Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2010:BM2515

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
27-04-2010
Datum publicatie
28-04-2010
Zaaknummer
AWB 10/311 en AWB 10/680
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Last onder dwangsom. Illegale bewoning van een bedrijfspand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

procedurenummers: AWB 10/331 & 10/680

uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 april 2010 op grond van artikel 8:84 en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[naam],

wonende te Burgum,

verzoeker,

gemachtigde: mr. A.J. Spoelstra, werkzaam bij Pietersma & Spoelstra, ruimtelijke ordening en milieuadviseurs te Drachten,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tytsjerksteradiel,

verweerder,

gemachtigde: A. Dam, werkzaam bij verweerders gemeente.

Procesverloop

Bij besluit van 1 december 2009 heeft verweerder verzoeker, onder oplegging van een dwangsom van € 3.000,00 per maand tot een maximum van € 36.000,00, gelast om binnen drie maanden na dagtekening van deze brief de met het bestemmingsplan strijdige bewoning van het bedrijfspand aan de Elingsloane 33 te Burgum te beëindigen en beëindigd te houden. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt bij verweerder en daarnaast aan de voorzieningenrechter van de rechtbank gevraagd om op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek is geregistreerd onder nummer 10/331. Grafkistenfabriek Hoogland BV (hierna: Hoogland) is met toepassing van artikel 8:26, eerste lid, van de Awb, in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen.

Het verzoek om een voorlopige voorziening is ter zitting behandeld op 9 maart 2010. Het onderzoek ter zitting is geschorst in verband met een op korte termijn te verwachten uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de AbRS) op een verzoek tot schorsing van de door verweerder aan Hoogland verleende milieuvergunning. Op 18 maart 2010 heeft de voorzitter van de AbRS uitspraak gedaan en het verzoek afgewezen.

Op 7 april 2010 heeft verweerder een beslissing op het bezwaar van verzoeker tegen de opgelegde last onder dwangsom genomen en het bezwaar ongegrond verklaard.

Op 13 april 2010 heeft een nadere zitting voor de voorzieningenrechter van de rechtbank plaatsgevonden. Verzoeker is ter zitting vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder is eveneens vertegenwoordigd door zijn gemachtigde en door mr. J. de Goede. Na de zitting heeft verzoeker bij faxbericht van 13 april 2010 beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar van verweerder van 7 april 2010. Het beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder nummer 10/680.

Motivering

Feiten

1.1 Verzoeker en zijn gezin zijn woonachtig in een gedeelte van een bedrijfspand aan de Elingsloane 33 te Burgum, dat in 2004 geschikt gemaakt is voor bewoning. Naar aanleiding van een verzoek tot handhaving van Hoogland, gevestigd aan de Elingsloane 27 te Burgum, heeft verweerder in september 2004 aan eiser bericht dat bewoning van het bedrijfspand op grond van het geldende bestemmingsplan "Burgum-West" niet is toegestaan. Verweerder heeft aangegeven dat er geen bereidheid is om door middel van binnenplanse vrijstelling een bedrijfswoning toe te staan.

1.2 In december 2006 is het bestemmingsplan "Burgum-West 2005" vastgesteld. Voor het perceel Elingsloane 33 is ten behoeve van het toestaan van een bedrijfswoning een wijzigingsbevoegdheid opgenomen in het bestemmingsplan. Uit de toelichting op het bestemmingsplan volgt dat de wijzigingsbevoegdheid is opgenomen, omdat de mogelijkheid om het pand Elingsloane 33 te bestemmen als bedrijfswoning nog wordt onderzocht. Hierbij is van doorslaggevend belang of Hoogland door het toestaan van een bedrijfswoning wordt beperkt in zijn bedrijfsvoering.

1.3 Op 13 juni 2008 heeft verweerder een last onder dwangsom opgelegd gericht op beëindiging van de illegale bewoning. De last is op 12 augustus 2008 ingetrokken in verband met nader te verrichten onderzoek. Door WNP, raadgevende ingenieurs te Groningen, is nader akoestisch onderzoek uitgevoerd, waarvan op 19 november 2008 rapport is uitgebracht.

