Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2010:BN0391

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
05-07-2010
Datum publicatie
07-07-2010
Zaaknummer
10/928
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoekster en haar zoontje verblijven niet rechtmatig in Nederland en zijn in afwachting van hun uitzetting. Verzoekster heeft verzocht om opvang in het kader van de Wmo. Deze is geweigerd. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeksters zoontje, gelet op zijn leeftijd van nog geen 8 maanden, tot de categorie van kwetsbare personen behoort die gezien artikel 8 van het EVRM in het bijzonder recht hebben op bescherming van zijn privé- en gezinsleven. De voorzieningenrechter is van oordeel dat onder deze omstandigheden niet in redelijkheid kan worden volgehouden dat de weigering van toelating van verzoekster en haar zoontje tot maatschappelijke opvang in de vorm van daklozenopvang voor gezinnen blijk geeft van een “fair balance” tussen de publieke belangen die betrokken zijn bij de weigering van die toegang en de particuliere belangen van verzoekster om wel toegelaten te worden. De voorzieningenrechter schorst het bestreden besluit en draagt verweerder op verzoekster en haar zoontje toe te laten tot de maatschappelijke opvang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

procedurenummer: AWB 10/928

uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 juli 2010 als bedoeld in artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[verzoekster], mede namens [haar zoontje],

verblijvende te Leeuwarden,

verzoekster,

gemachtigde: mr. W.G. Fischer, advocaat te Haarlem,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden,

verweerder,

gemachtigde: mr. E.J.M. Raaijmakers, werkzaam bij het Centrum Indicatiestelling zorg (CIZ) te Driebergen.

Procesverloop

Bij brief van 21 mei 2010 heeft verweerder verzoekster mededeling gedaan van een besluit met betrekking tot de toepassing van Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).

Verzoekster heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. Tevens heeft verzoekster zich bij brief van 21 mei 2010 tot de voorzieningenrechter gewend met het verzoek om op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is ter zitting behandeld op 21 juni 2010. Verzoekster is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Voor verweerder is zijn gemachtigde verschenen.

Motivering

Feiten

1.1 Op 28 april 2010 heeft verzoekster bij verweerder een aanvraag ingediend om in aanmerking te komen voor noodopvang voor zichzelf en haar zoon op grond van de Wmo.

1.2 Bij besluit van 21 mei 2010 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Hij heeft daarbij aangegeven dat de voorzieningen van de Wmo alleen zijn bedoeld voor diegene die conform artikel 8, onderdeel a tot en met l, van de Vreemdelingenwet 2000 (verder: Vw 2000) rechtmatig in Nederland verblijven. Verzoekster en haar zoon voldoen hier niet aan.

Geschil

2.1 Namens verzoekster is aangevoerd dat zij is "uitgeprocedeerd" en dat is tevens de reden waarom de opvang daadwerkelijk is beëindigd. De Nederlandse Staat ziet echter geen mogelijkheid om een terugkeer mogelijk te maken. Verzoekster heeft opgemerkt dat zij er mee bekend is dat de artikelen 10 en 11 van de Vw 2000 aan de toegang tot de voorziening op grond van de Wmo in de weg staan. Zij wijst er echter op dat de Europees Comité voor Sociale Rechten (ECSR) op 20 oktober 2009, gepubliceerd op 28 februari 2010, heeft beslist dat het dakloos maken van kinderen strijd oplevert met de menselijke waardigheid. Dit betekent dat ten minste opvang moet worden geboden aan kinderen.

2.2 Bij verweerschrift van 16 juni 2010 heeft verweerder zijn standpunt gehandhaafd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de Wmo geen grondslag biedt om de gevraagde opvang te realiseren. Het bieden van opvang op grond van de Wmo zou contra legem zijn. Aan een inhoudelijke beoordeling van hetgeen in bezwaar naar voren is gebracht komt hij op grond van het voorgaande niet meer toe. Verweerder heeft ten overvloede opgemerkt dat bij de opvang van vreemdelingen de Vw 2000 van toepassing is en voorliggend is met betrekking tot opvang binnen gemeenten. Verzoekster is pas kort in de gemeente Leeuwarden, zij heeft hier dus nog geen sociaal leven opgebouwd en evenmin een "family life". In het geval van het van rechtswege beëindigen van opvang kan de vreemdeling een beroep doen op artikel 45, vierde lid, van de Vw 2000. Verweerder is van mening dat de Staat der Nederlanden door verzoekster dient te worden aangesproken op opvang.

Wettelijk kader

3.1 Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek overweegt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken van beletselen om verzoekster te kunnen ontvangen. Voorts is genoegzaam aangetoond dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening. Voor zover de beoordeling van het verzoek met zich brengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter. Aan een verzoek als het onderhavige kan in beginsel worden voldaan, indien het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in de hoofdzaak luidt dat het bezwaar tegen het aangevallen besluit gegrond verklaard zal moeten worden.

