Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2010:BN0231

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
01-07-2010
Datum publicatie
05-07-2010
Zaaknummer
17/880488-09 PROM
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging doodslag, medeplegen, eigenrichting, causaal verband

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 36f
Wetboek van Strafrecht 45
Wetboek van Strafrecht 47
Wetboek van Strafrecht 287
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector straf

parketnummer 17/880488-09

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 1 juli 2010 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 17 juni 2010.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. B. Klunder, advocaat te Leeuwarden.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 9 oktober 2009 te Leeuwarden, ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer], achterna is/zijn gerend en/of onderuit heeft/hebben getrapt en/of waarbij de [slachtoffer] met zijn gezicht op het wegdek terecht kwam en/of (vervolgens) meermalen die [slachtoffer] met geschoeide voeten met kracht tegen het hoofd en/of in het gezicht en/of elders tegen het bovenlichaam heeft/hebben geschopt en/of de armen van die [slachtoffer] (waarmee hij zijn gezicht trachtte te beschermen) heeft/hebben weggeschopt, en/of tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd "Ik maak je dood, ik maak je dood", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 287 jo. 45 jo. 47 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en

strafoplegging aan verdachte

hij op of omstreeks 9 oktober 2009 te Leeuwarden, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een gebroken (kopstuk van zijn) kaak en/of drie afgebroken tanden en/of een barstwond op de kin en/of een schaafwond op het rechter jukbeen), heeft toegebracht, door opzettelijk die [slachtoffer], achterna te rennen en/of onderuit te trappen en/of waarbij de [slachtoffer] met zijn gezicht op het wegdek terecht kwam en/of (vervolgens) meermalen die [slachtoffer] met geschoeide voeten met kracht tegen het hoofd en/of in het gezicht en/of elders tegen het bovenlichaam te schoppen en/of de armen van die [slachtoffer] (waarmee hij zijn gezicht trachtte te beschermen) weg te schoppen, en/of tegen die [slachtoffer] te zeggen "Ik maak je dood, ik maak je dood";

(artikel 302 lid 1 jo. 47 Wetboek van Strafrecht)

meer subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte

hij op of omstreeks 9 oktober 2009 te Leeuwarden ter uitvoering van het door verdachte en/of verdachtes mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] achterna is/zijn gerend en/of onderuit heeft/hebben getrapt en/of waarbij de [slachtoffer] met zijn gezicht op het wegdek terecht kwam en/of (vervolgens) meermalen die [slachtoffer] met geschoeide voeten met kracht tegen het hoofd en/of in het gezicht en/of elders tegen het bovenlichaam heeft/hebben geschopt en/of de armen van die [slachtoffer] (waarmee hij zijn gezicht trachtte te beschermen) heeft/hebben weggeschopt, en/of tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd "Ik maak je dood, ik maak je dood" terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 302 lid 1 jo. 45 Wetboek van Strafrecht)

meest subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring

van en strafoplegging aan verdachte

hij op of omstreeks 9 oktober 2009 te Leeuwarden met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Notenstraat, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit, het achterna rennen van die [slachtoffer] en/of onderuit trappen van die [slachtoffer] en/of waarbij de [slachtoffer] met zijn gezicht op het wegdek terecht kwam en/of het (vervolgens) meermalen die [slachtoffer] met geschoeide voeten met kracht tegen het hoofd en/of in het gezicht en/of elders tegen het bovenlichaam te schoppen en/of de armen van die [slachtoffer] (waarmee hij zijn gezicht trachtte te beschermen) weg te schoppen;

(artikel 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Beoordeling van het bewijs

De rechtbank stelt op grond van de hierna te noemen bewijsmiddelen1 die de daartoe redengevende feiten en omstandigheden bevatten, het volgende vast.

