Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2010:BM9791

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
23-06-2010
Datum publicatie
30-06-2010
Zaaknummer
99374 / FA RK 09-1631
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschil tussen ex-echtelieden onder meer over de vraag of de partnerschapsvoorwaarden die zij voor hun huwelijk zijn overeengekomen als huwelijkse voorwaarden kunnen worden aangemerkt. De rechtbank oordeelt ter zake dat het feit dat partijen met elkaar in het huwelijk zijn getreden en niet - zoals hun aanvankelijke bedoeling - een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan, niet afdoet aan de werking van de door hen opgestelde partnerschapsvoorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2010, 85
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector civiel recht

zaak-/rekestnummer: 99374 / FA RK 09-1631

beschikking van de enkelvoudige kamer d.d. 23 juni 2010

inzake

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

hierna ook te noemen de vrouw,

advocaat mr. J.G. Besling, kantoorhoudende te Assen.

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

hierna ook te noemen de man,

advocaat mr. A.P.E.M. Pover, kantoorhoudende te Meppel.

Procesverloop

Bij beschikking van deze rechtbank van 10 februari 2010, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd, is de zaak wat betreft de partneralimentatie en de verdeling van de huwelijksgemeenschap verwezen naar een nadere terechtzitting.

De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van deze enkelvoudige kamer op 18 mei 2010.

Motivering

Gelet op het verhandelde ter terechtzitting en op de aanwezige bescheiden, overweegt de rechtbank het volgende.

Verdeling

De vrouw heeft gesteld dat de door partijen overeengekomen partnerschapsvoorwaarden niet als huwelijkse voorwaarden kunnen worden aangemerkt. Dit geldt temeer nu partijen - anders dan in de partnerschapsvoorwaarden is vastgelegd - niet voor eind december 2002 een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan, maar pas in juli 2003 in het huwelijk zijn getreden. Volgens de vrouw zijn partijen dan ook met elkaar gehuwd in algehele gemeenschap van goederen. Tot de huwelijksgoederengemeenschap behoort de thans door de man bewoonde woning in [woonplaats man]. De vrouw is van mening dat de helft van de overwaarde van deze woning, uitgaande van de waarde in onbewoonde staat, aan haar toekomt.

De man heeft aangevoerd dat partijen, alvorens op 23 juli 2003 in het huwelijk te treden, partnerschapsvoorwaarden zijn overeengekomen. De betreffende notariële akte is op 28 november 2002 verleden voor mr. P.J. Landman, notaris te Oldemarkt.

In artikel 2 van deze partnerschapsvoorwaarden is als volgt bepaald:

"2.Uitsluiting van elke gemeenschap

Er is geen enkele gemeenschap van goederen."

De man stelt zich op het standpunt dat een redelijke wetstoepassing meebrengt mee dat de onder de naam partnerschapsvoorwaarden aangegane overeenkomst moet worden aangemerkt als een overeenkomst van huwelijkse voorwaarden. Volgens de man vloeit dit voort uit de artikelen 1:80b, 1:80f en 1:80g van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft de man een artikel overgelegd dat in het WPNR 03/6535 is gepubliceerd en waarin tot dezelfde conclusie wordt gekomen.

De rechtbank overweegt als volgt. Als huwelijkse voorwaarden dienen te worden beschouwd elke overeenkomst waarbij (aanstaande) echtgenoten de vermogensrechtelijke gevolgen van hun huwelijk regelen, in afwijking van hetgeen zonder die overeenkomst op grond van de wet of krachtens eerdere huwelijkse voorwaarden of partnerschapsvoorwaarden zou gelden. Op grond van artikel 1:80b BW is onder meer titel 8 van boek 1 BW - betreffende huwelijkse voorwaarden - van overeenkomstige toepassing verklaard op een geregistreerd partnerschap. Derhalve kunnen huwelijkse voorwaarden en partnerschapsvoorwaarden, op de naamgeving na, inhoudelijke identiek zijn. Dit brengt naar het oordeel van de rechtbank mee dat het feit dat partijen met elkaar in het huwelijk zijn getreden en niet - zoals hun aanvankelijke bedoeling - een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan, niet afdoet aan de werking van de door hen opgestelde partnerschapsvoorwaarden. Dit geldt temeer nu geen van partijen heeft aangevoerd, noch anderszins is gebleken, dat partijen voor ogen hebben gehad de partnerschapsvoorwaarden buiten werking te stellen door met elkaar te huwen. Zoals ter zitting is gebleken, heeft enkel het vergroten van de mogelijkheden voor de vrouw om in Nederland een verblijfsvergunning te verkrijgen, de keuze van partijen voor het huwelijk bepaald.

Uit de artikelen 1:117 lid 2 jo 1:80b BW volgt dat huwelijkse voorwaarden in werking treden op het tijdstip van voltrekking van het huwelijk. Geen ander tijdstip kan daarvoor worden aangewezen. Dat partijen hun relatie op een later moment hebben geformaliseerd dan in de overeenkomst staat vermeld, doet aan vorenstaande niet af. Geen rechtsregel bepaalt dat de voorwaarden hun werking hebben verloren doordat partijen met elkaar in het huwelijk zijn getreden op een later moment dan in de door hen gesloten overeenkomst staat vermeld.

Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat partijen met elkaar zijn gehuwd onder het maken van huwelijkse voorwaarden, inhoudende de uitsluiting van elke gemeenschap van goederen. Voor de door de vrouw verzochte verdeling van de voormalige echtelijke woning is geen plaats en de rechtbank zal het verzoek van de vrouw op dit punt dan ook afwijzen.

Alimentatie

De vrouw heeft de rechtbank verzocht de man te veroordelen tot het voldoen van € 250, - per maand aan partneralimentatie. De vrouw stelt zich op het standpunt dat zij niet volledig in eigen levensonderhoud kan voorzien en derhalve behoefte heeft aan een bijdrage van de man. Ter onderbouwing van haar stelling heeft de vrouw financiële bescheiden en een behoefteberekening in het geding gebracht.

De man heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de vrouw. De man stelt zich op het standpunt dat de vrouw de door haar gestelde behoefte niet voldoende heeft onderbouwd en bovendien dat hij geen draagkracht beschikbaar heeft om een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw te voldoen. De man heeft een draagkrachtberekening in het geding gebracht.

De rechtbank gaat uit van de door de vrouw ter zitting nader onderbouwde behoefte van

€ 250, - per maand, nu deze behoefte door de man ter zitting niet nader is betwist.

De rechtbank berekent de draagkracht van de man als in aangehechte berekening is weergegeven. In deze berekening zijn de woonlasten van de man geschrapt, nu ter zitting naar voren is gekomen dat de man thans geen woonlasten meer hoeft te voldoen. Uit de berekening volgt een beschikbare draagkracht van € 87, - per maand, inclusief fiscaal voordeel. Nu de beschikbare draagkracht de behoefte van de vrouw niet overschrijdt zal de rechtbank de man veroordelen tot het voldoen van dit bedrag.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank beslissen als na te melden.

Beslissing

De rechtbank:

bepaalt dat de man met ingang van de dag van ontbinding van het huwelijk van partijen

€ 87, - (zevenentachtig euro) per maand moet betalen aan de vrouw als uitkering tot haar levensonderhoud, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven te Leeuwarden door mr. I.M. Dölle, lid van de kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op woensdag 23 juni 2010 in tegenwoordigheid van de griffier.

(fn: 458)

Van deze beschikking kan binnen 3 maanden hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Leeuwarden. Indien u in deze procedure bent verschenen start deze termijn op de dag van de uitspraak. Als u niet in de procedure bent verschenen kan de termijn op een latere datum beginnen. Volgens de wet bent u verplicht om voor het instellen van hoger beroep een advocaat in te schakelen. In verband met de beperkte termijn dient u zo spoedig mogelijk contact met uw/een advocaat op te nemen!

De griffier.