Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2010:BM6820

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
26-05-2010
Datum publicatie
04-06-2010
Zaaknummer
AWB 10/476
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Handhaving. Viswedstrijden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

procedurenummer: AWB 10/476

uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 mei 2010 als bedoeld in artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[naam] en drie anderen,

wonende te [woonplaats],

verzoekers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Achtkarspelen,

verweerder,

gemachtigde: B.J.H. Zuur, werkzaam bij verweerders gemeente.

Procesverloop

Bij brief van 17 februari 2010 heeft verweerder verzoekers, bewoners van woningen aan [adressen verzoekers] te [woonplaats], mededeling gedaan van een besluit betreffende de weigering handhavend op te treden. Verzoekers hebben tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. Tevens hebben verzoekers zich bij brief van 1 maart 2010 tot de voorzieningenrechter gewend met het verzoek om op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek is ter zitting behandeld op 8 april 2010. Verzoekers zijn in persoon verschenen. Namens verweerder is genoemde gemachtigde verschenen. Tevens zijn ter zitting verschenen mr. F.J. Boonstra, werkzaam bij Sportvisserij Nederland te Bilthoven en S. van de Meer, voorzitter van de Hengelsportfederatie Fryslân. Namens de provincie Fryslân zijn J.P.M. Niessen en B.F. Yntema verschenen.

De voorzieningenrechter heeft besloten tot schorsing van het onderzoek ter zitting om partijen in de gelegenheid te stellen met elkaar in overleg te treden over een mogelijke minnelijke schikking. Ter zitting is afgesproken dat indien het overleg niet zal leiden tot overeenstemming, partijen aan de voorzieningenrechter kunnen vragen om zonder nadere zitting alsnog uitspraak te doen. Bij brief van 4 mei 2010 hebben verzoekers aan de voorzieningenrechter gevraagd uitspraak te doen op het verzoek.

Motivering

Feiten

1.1 Verzoekers zijn woonachtig aan [adressen verzoekers] te [woonplaats]. De woningen van verzoekers liggen in de onmiddellijke nabijheid van het Prinses Margrietkanaal. Verzoekers ervaren overlast door het gebruik van de oever van het Prinses Margrietkanaal ter hoogte van hun woningen voor viswedstrijden, georganiseerd door de Federatie Friesland van Sportvisserverenigingen. In 2009 ging het volgens verzoekers om 35 wedstrijden, veelal in het weekend met een aanvangstijd van 6.00 uur.

1.2 Bij brief van 28 september 2009 hebben verzoekers zich tot verweerder gewend met het verzoek het gebruik van de oever voor viswedstrijden te verbieden. Verweerder heeft deze brief aan de Provincie Fryslân doorgezonden. In reactie hierop heeft de Provincie Fryslân bij brief van 8 december 2009 aangegeven dat de provincie als eigenaar van de oever van het Prinses Margrietkanaal toestemming heeft gegeven voor het gebruik hiervan voor viswedstrijden. Volgens de provincie is dit een zuiver privaatrechtelijke aangelegenheid en is voor dit gebruik geen ontheffing nodig. Het voorkomen en bestrijden van overlast is volgens de provincie een zorg en verantwoordelijkheid van de gemeente, de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Achtkarspelen (hierna: de APV) is daartoe het geëigende juridische instrument.

1.3 Bij brief van 12 oktober 2009 hebben verzoekers aan verweerder gevraagd handhavend op te treden op grond van de APV. Bij de bestreden beslissing heeft verweerder geweigerd hiertoe over te gaan.

Geschil

2.1 Verweerder stelt zich op het standpunt dat de viswedstrijden op voorhand niet verboden zullen worden, omdat dit afbreuk doet aan de recreatieve mogelijkheden die de gemeente biedt. In verweerders optiek moeten recreatie en toerisme juist worden gestimuleerd. Verweerder geeft aan dat voor viswedstrijden een vergunning aangevraagd moet worden, dan wel melding gemaakt moet worden en dat aan een vergunning c.q. toestemming voorwaarden verbonden zullen worden met betrekking tot (het voorkomen van) overlast door geluid en het parkeren van de auto's van de deelnemers. Gelet op de ervaringen met andere vergunde viswedstrijden, ziet verweerder geen grond om op dit moment handhavend op te treden.

2.2 Verzoekers stellen zich -kort gezegd- op het standpunt dat het intensieve gebruik van de oever en de daarmee gepaard gaande overlast door sportvissers een te grote belasting vormt voor hun woongenot en dat de rietoever beschadigd raakt.

Beoordeling van het geschil

3.1 Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek overweegt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken van beletselen om verzoekers te kunnen ontvangen. Voorts is genoegzaam aangetoond dat verzoekers een spoedeisend belang hebben bij de gevraagde voorlopige voorziening. Voor zover de beoordeling van het verzoek met zich brengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter.

3.2 Ingevolge artikel 2:25, eerste lid, van de APV is het verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.

Ingevolge artikel 1:8 van de APV kan een vergunning worden geweigerd in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en de bescherming van het milieu.

Artikel 2:25, tweede lid, van de APV bepaald dat geen vergunning vereist is voor een klein evenement, indien (o.a.):

a. het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 100 personen;

b. het evenement tussen 8.00 en 24.00 uur plaatsvindt;

g. de organisator binnen 10 werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester.

Ingevolge het derde lid kan de burgemeester binnen 5 dagen na ontvangst van de melding besluiten het organiseren van het evenement als bedoeld in het tweede lid te verbieden, indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.

3.3 Verzoekers hebben verweerder gevraagd om handhavend op te treden op grond van de APV. Ingevolge artikel 5:1, eerste lid, van de Awb wordt onder overtreding verstaan: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift. Ingevolge artikel 5:2 Awb wordt onder herstelsanctie verstaan: een bestuurlijke sanctie die strekt tot het geheel of gedeeltelijk ingedaan maken of beëindigen van een overtreding, tot het voorkomen van herhaling van een overtreding, dan wel tot het wegnemen of beperken van de gevolgen van een overtreding. In artikel 5:7 van de Awb is bepaald dat bij wijze van preventieve toepassing een herstelsanctie kan worden opgelegd zodra het gevaar voor de overtreding klaarblijkelijk dreigt.

3.4 Ten tijde van het bestreden besluit was naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake van een concrete overtreding waartegen handhavend kon worden opgetreden. Voor het opleggen van een preventieve maatregel door verweerder was in dit geval evenmin aanleiding. Verweerders standpunt dat de viswedstrijden op voorhand niet verboden zullen worden, omdat dit afbreuk doet aan de recreatieve mogelijkheden die de gemeente biedt, acht de voorzieningenrechter niet onredelijk. Voorts was er naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval geen sprake was van een klaarblijkelijke dreiging van een overtreding. In gevallen waarin verweerder een vergunning verleent voor de viswedstrijd, is er geen overtreding. In de gevallen waarin de viswedstrijden voor minder dan 100 deelnemers worden georganiseerd, geldt op grond van de APV alleen een meldingsplicht. Indien aan de meldingsplicht wordt voldaan is evenmin sprake van een overtreding. De voorzieningenrechter heeft voorts geen aanleiding om aan te nemen dat geen vergunning zal worden aangevraagd of dat geen melding zal worden gedaan. In het kader van het overleg tussen partijen dat op 21 april 2010 heeft plaatsgevonden is benadrukt dat hierop zal worden toegezien. Verweerder zal vervolgens moeten bezien of aan de bevestiging van een melding of aan een verleende vergunning voorschriften moeten worden verbonden, waarmee de overlast voor verzoekers kan worden beperkt. Het stellen van voorwaarden is een bevoegdheid die ligt bij verweerder en de voorzieningenrechter is niet bevoegd om hierover op voorhand aanwijzingen te geven, zoals door verzoekers is gevraagd. Mede gelet op het gevoerde overleg acht de voorzieningenrechter het echter aannemelijk dat bij meldingen van viswedstrijden en bij vergunningverlening (ook) rekening gehouden zal worden met de belangen van verzoekers. Het verslag van het overleg van 21 april 2010 biedt hiervoor voldoende aanknopingspunten.

3.5 Ten slotte levert het standpunt van verzoekers dat de rietoever beschadigd raakt, ook geen reden op om op handhavend op te treden. De rietkraag maakt geen deel uit van beschermd kwetsbaar gebied, zodat aantasting van het riet geen overtreding oplevert.

3.6 De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat het verzoek moet worden afgewezen. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

Aldus gegeven door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. P.R.M. Poiesz als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2010.

w.g. P.R.M. Poiesz

w.g. C.H. de Groot

Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend.