Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2010:BM9926

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
18-06-2010
Datum publicatie
01-07-2010
Zaaknummer
09/1620 en 09/1640
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2011:BR2314, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

bouwvergunning en vrijstelling voor boomkwekerij - gemeentelijk beleid met betrekking tot boomkwekerijen - ruimtelijke onderbouwing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

procedurenummers: AWB 09/1620 en AWB 09/1640

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juni 2010 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in de gedingen tussen

1. [de bewonersvereniging],

gevestigd te [woonplaats],

eiseres (hierna: de bewonersvereniging),

2. [A], [B], [C] en [D],

allen wonende te [woonplaats],

eisers (hierna: [A] e.a.),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gaasterlân-Sleat,

verweerder (hierna: het college),

gemachtigde: J. Kleefstra.

Procesverloop

Bij afzonderlijke brieven van 15 juni 2009 heeft het college de bewonersvereniging en [A] e.a. mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende de aan [de vergunninghouder] (hierna: [de vergunninghouder]) verleende vrijstellingen en bouwvergunning voor de aanleg van een containerveld en waterbassin en de oprichting van een bedrijfsloods en glazen kas (hierna: ook het project) op [het perceel] (hierna: het perceel).

Tegen dit besluit hebben [A] e.a. de bewonersvereniging beroep aangetekend. De beroepen staan geregistreerd onder nummer 09/1620 onderscheidenlijk 09/1640.

Op grond van artikel 8:26, eerste lid, van de Awb is [de vergunninghouder] door de rechtbank in de gelegenheid gesteld als partij aan de gedingen deel te nemen. Van deze gelegenheid heeft hij gebruik gemaakt.

De beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 25 februari 2010. Van [A] e.a. zijn verschenen [B] en [D]. De bewonersvereniging heeft zich doen vertegenwoordigen door [X]. Het college is verschenen bij gemachtigde. [de vergunninghouder] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde ir. S. Boonstra.

Motivering

1.1 Bij besluit van 29 november 2005 heeft het college, voor zover thans van belang, aan [de vergunninghouder] onder voorwaarden vrijstelling verleend voor de aanleg van containervelden en een waterbassin, alsmede de bouw van een loods en een glazen kas, alles ten behoeve van een boomkwekerij op het perceel. Bij besluit van 19 november 2005, op 8 december 2005 verzonden, heeft het college aan [de vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het oprichten van een bedrijfsloods en plantenkas op het perceel.

1.2 Bij besluit van 22 mei 2006 heeft het college, voor zover thans van belang, de door [A] e.a. en de door de bewonersvereniging tegen beide voormelde besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

1.3 Bij uitspraak van 9 augustus 2007 met kenmerk AWB 06/1618 en AWB 06/1653 heeft de rechtbank Leeuwarden de door [A] e.a. en de bewonersvereniging tegen het besluit van 22 mei 2006 ingestelde beroepen gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.

1.4 Bij besluit van 5 februari 2008 heeft het college de door [A] e.a en de door de bewonersvereniging tegen het besluit van 19 november 2005 (rechtbank: bedoeld zal zijn de besluiten van 19 november en 29 november 2005) gemaakte bezwaren opnieuw ongegrond verklaard.

1.5 Bij uitspraak van 4 juni 2008 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) de uitspraak van 9 augustus 2007 bevestigd en het besluit van 5 februari 2008 vernietigd. Daartoe heeft de AbRS overwogen dat het college in zowel het besluit van 22 mei 2006 als het besluit van 5 februari 2008 het project niet heeft voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing.

1.6 Bij het thans bestreden besluit heeft het college de door [A] e.a en de bewonersvereniging tegen de besluiten van 29 november 2005 (rechtbank: bedoeld zal zijn de besluiten van 19 en 29 november 2005) gemaakte bezwaren opnieuw ongegrond verklaard.

Het geschil

2.1 Het college heeft aan het bestreden besluit de "herstelnotitie Bouwkwekerijbedrijf Hege Bouwen" van 27 april 2009 ten grondslag gelegd ter aanvulling van de aan het besluit van 5 februari 2008 ten grondslag gelegde ruimtelijke onderbouwing. In deze notitie heeft het college geconcludeerd dat de vergunde kas, loods en containervelden vanuit landschappelijk oogpunt aanvaardbaar zijn.

2.2 [A] e.a. en de bewonersvereniging hebben gemotiveerd betwist dat het project vanuit landschappelijk oogpunt bezien planologisch aanvaardbaar geacht kan worden.

2.3 [de vergunninghouder] sluit zich aan bij het standpunt van het college en wijst er verder op dat het geldende bestemmingsplan ter plaatste het kweken van bomen en planten toestaat.

Beoordeling van het geschil

3.1 De rechtbank stelt vast dat de gemeenteraad van Gaasterlân-Sleat op 9 februari 2010 de herziening bestemmingsplan Buitengebied 2004 heeft vastgesteld. In de door het college gestelde omstandigheid dat dit bestemmingsplan het project toestaat zonder dat daarvoor een planologische vrijstelling nodig is, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het procesbelang bij beoordeling van het bestreden besluit is vervallen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat het voor het project van belang zijnde plandeel nog niet onherroepelijk vast staat. [A] e.a. en de bewonersvereniging kunnen tegen dit bestemmingsplan rechtsmiddelen aanwenden, nu beiden over het ontwerpbestemmingsplan herziening bestemmingsplan Buitengebied 2004 zienswijzen naar voren hebben gebracht.

3.2 Het bestreden besluit moet beoordeeld worden aan de hand van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en de Woningwet, zoals die luidde voor 1 juli 2008, in aanmerking genomen dat de aanvraag voor die datum is ingediend.

3.3 Uit artikel 44 van de Woningwet volgt dat een bouwvergunning alleen mag en moet worden geweigerd indien -voor zover hier van belang- het bouwen in strijd is met de voorschriften van het bestemmingsplan.

De gemeenteraad kan ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan. De gemeenteraad kan deze bevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders. Van deze mogelijkheid heeft de gemeenteraad in het onderhavige geval gebruik gemaakt.

3.4 Op het perceel rustte ten tijde van het bestreden besluit ingevolge het bestemmingsplan "buitengebied Gaasterland" (hierna: het bestemmingsplan) de bestemming "Bosgebied met belangrijke agrarische functie". Op de kaart die deel uitmaakt van het bestemmingsplan, is het perceel niet voorzien van de aanduiding "bosgrond".

Ingevolge artikel 5A van de voorschriften van het bestemmingsplan zijn de op de kaart voor "Bosgebied met belangrijke agrarische functie" aangewezen gronden bestemd voor:

a. bosgrond, voor zover de gronden zijn voorzien van de aanduiding "bosgrond";

b. cultuurgrond wat betreft de gronden welke niet zijn voorzien van de aanduiding "bosgrond";

c. landschappelijke elementen, zijnde houtwallen, laanbeplanting en boomsingels;

d. het oprichten van de in schema 1 voor deze bestemming toegestane andere bouwwerken;

e. infrastructurele voorzieningen,

zulks met instandhouding en/of versterking van de aan deze gronden toegekende landschappelijke waarden en met inachtneming van, voor zover thans van belang, de bepaling dat op of in deze gronden geen gebouwen mogen worden gebouwd.

3.5 Naar de rechtbank begrijpt, stelt het college zich thans op het standpunt dat voor het project dat ziet op de aanleg van containervelden geen vrijstelling verleend had hoeven te worden, nu het bestemmingsplan dit deel van het project zonder meer toestaat. Deze processuele verandering van koers van het college acht de rechtbank in dit stadium van de procedure, namelijk na de uitspraak van de AbRS, in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesvoering. Om die reden zal dit standpunt bij de beoordeling van het beroep buiten beschouwing gelaten worden.

Verder is de rechtbank van oordeel dat niet zonder nadere motivering geconcludeerd kan worden dat het bestemmingsplan ook teelt die niet (overwegend) in de volle grond plaatsvindt, toestaat.

3.6 In dit geding staat centraal de vraag of het college voldoende onderbouwd heeft dat het project planologisch aanvaardbaar is.

De rechtbank stelt vast dat ten tijde van het bestreden besluit gemeentelijk beleid met betrekking tot boomkwekerijen was vastgesteld en dat dit beleid was uitgewerkt in het op 21 februari 2006 in werking getreden bestemmingsplan Buitengebied 2004.

Uitgangspunt van dit beleid is, zoals dat in paragraaf 4.1.1 van de toelichting bij dit plan is verwoord, dat voor een (verdere) ontwikkeling van boomkwekerijbedrijven mogelijkheden worden geboden, voor zover die ontwikkeling niet ten koste gaat van landschappelijke en ecologische kwaliteiten van het buitengebied. Dit uitgangspunt heeft er toe geleid dat uitsluitend nieuwe boomkwekerijbedrijven die in de “volle grond” werken binnen de gemeente worden toegestaan. Daarnaast zal de vestiging van nieuwe kwekerijen in voormalige bedrijfsgebouwen moeten plaatsvinden. Gespecialiseerde bedrijven (met containerteelt en/of glas), uitgezonderd bestaande bedrijvigheid, zullen een plaats moeten zoeken in speciaal daarvoor ingerichte produktiecentra elders in het land. Behoudens in een gebied nabij Harich, aan de westzijde van Balk, waar al de nodige bedrijvigheid is gevestigd, worden onder voorwaarden de mogelijkheden geboden om bij boomkwekerijbedrijven in de "volle grond" een beperkte oppervlakte tunnelkassen en containerteelt toe te staan. Voor wat betreft de gebieden waar boomkwekerijbedrijven zich onder voorwaarden binnen de gemeente kunnen vestigen, is bepaald dat daarvoor twee van de vijf landschapstypen die in het gemeentelijk buitengebied worden onderscheiden in aanmerking komen, te weten het type “half open gebieden” en “besloten gebieden bestaande uit afwisselend open en gesloten, ofwel bos met open enclaves”.

Per concreet geval zal moeten worden beoordeeld of vestiging van een bedrijf aanvaardbaar is. Voor het type “besloten gebieden bestaande uit afwisselend open en gesloten" geldt daarbij het volgende toetsingskader:

"Het betreft hier bosgebied met daarin voorkomende open enclaves, bestaande uit weiland. Deze afwisseling is landschappelijk gezien erg karakteristiek voor Gaasterlân-Sleat, maar daarnaast ook in ecologisch opzicht van grote waarde. Het zonder meer toestaan van aanplant door boomkwekerijbedrijven kan tot aantasting van deze waarden leiden, doordat bijvoorbeeld waardevolle open enclaves en gradiënten verdwijnen. Anderzijds kan de ontwikkeling van een bedrijf ook op een zodanige manier gebeuren dat de aanwezige waarden in stand blijven, dan wel mogelijk nog worden versterkt. Een en ander vraagt om een zorgvuldige benadering, waarbij per geval bekeken wordt of en zo ja op welke wijze nieuwe bosaanplant bij kan dragen aan de karakteristiek en ecologische waarde van het besloten/open gebied.“

3.7 In tegenstelling tot de primaire besluiten van 19 en 29 november 2005 en de eerder genomen besluiten op bezwaar van 22 mei 2006 en 5 februari 2008 stelt het college zich bij het thans bestreden besluit op het standpunt, naar de rechtbank begrijpt, dat voormeld beleid met betrekking tot boomkwekerijen niet van toepassing is op de vestiging van een boomkwekerij waarbij -zoals in dit geval- ook bedrijfsgebouwen worden opgericht. Nog los van het feit dat ook deze processuele verandering van koers van het college in dit stadium van de procedure, namelijk na de uitspraak van de AbRS, in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesvoering is, acht de rechtbank dit standpunt onbegrijpelijk.

Uit dit beleid volgt namelijk ondubbelzinnig dat de vestiging van nieuwe kwekerijen enkel in voormalige bedrijfsgebouwen mag plaatsvinden. Dit betekent dat het beleid vestiging met nieuwbouw niet toestaat, zodat dus, anders dan het college stelt, het beleid zich ook uitspreekt over de aanvaardbaarheid van de vestiging van nieuwe bedrijfspercelen.

3.8 In de uitspraak van 4 juni 2008 van de AbRS is overwogen dat het project op drie punten afwijkt van het gemeentelijk beleid met betrekking tot boomkwekerijen, omdat de vestiging van de boomkwekerij niet binnen bestaande voormalige agrarische bedrijfsbebouwing zal plaatsvinden, omdat containerteelt wordt toegestaan en omdat de bouw van 1000 m² glazen kassen wordt mogelijk gemaakt.

Ter toetsing ligt daarom voor of de vestiging van het bedrijf op het perceel ondanks de strijd met het geldende beleid vanuit landschappelijk oogpunt bezien aanvaardbaar is. Die situatie doet zich, zoals blijkt uit rechtsoverweging 2.12 van de uitspraak van 4 juni 2008 van de AbRS, eerst voor als het bouwplan bijdraagt aan een essentiële doelstelling van het beleid, namelijk het in stand houden dan wel mogelijk versterken van de karakteristieke en ecologische waarde van het landschap. Naar het oordeel van de rechtbank is het college er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat het project bijdraagt aan die doelstelling. Daartoe wordt als volgt overwogen.

3.9 Het college acht de loods en kas planologisch aanvaardbaar omdat enerzijds het bedrijfsperceel zich als gevolg van afschermende aangebrachte beplanting, als een in het groen weggeborgen perceel manifesteert en anderzijds omdat de bedrijfsbebouwing van bescheiden omvang is, waardoor het bedrijfsperceel zich voegt in een omvang, die in de directe omgeving gebruikelijk is voor agrarische bedrijfspercelen.

3.10 Als al geoordeeld kan worden dat sprake is van een groen weggeborgen bedrijfsperceel, omdat immers de kas ondanks de beplanting zeker de eerste jaren zichtbaar zal blijven, doet aan die omstandigheid niet af dat, zoals de AbRS in zijn uitspraak van 4 juni 2008 in rechtsoverweging 2.6 heeft overwogen, de aan te brengen beplanting langs een deel van het bedrijfsperceel geen samenhangend geheel vormt met het nabijgelegen bos. Tussen de bosrand en de op te richten loods en kas bevindt zich immers een open stuk grond in de vorm van een driehoek, circa 2 à 3 hectare groot, dat hoofdzakelijk bestemd is voor akkerbouw.

3.11 Ook de door het college gestelde omstandigheid dat in de directe omgeving gebouwen van deze omvang aanwezig zijn, betekent niet dat de vergunde kas en loods ook planologisch aanvaardbaar zijn. Dat is afhankelijk van waar die kas en loods in die omgeving worden gesitueerd. Nu in de ruimtelijke onderbouwing die ten grondslag is gelegd aan het besluit van 5 februari 2008, welk ook deel uitmaakt van de in geding zijnde ruimtelijke onderbouwing, is vermeld dat de kas en de loods zich op ruime afstand van de weg (rechtbank: circa 120 à 130 meter) en de drie daar aanwezige woningen bevinden en vanaf de westzijde gezien gedurende de helft van het jaar het beeld zullen bepalen, had het college naar het oordeel van de rechtbank zich niet zonder nadere motivering zich op het standpunt kunnen stellen dat de loods en kas zich voegen in de omgeving.

Daarnaast merkt de rechtbank op dat de omvang van de kas en loods ook niet afdoet aan het feit dat deze bebouwing in het open gebied wordt gesitueerd. Verder deelt de rechtbank niet de opvatting van het college dat sprake is van bescheiden bebouwing. De loods heeft immers een afmeting van 25 bij 17 meter en een goot- en nokhoogte van 4 onderscheidenlijk 7 meter. De kas heeft een afmeting van 35 bij 25 meter en een goot- en nokhoogte van 4,3 onderscheidenlijk 5 meter.

3.12 Voor wat betreft de inpasbaarheid van de containervelden is in de nieuwe ruimtelijke onderbouwing vermeld dat deze passend geacht kunnen worden, omdat zij direct gelegen zijn tegen de rand van een bosgebied aan de uiterste rand van de open enclave, zodat een min of meer natuurlijke overgang van zoombeplanting van de boomkwekerij naar het bosgebied ontstaat. De rechtbank stelt vast dat de ruimtelijke onderbouwing op dit punt niet inhoudelijk verschilt van degene die aan het besluit van 5 februari 2008 ten grondslag is gelegd. Bij dat besluit is immers vermeld dat op het achterste deel van het perceel sprake zal zijn van een verdichting van het landschap en een meer geleidelijke overgang tussen bos en landbouwenclaves. Die ruimtelijke onderbouwing heeft de AbRS in haar uitspraak van 4 juni 2008 onvoldoende geacht, zodat de onderhavige ruimtelijke onderbouwing op dit punt reeds niet als voldoende kan worden aangemerkt. Daarnaast merkt de rechtbank op dat het college in de ruimtelijke onderbouwing niet is ingegaan op de stelling van [A] e.a en de bewonersvereniging dat, naar de rechtbank begrijpt, containervelden een dusdanige andere ruimtelijke uitstraling hebben dan bos, dat in redelijkheid niet gesteld kan worden dat de containervelden een samenhangend geheel vormen met het nabijgelegen bos.

3.13 Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de conclusie dat de beroepen van [A] e.a. en de bewonersvereniging tegen het bestreden besluit gegrond zijn. Dit besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Het college dient een nieuw besluit op de gemaakte bezwaren te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

3.14 Met toepassing van artikel 8:75 van de Awb veroordeelt de rechtbank het college in de proceskosten van de bewonersvereniging. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht worden die proceskosten vastgesteld op € 17,80 aan reiskosten, die gemaakt zijn voor het bijwonen van de zitting en € 60,00 aan verletkosten, in totaal € 77,80. De door de bewonersvereniging gestelde kosten voor kantoormateriaal komen, gelet op het Besluit proceskosten bestuursrecht, niet voor vergoeding in aanmerking.

De rechtbank ziet geen aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van [A] e.a., nu van daarvoor in aanmerking komende kosten niet is gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat het college opnieuw beslist op het bezwaar van [A] e.a. en de bewonersvereniging met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat het college het door [A] e.a. en de bewonersvereniging gestorte griffierecht van € 150,- respectievelijk € 297,00 vergoedt.

- veroordeelt het college in de proceskosten van de bewonersvereniging tot een bedrag van € 77,80.

Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in tegenwoordigheid van B.M. van der Doef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2010.

w.g. P.G. Wijtsma

w.g. B.M. van der Doef

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.