoorde getuige [naam 1], het aandeel van verdachte in de hem ten laste gelegde feiten nog forser blijkt te zijn dan reeds eerder bleek, dat deze feiten ernstig zijn en dat een langdurige gevangenisstraf op zijn plaats is.

De rechtbank verstaat deze vordering aldus dat de officier van justitie haar in overweging geeft ambtshalve op de dag van de uitspraak te beslissen dat de schorsing van de voorlopige hechtenis wordt opgeheven. De rechtbank heeft op 15 februari 2010 bij beslissing de voorlopige hechtenis onder voorwaarden geschorst. De rechtbank constateert dat verdachte zich tot op heden aan deze voorwaarden heeft gehouden. Voorts stelt de rechtbank dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn gebleken die aanleiding zouden kunnen geven tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis. De rechtbank ziet dan ook geen redenen de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 47, 57, 225 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT, RECHTDOENDE:

Verklaart de dagvaarding geldig.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1., 2. en 3. is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 4. primair en 5. primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld en verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte te dier zake tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven bankbiljetten, te weten:

5 biljetten van € 5,-

6 biljetten van € 10,-

5 biljetten van € 20,-

70 biljetten van € 50,-

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.H. Severein, voorzitter, mr. H. Mol en mr. A. F. Germs-de Goede, rechters, bijgestaan door mr. M.F. Alting, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 juli 2010.

Mr. H. Mol is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

1 Tractatenblad 2001, 69.

2 Tractatenblad 2001, 70.

3 Noyon-Langemeijer-Remmelink, Het Wetboek van strafrecht (bew. door Fokkens-Machielse), aant. 3.3 op art. 273f; Cleiren-Nijboer, Tekst & Commentaar Strafrecht, 7e druk, aantt. 8 en 9 op art. 273f; Korvinus-Koster-De Jonge van Ellemeet, Mensenhandel: het begrip uitbuiting in art. 273a Sr, Trema 2006, pp. 286-290.

4 Hoge Raad 27 oktober 2009, LJN BI7097.