1.4 Bij brief van 20 april 2009 heeft verweerder verzoeker in kennis gesteld van zijn voornemen een last onder dwangsom op te leggen. Volgens verweerder volgt uit het akoestische onderzoek bij de milieuvergunningaanvraag van Hoogland dat het toestaan van een woonfunctie op het perceel Elingsloane 33, onder andere gelet op de geconstateerde overschrijding van de geluidsnormen, een onevenredige belemmering van de bedrijfsactiviteiten voor Hoogland zal opleveren.

1.5 Bij besluit van 1 december 2009 heeft verweerder de last onder dwangsom, gericht op beëindiging van de illegale bewoning van het bedrijfspand aan de Elingsloane 33 te Burgum, opgelegd. Het door verzoeker tegen dit besluit ingediende bezwaar heeft verweerder op 7 april 2010 ongegrond verklaard.

Geschil

2.1 Verzoeker heeft gevraagd om schorsing van de dwangsomaanschrijving, omdat het volgens hem de vraag is of de op 24 november 2009 aan Hoogland verleende milieuvergunning in stand kan blijven. Volgens verzoeker is verweerder er bij de verlening van de milieuvergunning ten onrechte vanuit gegaan dat de beëindiging van de bewoning van het pand van verzoeker als een redelijkerwijs te verwachten ontwikkeling kan worden beschouwd. Verzoeker wijst op een uitspraak van de AbRS van 8 november 2006.

2.2 Volgens verweerder is terecht geconcludeerd dat er geen mogelijkheid is om de bewoning van het pand op het perceel Elingsloane 33 te legaliseren.

Beoordeling van het geschil

3.1 Het verzoek om een voorlopige voorziening is gedaan nadat verzoeker bezwaar had gemaakt tegen het primaire dwangsombesluit. Inmiddels heeft verweerder op 7 april 2010 op het bezwaar beslist, en dit ongegrond verklaard. Gelet op artikel 8:81, vijfde lid, van de Awb wordt het verzoek om een voorlopige voorziening gelijkgesteld met een verzoek dat wordt gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.

3.2 Nu beroep is ingesteld tegen beslissing op bezwaar van 7 april 2010, is de voorzieningenrechter bevoegd om met toepassing van artikel 8:86, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dit het geval. De voorzieningenrechter zal daarom onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

3.3 Ingevolge het vigerende bestemmingsplan Burgum-West 2005 rust op het perceel Elingsloane 33 de bestemming "bedrijventerrein 2", met nadere aanduiding "wijziging ten behoeve van de vestiging van bedrijfswoningen". Ingevolge artikel 3.1 van de planvoorschriften is het verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met deze bestemming.

Ingevolge het artikel 5, tweede lid van de planvoorschriften kunnen burgemeester en wethouders toepassing geven aan de wijzigingsbevoegdheden indien hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan - onder andere - de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. Niet in geschil is dat het bestemmingsplan het in geding zijnde gebruik van het bedrijfspand voor bewoning niet toelaat, zodat verweerder bevoegd was handhavend op te treden.

3.4 Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan het bestuursorgaan weigeren dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

3.5 Volgens vaste jurisprudentie van de AbRS (bijvoorbeeld uitspraak van 28 november 2007 in zaak nr. 200702722/1) bestaat in het algemeen geen concreet zicht op legalisatie, indien verweerder niet bereid is de daarvoor vereiste vrijstelling (medewerking) te verlenen. Dit is slechts anders als op voorhand moet worden geconcludeerd dat het ter zake door het bestuursorgaan ingenomen standpunt rechtens onhoudbaar is en de vereiste medewerking niet zal kunnen worden geweigerd. Voor een dergelijk oordeel bestaan in dit geval naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen aanknopingspunten. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat legalisatie in dit geval niet mogelijk is, omdat toepassing van de wijzigingsbevoegdheid zou leiden tot een onevenredige belemmering van de bedrijfsactiviteiten van Hoogland. Uit het akoestische rapport van WNP blijkt dat reeds in de huidige situatie sprake is van overschrijding van de geluidsnormen ten opzichte van verzoekers perceel. Daarnaast acht de voorzieningenrechter het gerechtvaardigd dat verweerder rekening heeft willen houden met de groeimogelijkheden van Hoogland. Voorts acht de voorzieningenrechter het niet onredelijk dat verweerder bij de afweging over de vraag of al dan niet van de wijzigingsbevoegdheid gebruik zal worden gemaakt het algemeen belang van het vestigingsklimaat van bedrijven heeft meegewogen. Verweerders beleid zoals neergelegd in de notitie "werken in combinatie met wonen" is er op gericht om zoveel mogelijk te voorkomen dat woonfuncties worden geaccepteerd bij bedrijfsvormen waarvan bekend is dat deze overlast veroorzaken. Dit beleid is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet onredelijk te achten. Ten slotte heeft verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter mee mogen wegen dat het verzoek tot schorsing van de aan Hoogland verleende milieuvergunning door de voorzitter van de AbRS is afgewezen.

3.6 Verzoeker heeft zich met verwijzing naar een uitspraak van de AbRS van 8 november 2006 op het standpunt gesteld dat de uitspraak van de voorzitter van de AbRS van 18 maart 2010 in strijd is met vaste jurisprudentie en dat het maar zeer de vraag is of de milieuvergunning in beroep bij de AbRS in stand zal blijven. Gelet hierop gaat het volgens verzoeker niet aan om al voordat de verleende milieuvergunning onherroepelijk is een gezin op straat te zetten. De voorzieningenrechter ziet hierin geen grond voor verweerder om van handhavend optreden af te zien. De uitspraak van 8 november 2006 ziet op een andere casus dan de onderhavige en de voorzieningenrechter van de AbRS heeft de in het onderhavige geval verleende milieuvergunning niet op voorhand geschorst. Voorts heeft verweerder zijn beslissing om geen toepassing te geven aan de wijzigingsbevoegdheid niet alleen gebaseerd op de huidige overschrijding van geluidsnormen, maar heeft hij een afweging in een breder kader gemaakt. De voorzieningenrechter verwijst naar de hiervoor onder 3.5 opgenomen overwegingen. De door verzoeker genoemde consequenties van het bestreden besluit voor hem en zijn gezin kunnen geen bijzondere omstandigheden opleveren op grond waarvan verweerder van handhavend optreden had behoren af te zien. Verzoeker is willens en wetens in een bedrijfspand gaan wonen, terwijl hij wist dat dit niet was toegestaan en hij is vanaf 2004 bekend met de mogelijkheid dat aan de illegale bewoning een eind gemaakt zou kunnen worden.

3.7 De voorzieningenrechter komt gelet op het vorenstaande tot de slotsom dat er geen grond is voor het oordeel dat verweerder niet tot handhavend optreden mocht besluiten. Het beroep tegen de na bezwaar gehandhaafde beslissing tot het opleggen van een last onder dwangsom wordt daarom ongegrond verklaard. Gelet op de gegeven beslissing in de hoofdzaak is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

3.8 De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep in de hoofdzaak met registratienummer 10/680 ongegrond;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak met registratienummer 10/331 af.

Aldus gegeven door mr. E.M. Visser, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. P.R.M. Poiesz als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 april 2010.

w.g. P.R.M. Poiesz

w.g. E.M. Visser

Tegen de uitspraak in het verzoek om een voorlopige voorziening met registratienummer 10/331 kan geen rechtsmiddel worden aangewend.

Tegen de uitspraak in de hoofdzaak met registratienummer 10/680 staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in artikel 6:13 in samenhang met 6:24 van de Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u dan waarom u de uitspraak niet juist vindt.