3.2 Ingevolge artikel 1, eerste lid, onder c, van de Wmo wordt in de Wmo en de daarop berustende bepalingen verstaan onder maatschappelijke opvang: het tijdelijk bieden van onderdak, begeleiding, informatie en advies aan personen die, door een of meer problemen, al dan niet gedwongen de thuissituatie hebben verlaten en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

3.3 Artikel 1, eerste lid, onder g, van de Wmo bepaalt dat in de Wmo en de daarop berustende bepalingen onder maatschappelijke ondersteuning wordt verstaan: (...)

6°. het verlenen van voorzieningen aan mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en aan mensen met een psychosociaal probleem ten behoeve van het behouden en het bevorderen van hun zelfstandig functioneren of hun deelname aan het maatschappelijk verkeer;

7°. het bieden van maatschappelijke opvang, waaronder vrouwenopvang en het voeren van beleid ter bestrijding van geweld dat door iemand uit de huiselijke kring van het slachtoffer is gepleegd;

(...).

3.4 In artikel 2 van de Wmo is bepaald dat er geen aanspraak bestaat op maatschappelijke ondersteuning voor zover met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat.

3.5 Artikel 5 van de Wmo luidt als volgt:

1. De gemeenteraad stelt met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet bij verordening regels vast over de door het college van burgemeester en wethouders te verlenen individuele voorzieningen en de voorwaarden waaronder personen die aanspraak hebben op dergelijke voorzieningen recht hebben op het ontvangen van die voorziening in natura, het ontvangen van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget.

2. De verordening, bedoeld in het eerste lid, bevat ten minste de bepaling:

a. op welke wijze de toegang tot het aanvragen van individuele voorzieningen in samenhang met voorzieningen op het gebied van wonen en zorg als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten is geregeld;

b. op welke wijze de verkrijging van individuele voorzieningen samenhangend afgestemd op de situatie van de aanvrager worden bepaald.

3.6 Artikel 8, eerste lid, van de Wmo bepaalt dat een vreemdeling voor het verlenen van een individuele voorziening slechts in aanmerking kan komen indien hij rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vw 2000. Blijkens de toelichting bij artikel 8 van de Wmo is het de bedoeling van dit artikel om duidelijk te maken dat de bepalingen van de artikelen 10 en 11 van de Vw 2000 van toepassing zijn op onder meer alle op het verlenen van individuele voorzieningen betrekking hebbende onderdelen van de verschillende in artikel 1, eerste lid, onder g, van de Wmo genoemde beleidsterreinen. Zonder geldige verblijfstitel in Nederland verblijvende vreemdelingen kunnen wat deze onderdelen betreft aan de Wmo in beginsel geen rechten ontlenen (Tweede Kamer 2004 - 2005, 30 131, nr. 3, p. 32).

3.7 Ingevolge artikel 20, eerste lid, van de Wmo kan aan bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gemeenten een specifieke uitkering worden verstrekt ten behoeve van beleid op het terrein van de openbare geestelijke gezondheidszorg, de maatschappelijke opvang en het verslavingsbeleid.

3.8 Artikel 20, vierde lid, van de Wmo, voor zover van belang, bepaalt dat een gemeente waaraan een uitkering als bedoeld in het eerste lid wordt verstrekt en die financiële middelen verstrekt aan instellingen, ervoor zorg dient te dragen dat die instellingen overeenkomstig bij ministeriële regeling te stellen regels hun werkzaamheden registreren en de geregistreerde gegevens verstrekken aan een door de minister daartoe aangewezen instelling.

3.9 Artikel 20, zesde lid, van de Wmo, voor zover van belang, bepaalt dat de door gemeenten ingevolge het eerste lid bekostigde voorzieningen op het terrein van de maatschappelijke opvang en het verslavingsbeleid toegankelijk dienen te zijn voor iedereen die in Nederland woont.

3.10 Artikel 38, eerste lid, van de Wmo bepaalt dat na de inwerkingtreding van artikel 20 van deze wet het Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid (hierna: Besluit) op het eerste en tweede lid van dat artikel berust.

3.11 Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit bepaalt, voor zover van belang, dat de gemeente Leeuwarden onder de G31 valt.

3.12 Artikel 1, aanhef en onder c, van het Besluit bepaalt dat in dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder gemeente: een tot de G31 behorende gemeente.

3.13 Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder f, van het Besluit wordt in dit besluit en de daarop berustende bepalingen onder centrumgemeenten voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid verstaan: de G31 met uitzondering van de gemeenten Hengelo (Overijssel), Lelystad, Schiedam en Sittard-Geleen.

