Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2010:BN0242

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
01-07-2010
Datum publicatie
05-07-2010
Zaaknummer
17/885092-09 PROM
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Oplichting, GKB, intern onderzoek

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 326
Wetboek van Strafrecht 225
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector straf

parketnummer 17/885092-09

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 1 juli 2010 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 17 juni 2010.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. E.J. Kuiters, advocaat te Leeuwarden.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 26 juli 2005 tot en met 8 juli 2008, te Leeuwarden (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, een of meer kassiers van de Gemeenschappelijke Kredietbank Friesland heeft bewogen tot de afgifte van

respectievelijk,

200,- euro op 26 juli 2005 en/of

200,-euro op 22 augustus 2005 en/of

230,-euro op 9 november 2005 en/of

235,-euro op 7 december 2005 en/of

368,-euro op 23 maart 2006 en/of

465,-euro op 23 mei 2006 en/of

484,-euro op 20 juni 2006 en/of

580,-euro op 25 juli 2006 en/of

548,-euro op 23 oktober 2006 en/of

542,90,-euro op 20 december 2006 en/of

568,- euro op 12 maart 2007 en/of

275,- euro op 13 april 2007 en/of

680.- euro op 1 juni 2007 en/of

750,- euro op 22 juni 2007 en/of

850,- euro op 21 september 2007 en/of

620,- euro op 14 december 2007 en/of

630,- euro op 8 februari 2008 en/of

785,- euro op 28 mei 2008 en/of

750,- euro op 8 juli 2008,

althans een hoeveel geld van in totaal 9763,90,- euro in elk geval van enig goed, immers heeft verdachte (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid, telkens

-een hoeveelheid geld overgeboekt van de grootboekrekening ([nummer 1]) van de GKB

Friesland naar de zogenaamde tussenrekening grootboek [nummer 2] (onder vermelding

van retour klant correctie of soortgelijke vermelding) en/of vervolgens een

geldbedrag geboekt naar de PRS rekening van de klant of de gewezen klant

(bij welke boekingen verdachte mede gebruik maakte van de computer van

collega's)

en/of

-het geldbedrag vervolgens klaargezet en/of doen klaarzetten in de computer

en/of

-tegen de kassier gezegd (zakelijk weergegeven): "dat in de spreekkamer een

klant zit en/of of de kassier onder vertoon van de kwitantie geld wil meegeven

zodat de klant de kwitantie kan tekenen" en/of

-de kassier gebeld en/of gevraagd of de kassier een enveloppe met geld wilde

klaarleggen en/of (vervolgens)

-na in ontvangstname van de enveloppe met geld telkens een door hem zelf

opgemaakte en/of ondertekende kwitantie overhandigd aan de kassier en/of met

gebruikmaking van zijn positie als MT lid een situatie gecreeerd waardoor die

kassiers zich niet konden verzetten tegen de uitbetaling van de gelden,

waardoor een of meer kassiers van de Gemeenschappelijke Kredietbank

Friesland, (telkens) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte;

(artikel 326 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en

strafoplegging aan verdachte

hij in of omstreeks de periode van 26 juli 2005 tot en met 8 juli 2008, te Leeuwarden,

meermalen, opzettelijk een hoeveelheid geld (van in totaal (ongeveer) 9763.90 euro), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan , [naam 1] en/of [naam 2] en/of [naam 3] en/of [naam 4] en/of [naam 5] en/of [naam 6] en/of [naam 7] en/of [naam 8] en/of [naam 9] en/of [naam 10] en/of [naam 11] en/of [naam 12] en/of [naam 13] en/of de nabestaanden van [naam 14] en/of [naam 15] en/of [naam 16] en/of [naam 17] en/of [naam 18] en/of [naam 19], in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk(e) goed(eren) verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking van/als Manager Schuldhulpverlening en Wet schuldsanering natuurlijke personen, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

(artikel 322/321 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij in of omstreeks de periode van 26 juli 2005 tot en met 8 juli 2008,te Leeuwarden meermalen, althans eenmaal, (telkens) nader te noemen kwitanties (ten name van de Gemeenschappelijke Kredietbank Friesland, - (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte (telkens) valselijk,