Op 9 oktober 2009 reed verdachte samen met [getuige 1] in een door [getuige 1] bestuurde auto op de Pieter Stuyvesantweg te Leeuwarden. Toen en aldaar zagen ze een aantal politieauto's en een groep mensen staan. [getuige 1] heeft de auto gestopt, waarna verdachte en hij uit de auto zijn gestapt.2,3

Aangever [slachtoffer] was woonachtig in een flatgebouw aan de [adres] te Leeuwarden.4

Op een bepaald moment heeft verdachte zijn halfbroer, medeverdachte [medeverdachte 1], gebeld en medegedeeld dat [slachtoffer] weer vrij was. [slachtoffer] was de dag ervoor staande gehouden en overgedragen aan de politie, op verdenking van het plegen van ontucht met verdachtes neefje.5 Verdachte vroeg [medeverdachte 1] om naar de Pieter Stuyvesantweg te komen. [medeverdachte 1] ging vervolgens samen met zijn vriendin [getuige 2] en medeverdachte [medeverdachte 2] daar naartoe.6,7 Ter plaatse zagen verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] op een gegeven moment [slachtoffer] staan en zijn achter hem aangerend.3,8

Toen [slachtoffer] aan het rennen was, werd hij onderuit getrapt. Hierna werd hij tegen zijn lichaam en hoofd getrapt/geschopt, waardoor hij pijn heeft ondervonden en letsel heeft opgelopen aan zijn hoofd. [slachtoffer] werd later met de ambulance naar het ziekenhuis gebracht.4 Door de arts werd geconstateerd dat aangever een barstwond onder zijn kin en een schaafwond aan zijn jukbeen had. Daarnaast bleek dat [slachtoffer] drukpijn had aan zijn kaakkopje en ribben.9 Door de tandarts werd vastgesteld dat [slachtoffer] een gebroken kaak had opgelopen en dat drie van zijn voortanden ernstig beschadigd waren geraakt.10

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde poging tot doodslag. Zij baseert zich daarbij, onder meer, op de aangifte van [slachtoffer] en de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2]. Uit die verklaringen blijkt dat enkel verdachte en medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] achter aangever zijn aangerend. De officier van justitie heeft verder betoogd dat verdachte en zijn medeverdachten een motief hadden voor de mishandeling, namelijk [slachtoffer] eigenhandig een lesje te leren nadat de politie, naar hun mening, hem veel te vroeg had vrijgelaten.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken. Zij heeft betoogd dat verdachte ontkent aangever te hebben mishandeld en dat de verklaringen van aangever [slachtoffer] inconsistent en suggestief van aard zijn ten aanzien van de daders van de geweldpleging. Daarnaast heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de aangifte van [slachtoffer] niet ondersteund wordt door andere bewijsmiddelen.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat toen hij en de medeverdachten achter aangever [slachtoffer] aangingen, hij zag dat [slachtoffer] ook door een andere groep achterna werd gerend. Ze konden de groep en [slachtoffer] niet bijhouden. Toen ze op de plek kwamen waar [slachtoffer] en de groep waren, zag hij dat [slachtoffer] net van de grond opstond en wegliep. Volgens de raadsvrouw valt mede hierdoor niet uit te sluiten dat aangever [slachtoffer] door andere personen dan verdachte en de medeverdachten is mishandeld.

Op grond van het hiervoor betoogde is de raadsvrouw van mening dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte betrokken was bij de mishandeling van [slachtoffer].

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het niet aannemelijk dat er naast verdachte en medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] een andere groep achter aangever is aangerend. De rechtbank betrekt in haar overweging de verklaringen van [getuige 1]11 en [getuige 2]12, die hebben verklaard dat alleen verdachte en medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] achter [slachtoffer] zijn aangerend. Deze verklaringen ondersteunen de aangifte van [slachtoffer], die inhoudt dat enkel de groep van verdachte achter hem is aangerend. Dat er anderen achter [slachtoffer] zouden zijn aangerend, verklaren alleen verdachten. De rechtbank verwerpt derhalve het verweer van de verdediging.

[slachtoffer] heeft verklaard dat, toen hij aan het rennen was, hij door verdachte onderuit werd getrapt, waardoor hij met zijn gezicht op het wegdek terechtkwam. Hierna werd hij volgens zijn aangifte door verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] herhaaldelijk tegen diens lichaam geschopt en door verdachte tegen zijn hoofd getrapt.13 Verdachte en [medeverdachte 2] droegen op dat moment schoeisel.4

Het door de arts en de tandarts vastgestelde letsel past bij het door verdachte en zijn medeverdachte toegepaste geweld.

Gelet op het feit dat alleen de groep van verdachte en de medeverdachten [slachtoffer] heeft achtervolgd, in samenhang bezien met de aangifte van [slachtoffer] en het vastgestelde letsel, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte mede betrokken is geweest bij het tegen [slachtoffer] gepleegde geweld, waarbij hij tegen zijn hoofd is geschopt.

Voorts overweegt de rechtbank dat het een algemene ervaringsregel is dat het hoofd een zeer kwetsbaar en vitaal lichaamsdeel is. Indien daarop bovengenoemd geweld wordt uitgeoefend, bestaat de aanmerkelijke kans dat dit de dood van het slachtoffer tot gevolg kan hebben.

Nu het een algemene ervaringsregel betreft, moet ook verdachte geacht worden daarvan op de hoogte te zijn geweest. Door niettemin te handelen zoals verdachte heeft gedaan, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer zou kunnen overlijden.

Aldus was bij verdachte in ieder geval sprake van voorwaardelijk opzet op de dood van aangever.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de primair ten laste gelegde poging tot doodslag bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

hij op 9 oktober 2009 te Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer], onderuit heeft getrapt, waarbij de [slachtoffer] met zijn gezicht op het wegdek terecht kwam en meermalen die [slachtoffer] met geschoeide voeten met kracht tegen het hoofd heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende misdrijf op:

primair Medeplegen van poging tot doodslag.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafoplegging

De officier van justitie heeft ter zake van medeplegen van poging tot doodslag gerekwireerd tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de strafoplegging betoogd, zo begrijpt de rechtbank, dat het opleggen van een gevangenisstraf het werk-leer traject dat verdachte volgt zou doorbreken, hetgeen niet wenselijk is.

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking:

- de aard en de ernst van het gepleegde feit;

- de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komt uit het uittreksel uit het algemeen documentatieregister en het voorlichtingsrapport;

- de vordering van de officier van justitie;

- het pleidooi van de raadsvrouw.

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een ernstige vorm van mishandeling. Het slachtoffer was de dag ervoor aangehouden door de politie op verdenking van het plegen van ontucht met verdachtes neefje, maar wegens gebrek aan bewijs weer vrijgelaten. Verdachte en zijn mededader hebben vervolgens het recht in eigen hand genomen. Het slachtoffer is tijdens de vechtpartij tegen de grond gewerkt en is vervolgens een groot aantal keren tegen zijn bovenlichaam en tegen zijn hoofd getrapt. Het door verdachte en zijn mededader gebruikte geweld was van zodanige aard dat het slachtoffer niet alleen flink letsel heeft opgelopen, maar daaraan ook had kunnen overlijden. Eén en ander kan deze verdachte het meest worden aangerekend, nu uit het proces-verbaal blijkt dat hij het meeste geweld heeft gebruikt.

Ernstige geweldsdelicten als deze worden in beginsel bestraft met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Strafverzwarend werkt bovendien dat het hier gaat om eigenrichting, hetgeen in een beschaafde samenleving nooit kan worden getolereerd. Bij deze verdachte komt daar nog bij dat hij in het recente verleden al een aantal keren is veroordeeld voor het plegen van geweld. Bijzondere strafverminderende omstandigheden zijn niet aanwezig. Wel bestaat aanleiding om een deel van de straf in voorwaardelijke vorm op te leggen, om verdachte er langere tijd van te doordringen dat hij zich anders dient te gaan gedragen.

De rechtbank komt derhalve tot het opleggen van de navolgende deels voorwaardelijke gevangenisstraf, waarbij voor wat betreft de hoogte enigszins ten gunste van verdachte zal worden afgeweken van de eis van de officier van justitie.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot schadevergoeding, te weten € 2.650,- aan immateriële schade en € 1.288,45 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente, ten gevolge van het aan verdachte primair ten laste gelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De officier van justitie heeft toewijzing van de vordering gevorderd, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsvrouw heeft betoogd dat het gevorderde bedrag aan immateriële schade dient te worden gematigd, omdat er geen causaal verband is tussen de gehele schade en het ten laste gelegde. Haars inziens zijn de aangegeven gevolgen deels toe te rekenen aan aangevers aanhouding wegens verdenking van een zedendelict.

Ten aanzien van de gevorderde materiële schadevergoeding heeft de raadsvrouw gesteld dat het causaal verband tussen het ten laste gelegde en de opgevoerde tandartskosten d.d. 8 december 2009, de bril en de PlayStation Portable (PSP) ontbreekt. Met betrekking tot de PSP heeft zij subsidiair aangevoerd dat ten onrechte de nieuwprijs is gevorderd.

De rechtbank is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij ten gevolge van het door verdachte gepleegde strafbare feit immateriële schade heeft geleden. De rechtbank stelt deze schade ex aequo et bono vast op een bedrag van € 1.000,-.

Ten aanzien van de materiële schade is de rechtbank, anders dan de raadsvrouw, van oordeel dat er wel causaal verband is tussen de tandartskosten, de bril en de PSP en het bewezenverklaarde feit.

De opgevoerde schade is immers het gevolg van het bewezenverklaarde feit, nu [slachtoffer] direct in zijn aangifte melding heeft gemaakt van deze schade. Voorts is de rechtbank van oordeel dat het redelijk is om de vervangingswaarde/nieuwwaarde van de PSP te vergoeden.

De rechtbank zal wel een korting van € 250,- op de tandartskosten brengen, nu die kosten tot dat bedrag door de verzekering worden gedekt.

De rechtbank zal de benadeelde partij derhalve een bedrag van € 1.038,45 toekennen aan materiële schade.

Gelet op het hiervoor overwogene acht de rechtbank de vordering tot een bedrag van € 2.038,45, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf de dag van het ontstaan van de schade, gegrond en voor hoofdelijke toewijzing vatbaar.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen.

De rechtbank zal de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk verklaren.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 47 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT, RECHTDOENDE:

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld en verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte te dier zake tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.

Bepaalt, dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot zes maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer], wonende te [adres], toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 2.038,45 (zegge: tweeduizend achtendertig euro en vijfenveertig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 oktober 2009, in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], te betalen een som geld ten bedrage van € 2.038,45 (zegge: tweeduizend achtendertig euro en vijfenveertig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 oktober 2009, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 30 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en vice versa, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter, mr. J. van Bruggen en mr. L.G. van Dijk, rechters, bijgestaan door mr. D.M.A. Jansen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 juli 2010. Mrs. J. van Bruggen en L.G. van Dijk zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

--------------------------------------------------------------------------------

1 De genoemde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm en door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt; de genoemde pagina's bevinden zich in het doorgenummerde proces-verbaal met OPS-dossiernummer 2009106154-23-B3.

2 Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 1], pagina 37.

3 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting.

4 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer], pagina 22.

5 Het stam proces-verbaal, pagina 2 en 3.

6 Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 1], pagina 56.

7 Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 2], pagina 40.

8 Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 2], pagina 63.

9 De contactbrief d.d. 9 oktober 2009 opgesteld door arts [naam], pagina 28.

10 De verklaring van de tandarts, pagina 26.

11 Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 1], pagina 38.

12 Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 2], pagina 40 en 41

13 De verklaring van [slachtoffer], afgelegd bij de rechter-commissaris, blad 3.