Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2010:BM9878

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
29-04-2010
Datum publicatie
01-07-2010
Zaaknummer
09/802
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Na vernietiging van een eerder besluit op bezwaar door de CRvB heeft verweerder het bezwaar tegen de afwijzing van een verzoek tot terugbetaling van betaalde eigen bijdrage in het kader van de AWBZ wegens ontoereikende kwaliteit van geleverde zorg opnieuw ongegrond verklaard. Er is prake van nieuwe feiten. Verweerder heeft de ernstige twijfel over de kwaliteit van de geleverde zorg naar het oordeel van de rechtbank niet weg kunnen nemen door middel van objectieve, verifieerbare gegevens. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en voorziet zelf in de zaak door de eigen bijdrage met een derde te verlagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RZA 2010/113
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

procedurenummer: AWB 09/802

uitspraak van de meervoudige kamer van 29 april 2010 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats],

eiser (hierna: [eiser]),

gemachtigden: A. [Y] en mr. F.J. Knoops, advocaat te Groningen,

en

de Onderlinge Waarborgmaatschappij De Friesland Zorgverzekeraar, gevestigd te Leeuwarden, verweerder (hierna: De Friesland),

gemachtigden: mr. M.E. Sybrandy, M.E. Venema, en H. Morshuis, zorginhoudelijk adviseur, allen werkzaam bij De Friesland.

Procesverloop

Bij brief van 26 februari 2009 heeft De Friesland [eiser] mededeling gedaan van een nieuw besluit op bezwaar betreffende de toepassing van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ).

Tegen dit besluit heeft [eiser] beroep ingesteld.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 8 februari 2010. Namens [eiser] en De Friesland zijn voornoemde gemachtigden verschenen. Voorts zijn ter zitting verschenen R. Helle, verpleeghuisarts, en [X], waarnemend hoofd dagbehandeling van [het verpleeghuis].

Motivering

Feiten

1.1 [eiser], geboren op [geboortedatum], heeft in 1990 en 2000 herseninfarcten gehad. Sindsdien heeft hij verlammingsklachten en afasie. In 2000 is hij geïndiceerd voor tijdelijke opname in een verpleeghuis. Sinds 2001 is hij volledig verpleeghuisbehoeftig. Hij heeft van 7 september 2001 tot en met 26 februari 2003 verbleven in [het verpleeghuis] (hierna: [het verpleeghuis]). Daar werd hij bijna dagelijks bezocht door de familie [Y], een met [eiser] bevriend echtpaar.

1.2 Bij besluit van 4 oktober 2001 heeft het Zorgkantoor Friesland namens De Friesland [eiser] voor het verblijf in [het verpleeghuis] vanaf 7 september 2001 in het kader van de AWBZ een eigen bijdrage ter hoogte van € 543,03 per maand in rekening gebracht. Bij besluit van 20 november 2001 is voor het verblijf vanaf 1 december 2001 de eigen bijdrage bepaald op € 1.018,32 per maand. Bij besluit van 12 december 2002 is de eigen bijdrage voor het verblijf vanaf 1 januari 2003 vastgesteld op € 1.057,80 per maand.

1.3 Bij schrijven van 25 maart 2003 is namens [eiser] aan De Friesland (onder meer) verzocht om terugbetaling van de tot 1 april 2003 betaalde eigen bijdrage ten bedrage van € 17.859,77 in verband met gestelde ontoereikende kwaliteit van geleverde zorg tijdens het verblijf in [het verpleeghuis]. Ter toelichting op dit verzoek is er op gewezen dat de afasieproblemen van [eiser] onvoldoende zijn onderkend en dat de communicatie met [eiser] gebrekkig is verlopen, waardoor de behandeling en verpleging niet voldoende op zijn gezondheidstoestand waren afgestemd en als gevolg waarvan [eiser] gezondheidsschade heeft opgelopen.

1.4 Bij besluit van 24 september 2003 heeft het Zorgkantoor Friesland namens De Friesland het verzoek van [eiser] afgewezen. Bij besluit van 30 augustus 2004 heeft De Friesland het bezwaar van [eiser] tegen het besluit van 24 september 2003 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 6 december 2005 (geregistreerd onder procedurenummer 04/1141) heeft deze rechtbank het beroep tegen het besluit van 30 augustus 2004 ongegrond verklaard.