3.14 Artikel 13, eerste lid, van het Besluit bepaalt dat artikel 20, vierde lid, van de Wmo, en de krachtens dat artikellid vastgestelde ministeriële regelingen van toepassing zijn met dien verstande dat in dat artikellid voor “Een gemeente waaraan een uitkering als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt verstrekt” wordt gelezen: Een gemeente die behoort tot de centrumgemeenten voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid of voor vrouwenopvang, bedoeld in artikel 1, onderdelen f en g, van het Besluit.

3.15 Artikel 13, derde lid, van het Besluit bepaalt dat de door de gemeente uit de uitkering bekostigde voorzieningen op het terrein van maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid en van vrouwenopvang toegankelijk zijn voor iedereen die in Nederland woont.

3.16 Artikel 10, eerste lid, van de Vw 2000 bepaalt dat de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft, geen aanspraak kan maken op toekenning van verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen bij wege van een beschikking van een bestuursorgaan. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op de bij de wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen ontheffingen of vergunningen.

3.17 Ingevolge artikel 10, tweede lid, van de Vw 2000 kan van het eerste lid worden afgeweken indien de aanspraak betrekking heeft op het onderwijs, de verlening van medisch noodzakelijke zorg, de voorkoming van inbreuken op de volksgezondheid, of de rechtsbijstand aan de vreemdeling.

3.18 Artikel 11, eerste lid, van de Vw 2000 bepaalt dat de aanspraken van de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft in overeenstemming zijn met de aard van het verblijf. Tenzij bij of krachtens het wettelijk voorschrift waarop de aanspraak is gegrond anders is bepaald, is daarbij het tweede lid van toepassing.

3.19 Ingevolge artikel 11, tweede lid, van de Vw 2000 kan de vreemdeling, bedoeld in

het eerste lid, aanspraken maken op voorzieningen, verstrekkingen en uitkeringen, indien hij:

a. rechtmatig verblijf heeft, als bedoeld in artikel 8, onder a, tot en met e en l;

b. rechtmatig verblijf heeft, als bedoeld in artikel 8, onder f, g, h, en een aanspraak wordt toegekend bij of krachtens de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers, dan wel bij of krachtens een ander wettelijk voorschrift, waarin aanspraken van deze vreemdelingen zijn neergelegd;

c. rechtmatig verblijf heeft, als bedoeld in artikel 8, onder i tot en met k, voor de aanspraken die uitdrukkelijk aan deze vreemdelingen zijn toegekend.

Blijkens de wetsgeschiedenis hebben vreemdelingen die in procedure zijn over het verblijfsrecht als hoofdregel geen aanspraak op voorzieningen met uitzondering van vreemdelingen aan wie een aanspraak wordt toegekend bij of krachtens de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers dan wel een andere regeling (Tweede Kamer 1998-1999, 26 732, nr. 3, p. 23).

Beoordeling van het geschil

4.1 De voorzieningenrechter dient te beoordelen of het aangevallen besluit van verweerder naar zijn voorlopig oordeel in stand kan blijven.

4.2 Naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) betreft maatschappelijke opvang als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c van de Wmo geen individuele voorziening als bedoeld in de artikelen 5 en 8 van de Wmo. Dit betekent dat eiseres, die om toelating tot maatschappelijke opvang in de vorm van daklozenopvang heeft verzocht, een aanvraag heeft ingediend om een andere dan een individuele voorziening, zodat artikel 8, van de Wmo daarop niet van toepassing is. Nu ook overigens in de Wmo geen aan artikel 8 van de Wmo gelijke bepaling met betrekking tot de verlening van andere dan individuele voorzieningen is opgenomen, dienen voor de vraag of verzoekster aanspraak heeft op toelating tot de maatschappelijke opvang, de artikelen 10 en 11 van de Vw 2000 het in aanmerking te nemen beoordelingskader te vormen.

4.3 Niet in geschil is dat verzoekster geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland in de zin van artikel 11, tweede lid, van de Vw 2000. Dit betekent dat zij ingevolge de artikel 10 en 11 van de Vw 2000 geen aanspraak kon maken op toelating tot de maatschappelijke opvang in de gemeente Leeuwarden als zogenoemde centrumgemeente. Dit betekent naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter voorts dat verweerder zich terecht, onder verwijzing naar de bepalingen van de Vw 2000, op het standpunt heeft gesteld dat de aanvraag van verzoekster op grond van verblijfsstatus moeten worden afgewezen.