-op een kwitantie d.d. 26 juli 2005 vermeld dat een bedrag van 200,- euro is

uitbetaald aan [naam 1] en/of deze kwitantie valselijk voorzien van de

handtekening van die [naam 1] en/of

-op een kwitantie d.d. 22 augustus 2005 vermeld dat een bedrag van 200,- euro

is uitbetaald aan [naam 2] en/of deze kwitantie valselijk voorzien van de

handtekening van die [naam 2] en/of

-op een kwitantie d.d. 9 november 2005 vermeld dat een bedrag van 230,- euro

is uitbetaald aan [naam 20] en/of deze kwitantie valselijk voorzien van de

handtekening van die [naam 20] en/of

-op een kwitantie d.d.7 december 2005 vermeld dat een bedrag van 235,- euro is

uitbetaald aan [naam 3] en/of deze kwitantie valselijk voorzien van de

handtekening van die [naam 3] en/of

-op een kwitantie d.d. 23 maart 2006 vermeld dat een bedrag van 368,- euro is

uitbetaald aan [naam 4] en/of deze kwitantie valselijk voorzien van

de handtekening van die [naam 4] en/of

-op een kwitantie d.d. 23 mei 2006 vermeld dat een bedrag van 465,- euro is

uitbetaald aan [naam 5] en/of deze kwitantie valselijk voorzien van de

handtekening van die [naam 5] en/of

-op een kwitantie d.d. 20 juni 2006 vermeld dat een bedrag van 484,- euro is

uitbetaald aan [naam 6] en/of deze kwitantie valselijk voorzien van

de handtekening van die [naam 6] en/of

-op een kwitantie d.d. 25 juli 2006 vermeld dat een bedrag van 580,- euro is

uitbetaald aan [naam 7] en/of deze kwitantie valselijk voorzien van de

handtekening van die [naam 7] en/of

-op een kwitantie d.d. 23 oktober 2006 vermeld dat een bedrag van 548,- euro

is uitbetaald aan [naam 15] en/of deze kwitantie valselijk voorzien van de

handtekening van die [naam 15] en/of

-op een kwitantie d.d. 20 december 2006 vermeld dat een bedrag van 542,90 euro

is uitbetaald aan [naam 16] en/of deze kwitantie valselijk voorzien van de

handtekening van die [naam 16] en/of

-op een kwitantie d.d.12 maart 2007 vermeld dat een bedrag van 568,- euro is

uitbetaald aan [naam 8] en/of deze kwitantie valselijk voorzien van de

handtekening van die [naam 8] en/of

-op een kwitantie d.d. 13 april 2007 vermeld dat een bedrag van 275,- euro is

uitbetaald aan [naam 9] en/of deze kwitantie valselijk voorzien van de

handtekening van die [naam 9] en/of

-op een kwitantie d.d.1 juni 2007 vermeld dat een bedrag van 680,- euro is

uitbetaald aan [naam 17] en/of deze kwitantie valselijk voorzien van de

handtekening van die [naam 17] en/of

-op een kwitantie d.d. 22 juni 2007 vermeld dat een bedrag van 750,- euro is

uitbetaald aan [naam 10] en/of deze kwitantie valselijk voorzien van de

handtekening van die [naam 10] en/of

-op een kwitantie d.d. 21 september 2007 vermeld dat een bedrag van 850,- euro

is uitbetaald aan [naam 11] en/of deze kwitantie valselijk voorzien van

de handtekening van [naam 11] en/of

-op een kwitantie d.d.14 december 2007 vermeld dat een bedrag van 620,- euro

is uitbetaald aan [naam 18] en/of deze kwitantie valselijk voorzien van de

handtekening van die [naam 18] en/of

-op een kwitantie d.d.8 februari 2008 vermeld dat een bedrag van 630,- euro

is uitbetaald aan [naam 12] en/of deze kwitantie valselijk voorzien van de

handtekening van die [naam 12] en/of

-op een kwitantie d.d. 28 mei 2008 vermeld dat een bedrag van 785,- euro is

uitbetaald aan [naam 13] en/of deze kwitantie valselijk voorzien van de

handtekening van die [naam 13],

-op een kwitantie d.d. 8 juli 2008 vermeld dat een bedrag van 750,- euro is

uitbetaald aan [naam 19] en/of deze kwitantie valselijk voorzien van

een handtekening van die [naam 19], zulks terwijl aan geen van de

hierboven vermelde personen is uitgekeerd,

zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en

onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

(artikel 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- veroordeling voor het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde;

- oplegging van een werkstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis;

- oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, met een proeftijd van twee jaren.

Vrijspraak

De rechtbank overweegt het navolgende.

Aan verdachte is onder 1 primair ten laste gelegd dat hij in de periode van 26 juli 2005 tot en met 8 juli 2008 in negentien gevallen de Gemeenschappelijke Kredietbank (GKB) Friesland heeft opgelicht.

Voorop gesteld dient te worden dat artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht toeziet op situaties waarbij de dader het oogmerk heeft zichzelf of een ander wederrechtelijk te bevoordelen.

De rechtbank constateert dat in elf gevallen is komen vast te staan dat geld vanuit de kas contant is uitbetaald, maar dat niet is komen vast te staan, dat dit geld niet is uitbetaald aan de op de kwitanties genoemde personen. Het gaat hier om de kasopnames van: 26 juli 2005; 7 december 2005 tot en met 25 juli 2006; 12 maart en 13 april 2007; 22 juni en 21 september 2007 en 8 februari 2008. Anders dan in de nog te bespreken gevallen bevat het dossier in deze elf gevallen immers geen verklaring van de desbetreffende persoon dan wel een akte uit de GBA waaruit blijkt dat de persoon in kwestie op het moment van uitbetaling reeds was overleden.

Ten aanzien van de kasopnames gedaan op 22 augustus 2005 en 28 mei 2008 staat wel vast dat de op de desbetreffende kwitantie genoemde personen het geld niet in ontvangst hebben genomen. Deze personen hebben immers aangegeven al lange tijd geen contact meer te hebben gehad met de GKB. In deze gevallen kan derhalve worden vastgesteld dat er sprake is geweest van wederrechtelijke bevoordeling.

Dat geldt ook voor de vijf gevallen, welke betrekking hebben op de betalingen die gedaan zijn aan op dat moment reeds overleden personen. Het gaat hier om de navolgende betalingen:

- 9 november 2005 aan [naam 20];

- 23 oktober 2006 aan [naam 15];

-20 december 2006 aan [naam 16];

- 1 juni 2007 aan [naam 17];

- 14 december 2007 aan [naam 18].

In deze gevallen zijn er met gebruikmaking van de code [naam] overboekingen gedaan van de grootboekrekening [nummer 1] van de GKB naar de tussenrekening grootboek [nummer 2] van de GKB. Daarna werd naar de interne bankrekening van de klant binnen de GKB geboekt. Het geld werd vervolgens per kas uitbetaald. Er werd een kwitantie uitgeprint en deze werd naderhand getekend voor ontvangst aan de kassiers overhandigd.

De rechtbank is echter van oordeel dat aan de hand van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte betrokken was bij deze handelingen.

Gesteld is dat verdachte op de hoogte was van het wachtwoord behorende bij de codenaam [naam]. Bovendien zou verdachte de enige persoon zijn die op de data en tijdstippen van al de genoemde transacties aanwezig is geweest op het kantoor van GKB Friesland èn het wachtwoord kende. Verdachte zou ten tijde van de transacties ook aanwezig zijn geweest op de afdeling waar de boekingen werden gedaan. Dit alles zou uit het passysteem van de GKB blijken.

De rechtbank overweegt vooreerst dat aangever [aangever] tijdens zijn tweede verhoor heeft aangegeven dat een groep van zeven personen, onder wie verdachte, over het wachtwoord beschikte. Echter, bij het eerste verhoor heeft [aangever] verklaard dat slechts vier mensen hiervan op de hoogte waren. Verdachte was niet een van deze personen. Wel heeft hij toen aangegeven dat het hem niet zou verbazen dat verdachte ook op de hoogte was van het wachtwoord.

Ter terechtzitting heeft verdachte ontkend op de hoogte te zijn geweest van het wachtwoord. Hij heeft verder verklaard dat hij die codenaam en het wachtwoord niet nodig had voor zijn werkzaamheden.

Het dossier bevat, anders dan de verklaring van [aangever], verder geen aanwijzing dat ook verdachte op de hoogte was van het wachtwoord. Naar het oordeel van de rechtbank is derhalve onvoldoende komen vast te staan dat verdachte over het wachtwoord beschikte.

In het dossier bevinden zich een overzicht en een uitdraai van het pas-aanwezigheidssysteem van GKB Friesland. De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat het passysteem een sluitend registratiesysteem betreft. De uitdraai biedt zelfs aanknopingspunten om te oordelen dat het systeem niet sluitend is. Personen bevinden zich op plaatsen waar men niet zou kunnen zijn zonder het systeem op een andere plaats te passeren. Daarbij valt bijvoorbeeld niet uit te sluiten dat verdachte, die over meerdere passen de beschikking had, een van zijn toegangspassen aan anderen heeft uitgeleend. Ook heeft verdachte verklaard dat hij een sleutel van het pand had en dat hij geen pas nodig had om het pand te betreden.

Bovendien was volgens verdachte niet altijd een pas nodig om toegang te krijgen tot een bepaalde afdeling, omdat tussendeuren niet werden afgesloten.

Aan de hand van het dossier valt het door de verdachte verklaarde niet uit te sluiten en zijn er zelfs aanwijzingen voor. De rechtbank is derhalve van oordeel dat het overzicht en de uitdraai ontoereikend zijn om verdachtes aanwezigheid op de data van de transacties en de bepaalde kantoorplek vast te stellen.

Voorts overweegt de rechtbank dat uit dossier niet blijkt door wie de kwitanties zijn uitgedraaid. Uit de kwitanties kan dit niet worden uitgemaakt.

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat verdachte hem een aantal keren, onder vertoon van een kwitantie, heeft gevraagd om hem contant geld te geven. Verdachte zou hem daarbij hebben gezegd dat hij het geld aan de klant zou geven. [getuige 1] heeft hierbij geen data of bedrag genoemd. Het is de rechtbank dan ook niet duidelijk geworden op welke betalingen deze verklaring betrekking heeft.

Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat verdachte op enigerlei wijze betrokken was bij de eerdergenoemde kasopnames dan wel betalingen.

Ten aanzien van de kasopname van 8 juli 2008 heeft de rechtbank op grond van de wettige bewijsmiddelen niet de overtuiging bekomen dat verdachte hierbij betrokken was. Getuigen [getuige 2] en [getuige 3], werknemers van GKB Friesland, hebben verklaard dat verdachte betrokken was bij de kasopname van 8 juli 2008.

De rechtbank overweegt hierbij dat kort nadat de onregelmatigheden met betrekking tot de grootboekrekening waren geconstateerd, GKB een intern onderzoek heeft gestart. Al kort na de constateringen werd op grond van dit intern onderzoek geconcludeerd dat verdachte verantwoordelijk was voor de ongeregeldheden. Het intern onderzoek was dan ook enkel gericht op verdachte.

[getuige 2] en [getuige 3] hebben een verklaring afgelegd, nadat dit interne onderzoek was afgerond.

Gelet op de omstandigheid dat de verklaringen pas ver nadat het interne onderzoek was afgerond zijn afgelegd en daarin reeds was geconcludeerd dat verdachte de dader was, heeft de rechtbank haar twijfels over de onbevangenheid waarmee de verklaringen zijn afgelegd. De rechtbank acht deze niet betrouwbaar en heeft derhalve niet de overtuiging verkregen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan dit deel van het ten laste gelegde.

Op grond van al het hierboven genoemde is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Verdachte dient hiervan te worden vrijgesproken.

De rechtbank is voorts van oordeel dat gelet op al het hierboven overwogene, verdachte ook van het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

Nu niet is komen vast te staan dat verdachte betrokken was bij de betalingen, kan niet worden vastgesteld dat hij het geld onder zich heeft gehad en dit wederrechtelijk heeft toegeëigend. Voorts is er geen wettig bewijs dat de handtekeningen op de kwitanties van verdachte afkomstig zijn.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT, RECHTDOENDE:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair en subsidiair en 2 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter, mr. J. van Bruggen en mr. L. G. van Dijk, rechters, bijgestaan door mr. D.M.A. Jansen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 juli 2010.