1.5 Bij uitspraak van 10 september 2008 (gepubliceerd op rechtspraak.nl onder LJN BF1248) heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) het hoger beroep van [eiser] tegen de uitspraak van de rechtbank van 6 december 2005 gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 30 augustus 2004 vernietigd en bepaald dat De Friesland een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van de uitspraak van de CRvB.

1.6 Bij het bestreden besluit heeft De Friesland opnieuw beslist op het bezwaar van [eiser]. De Friesland heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard voor zover het is gericht tegen de beschikking van 12 december 2002, omdat met betrekking tot die beschikking geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden. Voorts heeft De Friesland het bezwaar ongegrond verklaard voor zover dit betrekking heeft op de besluiten van 4 oktober 2001 en 20 november 2001. Volgens De Friesland is ten aanzien van deze besluiten sprake van nieuwe feiten of omstandigheden, te weten de informatie met betrekking tot de kwaliteit van de door [het verpleeghuis] in de periode van 7 september 2001 tot en met 31 december 2002 verleende zorg. Deze feiten of omstandigheden geven volgens De Friesland echter geen aanleiding om terug te komen op de besluiten van 4 oktober 2001 en 20 november 2001.

Geschil

2.1 [eiser] stelt zich op het standpunt dat De Friesland er niet in is geslaagd met objectieve, verifieerbare gegevens aan te tonen dat ten volle sprake is geweest van zorg die te kwalificeren is als verantwoorde zorg. [eiser] wijst er onder meer op dat tweemaal sprake is geweest van ernstige ondervoeding, hetgeen [het verpleeghuis] onvoldoende heeft onderkend, en dat [het verpleeghuis] heeft verzuimd de zorg te bieden die nodig was om aan die situatie een eind te maken. Behalve een aantal voedingslijsten heeft De Friesland geen stukken overgelegd ter onderbouwing van het standpunt dat sprake was van verantwoorde zorg. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst [eiser] naar de eerder overgelegde rapporten van internist Woudstra-Alberda en verpleeghuisarts Helle en een nieuw rapport van Helle van 29 juni 2009.

2.2 De Friesland handhaaft het bestreden besluit en stelt zich op het standpunt dat de aan [eiser] geboden zorg van goed kwalitatief niveau is geweest en dat die zorg in ieder geval doeltreffend, doelmatig en patiëntgericht is verleend en was afgestemd op [eiser]s reële behoefte. Daarom bestaat er volgens De Friesland geen reden tot gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de opgelegde eigen bijdrage AWBZ. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft zij onder meer verwezen naar een verslag van een gesprek dat op 26 januari 2010 is gevoerd tussen een aantal medewerkers van De Friesland en een aantal medewerkers van Zorggroep Pasana, waarvan [het verpleeghuis] onderdeel uitmaakt.

Toetsingskader

3.1 Artikel 6, eerste lid, van de AWBZ, zoals deze wet luidde ten tijde in geding, en voor zover hier van belang, bepaalt dat de verzekerden aanspraak hebben op zorg ter voorkoming van ziekten en ter voorziening in hun geneeskundige behandeling, verpleging en verzorging en dat de uitvoeringsorganen zorg dragen dat de bij hen ingeschreven verzekerden hun aanspraak op zorg tot gelding kunnen brengen. Voorts bepaalt dit artikellid dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aard, inhoud en omvang van de zorg waarop aanspraak bestaat worden geregeld. De verzekerde die zijn aanspraak op zorg tot gelding wil brengen, dient zich, gezien artikel 10, eerste lid, van de AWBZ, voor zover hier van belang en behoudens uitzonderingen, voor het ontvangen van de betreffende zorg te wenden tot een persoon of (toegelaten) instelling naar eigen keuze, met wie of welke het uitvoeringsorgaan, waarbij hij is ingeschreven, tot dat doel een overeenkomst heeft gesloten.

3.2 Ingevolge artikel 6, derde lid, van de AWBZ kan bij algemene maatregel van bestuur als voorwaarde voor het verkrijgen van een verstrekking worden gesteld, dat de verzekerde bijdraagt in de kosten daarvan. Artikel 2, eerste lid, van de desbetreffende algemene maatregel van bestuur, het Bijdragebesluit zorg (hierna: het Besluit), bepaalt dat de verzekerde van 18 jaar of ouder bijdraagt in de kosten van de zorg, verleend door een instelling of verzorgingshuis. Hij is deze bijdrage, welke wordt vastgesteld volgens de in het Besluit gegeven regels van dwingendrechtelijke aard, volgens artikel 3, eerste lid van het Besluit, verschuldigd aan het uitvoeringsorgaan.

3.3 Bij uitspraak van 24 juli 2002 (gepubliceerd op rechtspraak.nl onder LJN AE6165) heeft de CRvB uit vorenstaande bepalingen, in hun onderlinge samenhang bezien, afgeleid dat het uitvoeringsorgaan waarbij de verzekerde, aan wie zorg is verleend in een instelling of verzorgingshuis, staat ingeschreven, gehouden is van hem of haar een eigen bijdrage te heffen overeenkomstig hetgeen dwingendrechtelijk is voorgeschreven in het Besluit, indien de verleende zorg zich kan kwalificeren als zorg waarop de verzekerde overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens de AWBZ recht heeft. Bij dezelfde uitspraak heeft de CRvB als nadere aanduiding van AWBZ-zorg gewezen op het begrip verantwoorde zorg zoals genoemd in de Kwaliteitswet zorginstellingen. Onder verantwoorde zorg wordt in artikel 2 van die wet verstaan: "zorg van goed niveau, die in ieder geval doeltreffend, doelmatig en patiëntgericht wordt verleend en die is afgestemd op de reële behoefte van de patiënt". In de voormelde uitspraak van 10 september 2008 heeft de CRvB in de totstandkomingsgeschiedenis van deze bepaling naast de toepassing van het begrip verantwoorde zorg op instellingsniveau tevens aanknopingspunten gezien voor de toepassing ervan op individueel niveau. Dit betekent dat ook op individueel niveau sprake dient te zijn van verantwoorde zorg, in die zin dat zorg wordt verleend van een goed niveau, die in ieder geval doeltreffend, doelmatig en op het individu van de verzekerde is gericht en die is afgestemd op de reële behoeften van de betreffende persoon.

Nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden

4.1 De rechtbank begrijpt het namens [eiser] gedane verzoek om terugbetaling van de eigen bijdrage in navolging van de CRvB als een verzoek om terug te komen op de in rechte onaantastbaar geworden besluiten van 4 oktober 2001, 20 november 2001 en 12 december 2002. De rechtbank ziet aanleiding in dit kader aan te sluiten bij de jurisprudentie die is ontwikkeld ten aanzien van de beoordeling van een aanvraag, als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. In dat kader dient te worden beoordeeld of de redenen voor het verzoek om terugbetaling van de AWBZ-bijdrage zijn aan te merken als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.

4.2 Tussen partijen is niet in geschil dat met betrekking tot het besluit van 12 december 2002 betreffende de vaststelling van de eigen bijdrage over de periode van 1 januari 2003 tot en met 26 februari 2003 geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, omdat [eiser] de beweerde misstanden ten tijde van het nemen van dat besluit reeds aan de orde had gesteld en hij deze dus ook in het kader van een bezwaarschriftprocedure tegen dat besluit had kunnen aanvoeren.

4.3 De rechtbank is in navolging van de uitspraak van de CRvB van 10 september 2008 van oordeel dat ten aanzien van de besluiten van 4 oktober 2001 en 20 november 2001 sprake is van nieuw gebleken feiten, te weten ernstige twijfel over de kwaliteit van de aan [eiser] verleende zorg, waarvoor hem destijds eigen bijdragen zijn opgelegd. Deze twijfel komt voort uit de rapporten van internist Woudstra-Alberda van 20 juni 2004 en verpleeghuisarts Helle van 8 december 2004, 28 augustus 2005, 15 november 2005, 22 mei 2008 en 29 juni 2009, de beslissing van de klachtencommissie van 8 oktober 2002 en de brief van de Inspectie voor de Volksgezondheid van 8 november 2002.

Beoordeling van het geschil

5.1 Gelet op het voorgaande dient te worden beoordeeld of de aan [eiser] verleende zorg zodanig beneden de maat was dat deze zich niet meer (ten volle) laat kwalificeren als zorg waarop hij op grond van de AWBZ recht heeft en waarvoor van hem op grond van het bepaalde bij en krachtens de AWBZ een eigen bijdrage moet worden geheven, oftewel in hoeverre sprake was van verantwoorde zorg in de zin van artikel 2 van de Kwaliteitswet zorginstellingen. Gelet op de onderbouwde betwisting van de kwaliteit van de geleverde zorg en de daaruit voortvloeiende twijfel aan de kwaliteit van de geleverde zorg, is het aan De Friesland om door middel van objectieve, verifieerbare gegevens aan te tonen dat desalniettemin verantwoorde zorg is geleverd. Dit betekent dat de bewijslast bij De Friesland ligt. De belangrijkste kenbron voor de beantwoording van de vraag of sprake is van verantwoorde zorg is het zorgdossier. Tot het zorgdossier behoren onder meer zorgplannen, verslagen van het multidisciplinaire overleg (MDO), dag- en maandrapportages, afsprakenbladen, gedragsobservatielijsten en voedingslijsten. De rechtbank verwijst in dit kader opnieuw naar de uitspraak van de CRvB van 10 september 2008.

5.2 De twijfel aan de kwaliteit van de geleverde zorg spitst zich met name toe op twee onderwerpen, te weten de psychische zorg, waaronder mede wordt begrepen de communicatie tussen [eiser] en de verzorgenden, en de zorg betreffende het eten.

5.3 Ten aanzien van de psychische zorg heeft De Friesland in het bestreden besluit overwogen dat [eiser] zich ten gevolge van de ondergane herseninfarcten niet goed kan uiten, maar dat uit de dag- en maandrapportages kan worden afgeleid dat de verzorgenden desalniettemin voortdurend met hem communiceren, zij steeds lijken te begrijpen wat hij bedoelt en zij hem vervolgens eventueel (naast de normale dagelijkse verzorging) de op dat moment gevraagde en/of benodigde extra zorg verlenen. De Friesland leidt hieruit af dat sprake is van zorg die op het individu van de belanghebbende is gericht en die is afgestemd op diens reële behoeften. Volgens De Friesland doet zich uitsluitend een communicatieprobleem voor ten aanzien van het belgedrag. [eiser] belt vaak, vooral in de avond en nacht, en hij kan vaak niet duidelijk maken waarvoor hij belt. Naar aanleiding daarvan zijn op advies van de psycholoog gedragsobservatielijsten bijgehouden, welke zijn geëvalueerd. Volgens De Friesland blijkt uit de dagrapportage van 13 augustus 2002 dat aan dit traject een vervolg is gegeven doordat de psycholoog een voorlopig advies heeft gegeven. Volgens De Friesland mag logischerwijs worden aangenomen dat dit advies ook is opgevolgd. Volgens De Friesland blijkt uit het dossier dat het personeel van [het verpleeghuis] er alles aan heeft gedaan om zo goed mogelijk met [eiser] te kunnen communiceren. Dat het personeel niet altijd kan achterhalen waarvoor hij belt, kan het personeel in redelijkheid niet worden verweten. Volgens De Friesland is in ieder geval niet gebleken dat de communicatie tussen [eiser] en de verzorgenden heeft geleid tot zorg die niet als goede zorg is te kwalificeren.

5.4 De rechtbank stelt voorop dat de psychische zorg voor en de communicatie met [eiser], gelet op zijn beperkingen, extra aandacht behoefden. In dat kader was een belangrijke rol weggelegd voor de psycholoog en de door haar gegeven opdrachten en adviezen. De communicatieproblemen hebben zich met name voorgedaan in het kader van het belgedrag van [eiser]. De psycholoog heeft geadviseerd om enige tijd het gedrag van [eiser] te observeren en te registreren. Uit de gedragsobservatielijsten over de periode van 22 februari 2002 tot en met 24 maart 2002 en een voorlopig advies van de psycholoog blijkt dat in eerste instantie te summier uitvoering is gegeven aan het advies om het gedrag van [eiser] te registreren. Vervolgens is het gedrag op verzoek van de psycholoog nogmaals enige tijd geobserveerd en geregistreerd. Uit de gedragsobservatielijsten over de periode van 15 mei 2002 tot en met 7 juni 2002 blijkt dat in deze periode van drie weken naar aanleiding van slechts vier incidenten observaties zijn geregistreerd. Uit de dagrapportage van 13 augustus 2002 kan weliswaar worden afgeleid dat de psycholoog een voorlopig advies heeft gegeven, maar uit het dossier kan niet worden afgeleid of daarmee gedoeld wordt op het eerder genoemde voorlopige advies of dat dit een tweede voorlopig advies betreft. In het dossier bevindt zich in ieder geval slechts één voorlopig advies. Uit het dossier blijkt verder niet wat er is gedaan met de observaties uit de periode van 15 mei 2002 tot en met 7 juni 2002, of de psycholoog een definitief advies heeft gegeven en wat met het eerste voorlopige advies en eventuele nadere adviezen is gedaan. De rechtbank stelt vast dat de verslaglegging op dit punt onvolledig is. De Friesland erkent dat geen gebruik is gemaakt van het communicatieschrift. Daardoor is naar het oordeel van de rechtbank een door de logopedist geadviseerd middel om de communicatie te verbeteren ongebruikt gelaten. De rechtbank constateert voorts dat De Friesland haar hiervoor onder 5.3 weergegeven standpunt slechts in zeer beperkte mate heeft onderbouwd met concrete, objectieve, verifieerbare gegevens. De Friesland verwijst weliswaar meermalen in algemene zin naar de dag- en maandrapporten of andere stukken in het dossier, maar deze verwijzingen worden niet of nauwelijks geconcretiseerd. Wellicht is dit mede een gevolg van de hiervoor geconstateerde gebrekkige verslaglegging, maar gelet op het feit dat de bewijslast bij De Friesland ligt, dient dit voor haar risico te blijven. Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat De Friesland de twijfel betreffende de kwaliteit van de geleverde psychische zorg niet heeft kunnen wegnemen.

5.5 Ten aanzien van de zorg met betrekking tot het eten heeft De Friesland in het bestreden besluit overwogen dat [eiser] bij zijn opname op 7 september 2001 al een matige voedingstoestand had, erg verzwakt was en voeding weigerde. Tijdens de opname is er constant aandacht geweest voor zijn voedingstoestand door de verzorging, de diëtiste en de arts. In de periode van september 2001 tot en met mei 2002 wist [eiser] ondanks een zeer wisselend eetpatroon een redelijk stabiel gewicht te houden, variërend van 84,7 kg tot 75,4 kg. Volgens De Friesland is geen sprake geweest van een ondervoedingstoestand. Dit blijkt mede uit het feit dat in het verslag van het MDO van 21 januari 2002 is vermeld dat het doel om de conditie van [eiser] te verbeteren is behaald en dat de decubitus aan de stuit is genezen. Uit de uitslagen van het in februari 2002 uitgevoerde bloedonderzoek blijkt dat er geen bijzonderheden waren. Vanaf 31 juli 2002 weigerde [eiser] structureel het aangeboden eten. Op 2 augustus 2007 woog [eiser] 66,1 kg. Volgens De Friesland blijkt uit de dagrapportage van 7 augustus 2002 dat het plekje op zijn stuit was geheeld en dat er dus, ondanks het forse gewichtsverlies, ook op dat moment geen sprake was van een ondervoedingstoestand. De familie [Y] is er volgens De Friesland mee akkoord gegaan dat indien [eiser] aangeboden voedsel weigerde te eten dit niet werd doorgezet. Op 23 augustus 2002 was [eiser] weer iets aangekomen en woog hij 68,4 kg. Op 4 september 2002 bleek uit een bloedonderzoek dat [eiser] een tekort had aan vitamine B1, B6 en foliumzuur. Deze tekorten zijn vervolgens door middel van medicatie aangevuld. Op 16 december 2002 was het gewicht van [eiser] weer gestegen tot 71,6 kg. Volgens De Friesland blijkt uit het voorgaande dat er voortdurend en continu aandacht is geweest voor het eet- en drinkpatroon van [eiser] en dat zijn gezondheidstoestand op dit punt goed is bewaakt. De gezondheidstoestand van [eiser] was volgens De Friesland niet dermate zorgwekkend, dat deze schade heeft geleden door het feit dat het advies van diëtiste om [eiser] Fortifresh te geven in plaats van de warme maaltijd eerst een week nadien is opgevolgd. Dat [eiser] gedurende een korte periode niets extra's (zoals bijvoorbeeld pizza) is aangeboden, betekent niet dat zorg van onvoldoende kwaliteit is geleverd. Er is [eiser] voortdurend voldoende voedsel aangeboden, toegespitst op het hem voorgeschreven dieet. Gedurende de gehele periode in geding zijn voedingslijsten bijgehouden, zijn adviezen van de diëtiste gevraagd en is bij dreigende ondervoeding tijdig de arts ingeschakeld. Daarmee is volgens De Friesland vastgesteld dat op dit gebied zorg van goede kwaliteit is geboden, gericht op het individu van [eiser] en afgestemd op zijn reële behoeften.

5.6 De rechtbank stelt in dit kader voorop dat ook de zorg voor de voeding tijdens de opname extra aandacht behoefde, gelet op feit dat zijn voedingstoestand bij opname matig was, hij verzwakt was en ook nadien een aantal malen sprake is geweest van (dreigende) ondervoeding. In dat kader was een belangrijke rol weggelegd voor de diëtiste en de door haar gegeven opdrachten en adviezen. De rechtbank constateert dat deze opdrachten en adviezen niet steeds (meteen) zijn opgevolgd. Hoewel niet is gebleken dat het feit dat [eiser] eerst een week na het advies van de diëtiste Fortifresh heeft gekregen en dat hij gedurende een periode geen extra's heeft ontvangen, direct tot schadelijke gevolgen voor zijn gezondheid hebben geleid, illustreren deze incidenten wel dat de communicatie tussen de diëtiste en de verzorgenden niet optimaal verliep, terwijl dit gelet op de voedingstoestand van [eiser] zeer belangrijk was. Voorts constateert de rechtbank dat uit het dossier niet kan worden afgeleid dat de tijdens het MDO van (waarschijnlijk) 21 januari 2002 gemaakte afspraak dat [eiser] eenmaal per twee weken zou worden gewogen, is nagekomen. De rechtbank stelt vast dat in het dossier geen aantekeningen van de diëtiste zijn opgenomen betreffende de periode na 21 februari 2002. De rechtbank acht dit opmerkelijk, te meer omdat blijkens de overige stukken in die periode ten minste eenmaal sprake is geweest van een aanzienlijke gewichtsdaling. Het ontbreken van dergelijke aantekeningen bemoeilijkt het beoordelen van de in die periode aan [eiser] geleverde zorg met betrekking tot het eten. Ook hier geldt dat dit voor risico dient te blijven van De Friesland. Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat De Friesland ook de twijfel aan de kwaliteit van de geleverde zorg met betrekking tot het eten niet heeft kunnen wegnemen.

5.7 Met betrekking tot het verslag van het gesprek van 26 januari 2010 tussen medewerkers van De Friesland en Zorggroep Pasana overweegt de rechtbank het volgende. Blijkens de inleiding van dit verslag was het gesprek bedoeld om een beeld te krijgen van de inhoud van de aan [eiser] verleende zorg. Het verslag is in de eerste plaats een weergave van hetgeen [A], verpleeghuisarts, [B], fysiotherapeut, en [C], logopediste, in dat kader hebben verklaard. Daarnaast is in het verslag een schriftelijke verklaring opgenomen van [D], diëtiste. In het verslag wordt voornamelijk in algemene bewoordingen gesproken over de gang van zaken tijdens de opname, waarbij veel aandacht wordt besteed aan de rol van de familie [Y]. Ten aanzien van de psychische zorg, de communicatie met [eiser] en de zorg betreffende het eten zijn in het verslag nauwelijks concrete, objectieve, verifieerbare gegevens opgenomen. Dit verslag heeft daarom naar het oordeel van de rechtbank de twijfel aan de kwaliteit van deze zorg niet kunnen wegnemen.

5.8 Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat De Friesland er niet in is geslaagd door middel van objectieve, verifieerbare gegevens aan te tonen dat verantwoorde zorg is geleverd. Daaruit volgt dat De Friesland onvoldoende heeft gemotiveerd waarom zij niet is teruggekomen op de besluiten van 4 oktober 2001 en 20 november 2001. Nu de bewijslast bij De Friesland ligt, ziet de rechtbank geen aanleiding om een deskundige te benoemen. Dit leidt tot de slotsom dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