4.4 Verzoekster heeft tevens een beroep gedaan op diverse verdragsbepalingen. Volgens vaste jurisprudentie van de CRvB kunnen de bepalingen van het Europees Sociaal Handvest (ESH), het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten (IVESCR) en het Kinderrechtenverdrag waarop verzoekster zich beroept niet een ieder verbinden als bedoeld in artikel 94 van de Grondwet. In genoemde verdragsbepalingen is sprake van algemeen omschreven sociale doelstellingen waaruit geen onvoorwaardelijk en nauwkeurig bepaalbaar subjectief recht in de vorm van een (afdwingbare) aanspraak op maatschappelijke opvang in de vorm van daklozenopvang valt te ontlenen.

4.5 Ten aanzien van het beroep dat verzoekster heeft gedaan op artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), oordeelt de voorzieningenrechter als volgt.

4.6 De voorzieningenrechter stelt voorop, onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de CRvB, dat respect voor menselijke waardigheid en menselijke vrijheid door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) als “the very essence” van het EVRM wordt aangemerkt. Het in artikel 8 van het EVRM besloten liggende recht op respect voor het privé-leven van een persoon omvat mede de fysieke en psychische integriteit van die persoon en is er primair op gericht, zonder inmenging van buitenaf, de ontwikkeling van de persoonlijkheid van elke persoon in zijn betrekkingen tot anderen te waarborgen. Het artikel beoogt niet alleen de staten tot onthouding van inmenging te dwingen, maar kan onder omstandigheden ook inherente positieve verplichtingen meebrengen die noodzakelijk zijn voor een effectieve waarborg van het recht op privé-leven. Daarbij hebben kinderen en andere kwetsbare personen in het bijzonder recht op bescherming. Het EHRM heeft meerdere malen geoordeeld dat artikel 8 van het EVRM ook relevant is in zaken die betrekking hebben op de besteding van publieke middelen. Daarbij is wel van belang dat in een dergelijk geval aan de Staat een extra ruime “margin of appreciation” toekomt, terwijl het EHRM bij de bepaling van de bescherming die betrokkenen genieten onder het EVRM belang toekent aan de al dan niet legale status van het verblijf van betrokkene. De voorzieningenrechter wijst in dit verband onder meer op het arrest van het EHRM van 27 mei 2008 (EHRC 2008,91).

4.7 In het onderhavige geval acht de voorzieningenrechter van belang dat verzoekster hoewel zij niet rechtmatig in Nederland verblijft, alle medewerking verleend aan haar uitzetting. Dat verzoekster op dit moment nog in Nederland verblijft is het gevolg van het feit dat de Staat der Nederlanden er niet in is geslaagd om haar en haar zoontje uit te zetten en valt verzoekster derhalve niet te verwijten. Nu het zoontje van verzoekster zuigeling is en volledig afhankelijk is van zijn moeder, valt hij naar het oordeel van de voorzieningenrechter onder de categorie van kwetsbare personen die, naar de jurisprudentie van de CRvB, in het bijzonder recht op bescherming heeft van het privé-leven in de zin van artikel 8 EVRM. De voorzieningenrechter is van oordeel dat onder deze omstandigheden niet in redelijkheid kan worden volgehouden dat de weigering van toelating van verzoekster en haar zoontje tot maatschappelijke opvang in de vorm van daklozenopvang voor gezinnen blijk geeft van een “fair balance” tussen de publieke belangen die betrokken zijn bij de weigering van die toegang en de particuliere belangen van verzoekster om wel toegelaten te worden.

4.8 Op grond van het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat, gelet op de betrokken belangen, onverwijlde spoed het treffen van een voorlopige voorziening vereist. De voorzieningenrechter zal het verzoek om voorlopige voorziening toewijzen op de hieronder vermelde wijze.

4.9 De voorzieningenrechter ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:82, vierde lid, van de Awb te bepalen dat verweerder het door verzoekster gestorte griffierecht van € 41 dient te vergoeden. De voorzieningenrechter ziet aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 juncto artikel 8:84, vierde lid, van de Awb. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) bedragen de proceskosten € 874 ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (indienen verzoekschrift: 1 punt; verschijnen ter zitting 1 punt; gewicht van de zaak: gemiddeld; waarde per punt € 437).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

- schorst het bestreden besluit van 21 mei 2010 tot zes weken na verzending van de door verweerder te nemen beslissing op bezwaar;

- draagt verweerder op om verzoekster en haar zoontje, als gezin, toe te laten tot de maatschappelijke opvang tot zes weken na verzending van de door verweerder te nemen beslissing op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 874;

- gelast verweerder het door verzoekster betaalde griffierecht van € 41 aan haar vergoeden.

Aldus gegeven door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J. Dijkstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2010.

w.g. C.H. de Groot

w.g. J. Dijkstra

Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend.