Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2010:BM7324

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
10-06-2010
Datum publicatie
11-06-2010
Zaaknummer
AWB 08/2303
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aanslag veergeld. Opgewekt vertrouwen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2010/932
FutD 2010-1470
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht, belastingkamer

procedurenummer: AWB 08/2303

uitspraak van de meervoudige kamer van 10 juni 2010 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[naam],

wonende te [woonplaats],

eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Boarnsterhim,

verweerder,

gemachtigde [naam].

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2008 een aanslag (aanslagnummer 820083) veergeld opgelegd.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 10 september 2008 de aanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 15 oktober 2008, ontvangen bij de rechtbank op 17 oktober 2008, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting is aangevangen op 30 september 2009 te Leeuwarden.

Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door [naam]. Namens verweerder is zijn gemachtigde verschenen.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen nadere stukken te overleggen.

Partijen hebben daarna nog nadere stukken ingediend en gereageerd op elkaars stukken, welke telkens in afschrift aan de wederpartij zijn verstrekt.

Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2010 te Leeuwarden.

Verweerder heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan eiser. Eiser heeft ter ondersteuning van zijn pleidooi ter zitting een aantal stukken overgelegd. Deze stukken zijn met instemming van verweerder tot de gedingstukken gerekend, uitgezonderd één stuk, dat aan eiser is geretourneerd.

Motivering

Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

1.1 Eiser is, in ieder geval al sinds 1958, woonachtig op [adres eiser]. De Burd is een eilandje, dat een oeververbinding met de vaste wal heeft door middel van een veerpont over het Prinses Margrietkanaal.

1.2 De Burd is omstreeks 1940 een eiland geworden doordat bij de aanleg van het Prinses Margrietkanaal het destijds bestaande voetpad van Grou naar de buurtschappen De Burd en Syteburen werd doorsneden. Hierna is door middel van een schouw een oeververbinding ingesteld, waarvan de exploitatie sinds 1941 onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Idaerderadeel, later opgegaan in de gemeente Boarnsterhim, is komen te vallen.

1.3 In 1956 zijn diverse polders op De Burd samengevoegd tot het nieuwe waterschap “De Bird” (het waterschap), feitelijk bestaande uit een samenwerking van alle lokale boeren. Het waterschap heeft plannen laten uitwerken voor verbetering van de ontsluiting van het eiland, waarin onder meer is voorzien in de aanschaf van een motorveerpont. De gemeente Idaerderadeel heeft vervolgens bijgedragen in de financiering van de ontsluitingsweg naar de pont en bovendien de bediening en het onderhoud van de pontverbinding voor haar rekening genomen. In de periode 1959/1960 zijn deze plannen, met bijdragen van het Rijk, de provincie en de gemeente, door het waterschap ten uitvoer gebracht. Het waterschap is voor de resterende bekostiging een 35-jarige lening aangegaan.

1.4 Bij brief van 1 maart 1960 hebben burgemeester en wethouders van Idaerderadeel het bestuur van het waterschap verzocht om overdracht van de veerpont. De brief luidt – voorzover hier van belang – als volgt:

“Zoals u bekend is, heeft de raad indertijd besloten het onderhoud en de bediening van de veerpont, welke de verbinding tussen De Bird en het Galle-eiland zal onderhouden, ten laste der gemeente te nemen.

Teneinde twistvragen te voorkomen omtrent de reparatie, de verzekering, de vervanging e.d. achten wij het gewenst, dat de gemeente de volledige beschikking over de pont verkrijgt, met andere woorden, dat de gemeente ook de eigendom en het beheer overneemt.

Met het oog op de financiële consequenties, welke daaruit voortvloeien, zijn wij van mening, dat de overdracht dient te geschieden tegen de symbolische koopsom van f. 1,--.”

1.5 Op 21 juni 1960 is tussen het waterschap en de burgemeester van de gemeente Idaerderadeel een overeenkomst gesloten. De tekst van deze overeenkomst luidt – voorzover hier van belang – als volgt:

“Het waterschap “De Bird”, hierna te noemen “verkoper” verkoopt en draagt bij deze in eigendom, beheer en onderhoud over aan de gemeente Idaerderadeel, hierna te noemen “koopster”, die aldus koopt en in eigendom, beheer en onderhoud aanvaardt.

De motorveerpont in het Prinses Margrietkanaal, welke pont de verbinding tussen het gebied van “De Bird” en het zogenaamde Galle-eiland onderhoudt.

Deze overeenkomst wordt aangegaan voor de som van f. 1,--. (één gulden) en verder onder de navolgende voorwaarden en bepalingen:

1. de koopster kan het gekochte direct na het passeren van deze akte in eigen gebruik en beheer aanvaarden

2. de koopster neemt te haren laste de bediening van bovengenoemde veerpont, zolang zulks voor de verbinding, als bovenomschreven, noodzakelijk is.

3. het onderhoud der insteekhaventjes blijft ten laste van verkoper.

4. de koopster draagt de op de overdracht vallende kosten.”

1.6 De bediening van de pont wordt verzorgd door twee pontwachters die in dienst zijn van de gemeente Idaerderadeel. De officieel vastgestelde bedieningstijden van de pont bedragen in 1960 in totaal 105 uur per week. Vanaf 1964 worden de bedieningstijden stapsgewijs verminderd tot uiteindelijk 76 uur per week in 1969. In 1974 wordt door de gemeenteraad besloten om het budget, dat beschikbaar is om de De Burd op het aardgasnet aan te sluiten, aan te wenden ter verbetering van de pontverbinding. De bedieningstijden van de pont worden vervolgens tot 96 uur per week uitgebreid.

1.7 In aanvulling op de bij 1.6 bedoelde bedieningstijden wordt er in de avonduren gevaren volgens een rooster dat in overleg tussen de bewoners van De Burd (ingelanden) en de twee pontwachters is vastgesteld. De kosten hiervan worden door de ingelanden rechtstreeks aan de pontwachters betaald. De ingelanden laten voor de pontwachters een huis op De Burd bouwen, gelegen naast de insteekhaven van de pont.

1.8 Om de bij 1.7 vermelde activiteiten in goede banen te leiden wordt op 21 mei 1970 door de ingelanden de “Coöperatieve vereniging tot exploitatie van woningen ten behoeve van het overzetveer De Bird W.A., bij verkorting: Coöp. De Bird” (de coöperatie), opgericht.

Artikel 5 van de statuten van de coöperatie luidt – voorzover hier van belang – als volgt:

“1. Het bestuur bestaat uit vijf personen, waarvan drie de functies vervullen van onderscheidenlijk voorzitter, secretaris en penningmeester (…)

4. De voorzitter en de secretaris vertegenwoordigen de vereniging in en buiten rechten. Zij kunnen zich daarbij ieder door een schriftelijke gemachtigde doen vertegenwoordigen. (…)”

1.9 Met ingang van 1 september 1973 verbiedt de provincie Fryslân (de provincie) uit veiligheidsoverwegingen het vervoer van vrachtwagens met een groter gewicht dan zeven en een halve ton over de pont naar De Burd. Dit verbod leidt tot problemen voor de bedrijfsvoering van de op De Burd gevestigde melkveehouders, omdat daardoor melktransporten via de pont niet meer mogelijk zijn.

1.10 In de jaren na 1973 vindt overleg plaats tussen de ingelanden en de gemeente over diverse opties voor een betere ontsluiting van de Burd, waaronder het aanbrengen van een brugverbinding, de aanleg van een tunnel of de aanschaf van een zwaardere pont.

1.11 In het voorjaar van 1979 wordt een nieuwe pont in gebruik genomen, die geschikt is voor een maximale belasting van 25 ton. De totale kosten van de nieuwe pont bedragen f 778.010,35 (€ 353.045) en zijn tot een bedrag van f 716.148,42 (€ 324.974) bekostigd door middel van rijkssubsidies. Het restant ad f 61.861,93 (€ 28.072) is ten laste van het waterschap gekomen. Ook deze pont is vervolgens door het waterschap aan de gemeente Idaerderadeel overgedragen voor f 1.

1.12 Tot begin 1998 hebben de bewoners van De Burd, buiten de bij 1.6 en 1.7 bedoelde vaartijden van de pont, gebruik gemaakt van twee roeischouwen. Op 9 februari 1998 heeft de gemeente Boarnsterhim, de rechtsopvolger van de gemeente Idaerderadeel, (de gemeente) deze roeischouwen uit veiligheidsoverwegingen uit de vaart genomen.

1.13 Op 21 maart 1998 is een convenant gesloten tussen de gemeente, de Belangenvereniging De Burd, de Vereniging van Eigenaren Suder Burd en de coöperatie inzake de bedieningstijden en tarieven van de veerpont De Burd (het convenant). Blijkens het convenant worden de bedieningstijden van de veerpont verlengd van 96 tot 118 uur per week ter compensatie van het uit de vaart nemen van de bij 1.12 vermelde roeischouwen.

In het convenant staat onder andere het volgende:

“1.1 De gemeente verplicht zich tegenover de verenigingen de bestaande bedieningstijden van de veerpont De Burd zodanig te verlengen, dat de bedieningstijden als volgt worden uitgevoerd: (…)

2.1 Ter partiële financiering van de verlenging van de vaartijden, als ook ten behoeve van vastere opbrengsten voor gebruik in de oorspronkelijke bedieningstijden is het volgende tarievenstelsel overeengekomen (bedragen inclusief BTW):

* jaarabonnement fl. 700,--

* zomerabonnement van 1 april – 1 oktober fl. 500,--

* jaarabonnement vaste bewoner fl. 350,-- (…)

3.1 De gemeente draagt zorg voor de inning van de abonnements- en pontgelden en het verstrekken van overvaartbewijzen aan abonnementshouders en de in artikel 2.2 genoemde personen.

3.2 De gemeente zal ten aanzien van gebruikers buiten de abonnementshouders een stringent inningsbeleid uitvoeren: “iedereen betaalt voor de overzet”.

3.3 De gemeente spant zich in om voor de exploitatie van de pont De Burd extra bijdragen van het Rijk en/of Provincie Friesland te verkrijgen, indien gewenst met ondersteuning van personen uit de verenigingen. (…)”

1.14 Het bij 1.13 vermelde convenant is namens de coöperatie alleen door de voorzitter getekend. Eiser heeft ter zitting verklaard dat hij destijds secretaris was van de coöperatie en dat hij het convenant niet heeft mede ondertekend omdat naar zijn mening de gemaakte afspraken daarin niet juist waren weergegeven.

1.15 Overtochten naar De Burd zijn aanvankelijk voor alle gebruikers gratis. Vanaf 1966 wordt van passanten en bezoekers door de gemeente veergeld geheven. De bewoners van de Burd betalen vanaf 1998, na het sluiten van het convenant, een vergoeding aan de gemeente voor het gebruik van de veerpont.

1.16 Verweerder kent sinds 1 mei 1998 een “Verordening op de heffing en invordering van veergeld in de gemeente Boarnsterhim” (verordening veergeld). De tarieven in deze verordening komen overeen met het tarievenstelsel in het convenant.

1.17 De bij 1.16 vermelde verordening luidt met ingang van 1 januari 2008 – voorzover hier van belang – als volgt:

“Belastbaar feit

Artikel 1

In deze gemeente wordt onder de naam veergeld een recht geheven voor het gebruik van de bij de gemeente in eigendom en beheer zijnde pont, die via het Prinses Margrietkanaal de verbinding onderhoudt tussen het recreatie-oord aan de noordelijke oever van het Pikmeer en het gebied van de zogenaamde Burd onder Grou.

Belastingplicht

Artikel 2

Het recht wordt geheven van degene die gebruik maakt van de in artikel 1 genoemde dienst.

Tarieven

Artikel 3

1. Het recht bedraagt voor één overzetting van een :

a. Voetganger, wielrijder of bromfietser € 0,70 (…)

4. Het recht voor de afgifte van een abonnement voor het overzetten van een persoon en/of (motor)voertuig, geldend voor de periode 1 januari tot en met 31 december van het kalenderjaar, bedraagt:

a. Voor de eigenaar van een verblijf met recreatieve bestemming op het eiland

de Burd € 474,10

b. Voor de bewoner van de Burd, ingeschreven en wonend in een verblijf bestemt voor

permanente bewoning € 237,00”

1.18 De gemeente en de provincie zijn op 3 december 2002 overeengekomen dat de provincie zal bijdragen in de kosten van de pont. In artikel 2, eerste lid, van deze overeenkomst staat het volgende:

“Als bevoegd gezag voor de toepassing van de Scheepsvaartverkeerswet en de daarop berustende bepalingen (zie art. 2, lid 1, sub a Svw) draagt de provincie, ten behoeve van de veiligheid op het Prinses Margrietkanaal, met ingang van 2002 jaarlijks bij in de kosten van bediening van het pontveer tot een maximum van € 40.840 (incl. BTW) per jaar. Dit bedrag zal met ingang van 2003 geïndexeerd worden (…). ”

In de bijlage bij deze overeenkomst staat onder ander het volgende:

“Indien er een aanpassing komt in bedieningsuren, dan wordt het basisbedrag verlaagd met € 30 p/uur (excl. BTW). De bijdrage is berekend op basis van 1144 uren extra bediening.”

1.19 Verweerder heeft eiser met dagtekening 14 februari 2008 een aanslag veerrecht over het jaar 2008 opgelegd ten bedrage van € 237. De omschrijving op de aanslag luidt: “jaarabonnement vaste bewoner”.

1.20 Blijkens de door verweerder opgestelde begrotingen is het saldo van de baten en lasten uit hoofde van exploitatie van de veerpont in 2007 € 233.682 negatief en is dit saldo in 2008 € 238.651 negatief. De bij 1.18 vermelde bijdrage van de provincie is in deze begrotingen niet opgenomen.

Geschil

2.1 In geschil is het antwoord op de vraag of verweerder eiser over het jaar 2008 terecht een aanslag veergeld heeft opgelegd. Naar de rechtbank begrijpt, spitst het geschil zich daarbij toe op de vraag of eiser aan de overeenkomst van 21 juni 1960 het gerechtvaardigde vertrouwen kan ontlenen dat verweerder hem niet in de heffing van veergeld zal betrekken.

2.2 Eiser beantwoordt laatstgenoemde vraag bevestigend. Eiser stelt dat de 5 gezinnen, waaronder het zijne, die in 1960 reeds op De Burd woonden, op grond van de overeenkomst van 21 juni 1960 niet gehouden zijn tot het betalen van veergeld. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij als lid van de coöperatie niet aan het bij 1.13 vermelde convenant is gebonden, omdat het convenant namens de coöperatie, in afwijking van haar statuten - zie 1.8 -, slechts is ondertekend door de voorzitter. Nu eiser niet aan het convenant uit 1998 is gebonden, is de overeenkomst uit 1960, op grond waarvan de gemeente gehouden is alle kosten van beheer, onderhoud en bediening van de pont voor haar rekening te nemen, nog steeds rechtsgeldig.

Daarnaast stelt eiser dat verweerder bij het vaststellen van de begroting onjuiste uitgangspunten heeft gehanteerd, waardoor het negatieve exploitatiesaldo van de veerpont door verweerder veel te hoog wordt voorgesteld. Eiser is bovendien van mening dat de gemeente bij het vaststellen van de verordening veergeld voor 2009 en 2010 de vragen ter toetsing van het te nemen raadsbesluit, onder andere over contractuele verplichtingen, uitstelbaarheid en onvermijdelijkheid, opzettelijk misleidend heeft beantwoord.

Eiser heeft ter zitting zijn standpunt ten aanzien van de terugbetaling van € 1.600 veerrecht, betrekking hebbende op de jaren vóór 2008, ingetrokken. Eiser heeft eveneens ter zitting zijn verzoek tot vergoeding van proceskosten ingetrokken.

2.3 Verweerder beantwoordt de bij 2.1 laatstgenoemde vraag bevestigend. Verweerder erkent dat de gemeente verantwoordelijkheid draagt voor het onderhoud en beheer van de veerpont. Dit betekent naar zijn mening echter niet dat van eiser geen veergeld zou kunnen worden geheven, aangezien de overeenkomst uit 1960 niets vermeldt over een eventuele vergoeding die tegenover het gebruik van de veerpont staat. Deze vergoeding wordt sinds 1998 geïnd in de vorm van leges, waarvan de tarieven zijn vastgelegd in een jaarlijks door de gemeenteraad vastgestelde verordening. Het feit dat eiser in het verleden indirect heeft bijgedragen aan infrastructurele projecten op De Burd, kan, aldus verweerder, niet betekenen dat eiser tot in lengte van dagen is vrijgesteld van betaling voor overzetting met de veerpont.

2.4 Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de aanslag veergeld. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

2.5 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

Beoordeling van het geschil

3.1 Aan eiser is op grond van de door de gemeenteraad van Boarnsterhim vastgestelde, op artikel 229 van de Gemeentewet berustende, verordening veerrecht - zie 1.16 en 1.17 - een aanslag veerrecht opgelegd voor het gebruik van de bij de gemeente in eigendom en beheer zijnde veerpont. Tussen partijen is in geschil of verweerders bevoegdheid tot het opleggen van deze aanslag ten aanzien van eiser wordt beperkt door de op 21 juni 1960 gesloten overeenkomst - zie 1.5 - tussen de gemeente Idaerderadeel en het waterschap.

3.2 Bij de beantwoording van de vraag of voormelde overeenkomst in het onderhavige geval aan de heffing van veerrecht in de weg staat, dient aanknoping te worden gezocht bij de tekst van die overeenkomst. Blijkens punt 2 van de overeenkomst - zie 1.5 - zal de gemeente Idaerderadeel, de rechtsvoorganger van de gemeente, voor haar rekening nemen "de bediening van bovengenoemde veerpont, zolang zulks voor de verbinding (…) noodzakelijk is". Uit de overeenkomst volgt dat deze verplichting in direct verband staat met de verplichting van het waterschap om de pont, waarvan de aanschafkosten ten laste van de ingelanden waren gekomen, voor f 1 over te dragen aan de gemeente. Naar het oordeel van de rechtbank kon eiser, die in 1960 reeds ingeland was van het waterschap en derhalve als belanghebbende bij de overeenkomst heeft te gelden, aan de bij punt 2 geformuleerde bepaling, beschouwd in samenhang met de uit de overeenkomst voorvloeiende verplichting tot de nagenoeg kosteloze overdracht van de pont, het gerechtvaardigde vertrouwen ontlenen dat hij na het sluiten van de overeenkomst gevrijwaard zou blijven van kosten voor het gebruik van de pont.

3.3 Eiser heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld - zie 2.2 - dat voor hem slechts de overeenkomst uit 1960 van belang is en dat hij niet gebonden is aan het in 1998 gesloten convenant - zie 1.13 - tussen de gemeente en diverse (bewoners)organisaties op De Burd. Aangezien deze stelling door verweerder niet, althans onvoldoende, is weersproken, volgt de rechtbank eiser in zijn standpunt dat het convenant uit 1998 ten aanzien van hem niet rechtsgeldig tot stand is gekomen.

3.4 In vervolg op rechtsoverweging 3.2 overweegt de rechtbank dat de gemeente, door bij eiser veerrecht te heffen, in beginsel in strijd heeft gehandeld met het in het algemeen rechtsbewustzijn levende beginsel van behoorlijk bestuur, dat gewekte verwachtingen dienen te worden gehonoreerd. De rechtbank is echter van oordeel dat in het onderhavige geval, wegens tijdsverloop en gewijzigde omstandigheden, aanleiding kan bestaan om eisers beroep op het vertrouwensbeginsel toch niet te honoreren. De rechtbank overweegt daartoe ten eerste dat tussen het moment van het sluiten van de overeenkomst en het opleggen van de onderhavige aanslag veerrecht bijna 48 jaren zijn verstreken. In die periode heeft het karakter van het veer naar de Burd aanzienlijke wijzigingen ondergaan, onder andere door het toegenomen (toeristische) verkeersaanbod, de overtocht van zwaardere transportmiddelen in verband met de gewijzigde agrarische bedrijfsvoering en de steeds strengere veiligheidseisen. Mede door deze ontwikkelingen zijn de exploitatielasten van de pont voor de gemeente met de loop der jaren aanzienlijk toegenomen en is de oorspronkelijke pont, waarop de overeenkomst uit 1960 betrekking had, reeds lang geleden vervangen - zie 1.11-.

De rechtbank overweegt ten tweede dat de bedieningstijden van de pont en de daaraan verbonden kosten in de periode na het sluiten van de overeenkomst regelmatig onderwerp van gesprek zijn geweest tussen de gemeente en de bewoners van de Burd - zie 1.10, 1.11 en 1.13 - , hetgeen in 1998 uiteindelijk heeft geleid tot een convenant waarin daarover afspraken zijn gemaakt. De uit het convenant voortvloeiende bijdragen zijn vervolgens geheven via de door de gemeenteraad vastgestelde verordening veerrecht 1998, waarvan de tarieven gelijk waren aan de in het convenant genoemde bedragen. Met de bijzondere positie van de ingelanden, die in het verleden aan de pont en de infrastructuur hebben bijgedragen - zie 1.3, 1.7 en 1.11 - , is rekening gehouden door voor hen een lager tarief te hanteren dan voor de andere abonnementhouders.

3.5 De bij overweging 3.4 vermelde feiten en omstandigheden, in hun onderlinge verband en samenhang bezien, brengen de rechtbank tot het oordeel dat het aanvankelijk gerechtvaardigde vertrouwen van eiser, dat hij uit hoofde van de in 1960 afgesloten overeenkomst niet op enigerlei wijze voor het gebruik van de pont zou hoeven te betalen, op een gegeven moment niet langer meer door de gemeente hoefde te worden gehonoreerd. Door pas met ingang van 1998 een vergoeding van de vaste bewoners te vragen, terwijl dit bij andere gebruikers al sinds 1966 het geval was - zie 1.15 -, en daarbij voor de vaste bewoners een lager tarief te hanteren, heeft de gemeente naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate voorzien in een overgangsperiode. Onder deze omstandigheden mocht eiser in 2008 aan de overeenkomst uit 1960 niet meer het in rechte te honoreren vertrouwen ontlenen dat hem geen aanslag veerrecht zou worden opgelegd.

3.6 Eiser heeft tevens gesteld dat blijkens zijn berekening bij het vaststellen van de begroting onjuiste uitgangspunten zijn gehanteerd, onder andere doordat de bij 1.18 vermelde bijdrage van de provincie niet bij de baten is opgenomen. De gemeente heeft het negatieve exploitatiesaldo daardoor volgens eiser veel te hoog voorgesteld. Naar de rechtbank begrijpt, beroept eiser zich hiermee op de in artikel 229b van de Gemeentewet opgenomen eis dat de geraamde baten van de rechten de geraamde lasten niet mogen overschrijden. Dit beroep faalt, omdat, wat er ook zij van de uitgangspunten die aan eisers berekening ten grondslag liggen, ook in eisers berekening de lasten van de veerpont de baten ruimschoots overtreffen, terwijl er evenmin anderszins aanleiding is voor het oordeel dat sprake is van een lastenoverschrijding in 2008.

3.7 Eiser is daarnaast van mening dat de gemeente bij het vaststellen van de verordening veergeld voor 2009 en 2010 de vragen ter toetsing van het te nemen raadsbesluit opzettelijk misleidend heeft beantwoord. Nu deze stelling, wat daar overigens ook van zij, betrekking heeft op een ander tijdvak dan de hier in geschil zijnde aanslag, behoeft deze verder geen behandeling.

3.8 Ter verduidelijking overweegt de rechtbank tot slot nog dat de wettelijke bevoegdheid tot de heffing van veergeld door verweerder niet is ontleend aan de Verenwet, zoals door eiser lijkt te worden verondersteld, maar aan artikel 229 van de Gemeentewet.

3.9 Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. M. van den Bosch, voorzitter, mr. J.W. Keuning en mr. F.J.H.L. Makkinga, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.F. van Emst, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2010.

w.g. F.F. van Emst

w.g. M. van den Bosch

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 1704, 8901 CA Leeuwarden.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.