5.9 Nu De Friesland er in het bestreden besluit, ondanks een uitgebreid dossieronderzoek en een uitgebreide motivering, niet in is geslaagd aan te tonen dat verantwoorde zorg is geleverd, acht de rechtbank aannemelijk dat De Friesland hier in een nieuw besluit op bezwaar evenmin in zal slagen. Dit betekent dat de in de besluiten van 4 oktober 2001 en 20 november 2001 vastgestelde eigen bijdragen niet kunnen worden gehandhaafd en dat beoordeeld dient te worden in welke mate dit dient te leiden tot herziening van de opgelegde eigen bijdragen. In dat kader heeft de rechtbank partijen en hun adviseurs ter zitting van 8 februari 2010 gevraagd met welk deel de eigen bijdragen verlaagd zouden moeten worden, indien de rechtbank tot het oordeel zou komen dat De Friesland niet heeft aangetoond dat de psychische zorg en de zorg voor het eten kunnen worden aangemerkt als verantwoorde zorg. De gemachtigde van [eiser] heeft op die vraag geantwoord dat het niet zozeer gaat om kwijtschelding van het gehele bedrag, maar meer om het principe. Helle en Morshuis hebben geantwoord dat zij in dat geval verlaging van de eigen bijdragen met een derde respectievelijk een derde tot de helft redelijk achten.

5.10 Met het oog op de definitieve beslechting van het geschil en gelet op hetgeen zij hiervoor heeft overwogen, ziet de rechtbank aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank zal het primaire besluit herroepen voor zover dit besluit betrekking heeft op de bij de besluiten van 4 oktober 2001 en 20 november 2001 vastgestelde eigen bijdragen en zal bepalen dat deze eigen bijdragen elk met een derde worden verlaagd.

Proceskosten

6.1 Met toepassing van artikel 8:75 van de Awb veroordeelt de rechtbank De Friesland in de proceskosten.

6.2 Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Bpb) bedragen de proceskosten van [eiser] terzake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand € 644,00 (beroepschrift één punt; verschijnen ter zitting één punt; gewicht van de zaak: gemiddeld; waarde per punt € 322,00).

6.3 Overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 1, aanhef en onder b, en artikel 2, aanhef en onder b, van het Bpb en het bepaalde bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken wordt de vergoeding van de door [eiser] gemaakte kosten voor de deskundige die door hem is meegebracht en voor hem verslag heeft uitgebracht vastgesteld op zestien maal het forfaitaire uurtarief van € 81,23, te weten (afgerond) € 1.300,00. De overige kosten die zijn geclaimd in verband met het inschakelen van de deskundige komen naar het oordeel van de rechtbank niet voor vergoeding in aanmerking. De nota van de deskundige die op 9 februari 2010 aan de rechtbank is gefaxt, zal de rechtbank buiten beschouwing laten, omdat deze na het sluiten van het onderzoek is ontvangen.

6.4 De geclaimde reiskosten komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat deze kosten niet door [eiser] zelf zijn gemaakt, terwijl reeds een forfaitaire vergoeding wordt toegekend voor de verleende rechtsbijstand, die geacht wordt (mede) te voorzien in de reiskosten van de gemachtigde.

6.5 De te vergoeden proceskosten bedragen in totaal € 1.944,00. Nu in deze procedure aan [eiser] een toevoeging krachtens de Wet op de rechtsbijstand is verleend, dient het (gehele) bedrag van de kosten te worden betaald aan de griffier van de rechtbank.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit van 24 september 2003 voor zover dit besluit betrekking heeft op de eigen bijdragen die zijn vastgesteld bij de besluiten van 4 oktober 2001 en 20 november 2001;

- bepaalt dat de eigen bijdragen, die zijn vastgesteld bij de besluiten van 4 oktober 2001 en 20 november 2001, met een derde worden verlaagd;

- bepaalt dat de Friesland het betaalde griffierecht van € 41,00 aan [eiser] vergoedt;

- veroordeelt de Friesland tot vergoeding van de proceskosten van [eiser] tot een bedrag van € 1.944,00, te betalen aan de griffier van de rechtbank.

Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, voorzitter, en door mrs. C.H. de Groot en E. de Witt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.F. van Emst als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 april 2010.

w.g. P.G. Wijtsma

w.g. F.F. van Emst

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:13 gelezen in samenhang met artikel 6:24 van de Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Centrale Raad van Beroep

Postbus 16002

3500 DA Utrecht

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.