Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2010:BM2132

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
14-04-2010
Datum publicatie
23-04-2010
Zaaknummer
99402 / HA ZA 09-851
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

"Gebruik" van gemeentelijke groenstrook door eigenaar van naastgelegen perceel. Vraag of er sprake is van eigendomsverkrijging door verkrijgende verjaring. In dit geval is geen sprake van de pretentie van eigendom. Feitelijk onderhouden en opnieuw beplanten groenstrook is daartoe niet voldoende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 99402 / HA ZA 09-851

Vonnis van 14 april 2010

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE ACHTKARSPELEN,

gevestigd te Buitenpost,

eiseres,

advocaat mr. D.S.M. Wouda-Koning, kantoorhoudende te Assen,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. O.E. de Jong, kantoorhoudende te Utrecht.

Partijen zullen hierna de gemeente en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- het proces-verbaal van comparitie van 3 februari 2010.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. In 1976 heeft [gedaagde] een woning aan [adres] te [woonplaats] gekocht en geleverd gekregen. [gedaagde] heeft de woning medio 1977 betrokken en de tuin ingericht.

2.2. Tussen de voortuin van de woning van [gedaagde] en de openbare weg bevond zich toen een strook grond van de gemeente, kadastraal bekend gemeente [woonplaats], sectie A, nr. 5445. Deze strook van zo'n 1,5 tot 2 meter breed, was door de gemeente ingericht als groenstrook met een struikachtige vegetatie. De gemeente heeft ten aanzien van de groenstrook tot dusver een minimum aan onderhoud nagestreefd.

2.3. [gedaagde] heeft de groenstrook van meet af aan onderhouden. [gedaagde] heeft in de loop der jaren de door de gemeente geplante struiken weggehaald en vervangen door eigen bloemen en planten. Als gevolg daarvan had de groenstrook in ieder geval vanaf 1980 een heel andere aanblik.

2.4. Zo'n twee jaar geleden heeft [gedaagde] de bloemen en planten op groenstrook verwijderd en is de groenstrook deels betegeld en deels voorzien van een gazon.

3. Het geschil

3.1. De gemeente vordert dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt om binnen vier weken na betekening van dit vonnis het bij hem in gebruik zijnde gedeelte van het perceel kadastraal bekend gemeente [woonplaats], sectie A, nr. 5445 (dat wil zeggen het gedeelte gerekend vanaf de grens van de voortuin van [gedaagde] zoals die uit de kadastrale tekening blijkt) te ontruimen en ontruimd te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom groot € 250,00 per dag tot een maximum van € 25.000,00, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2. [gedaagde] voert verweer, met conclusie tot afwijzing van de vordering met veroordeling van de gemeente in de proceskosten, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De gemeente wil dat het gebruik dat [gedaagde] van haar grond maakt wordt beëindigd en vordert veroordeling van [gedaagde] tot ontruiming daarvan. [gedaagde] weigert de groenstrook te ontruimen en voert tot zijn verweer aan dat hij de eigendom van de groenstrook heeft verkregen.

4.2. [gedaagde] betoogt daartoe in de eerste plaats dat de groenstrook een res nullius is en dat hij de eigendom van de groenstrook heeft verkregen door de inbezitneming daarvan. Op grond van art. 5:4 BW verkrijgt hij die een aan niemand toebehorende roerende zaak in bezit neemt daarvan de eigendom. Het betoog van [gedaagde] gaat naar het oordeel van de rechtbank (al) niet op omdat eigendoms¬ver¬krijging op de voet van art. 5:4 BW alleen op roerende zaken ziet en het hier om een groenstrook, en daarmee om een onroerende zaak, gaat.

4.3. [gedaagde] voert voorts tot zijn verweer aan dat hij door verjaring de eigendom van de groenstrook heeft verkregen. Ingevolge art. 3:105 lid 1 BW verkrijgt degene die een goed bezit dat goed op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van dat bezit is voltooid. Uit hetgeen is gesteld in art. 3:306 BW komt naar voren dat een dergelijke rechtsvordering verjaart door verloop van twintig jaren, welke verjaring volgens het tweede lid van art. 3:314 BW begint met de aanvang van de dag volgende op die waarop een niet-rechthebbende bezitter is geworden of de onmiddellijke opheffing gevorderd kon worden van de toestand waarvan diens bezit een voortzetting vormt.

4.4. Nu vast staat dat de gemeente in ieder geval tot 1977 eigenaar en bezitter van de groenstrook is geweest, en door [gedaagde] niet is gesteld dat hij door overdracht of door opvolging onder algemene titel bezitter van de groenstrook is geworden, geldt als uitgangspunt dat bezit door [gedaagde] enkel kan worden verkregen door inbezitneming en wel in die zin dat hij zich de feitelijk macht over het goed heeft verschaft en voorts dat deze machtsuitoefening zodanig was dat zij het bezit van de gemeente te niet heeft gedaan. Ingevolge art. 3:113 lid 2 BW is niet voldoende dat "enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen" hebben plaatsgehad; nodig is een voor anderen zichtbare uitoefening van de macht over de onroerende zaak waaruit de pretentie van eigendom blijkt, alsmede dat de macht van de oorspronkelijke bezitter over de onroerende zaak is geëindigd. Op [gedaagde] rust terzake de stelplicht en de bewijslast. [gedaagde] komt geen beroep op de vermoedens van 3:109 en 3:119 BW toe, nu vast staat dat de gemeente eerst rechthebbende was en [gedaagde] zich niet kan beroepen op verkrijging onder bijzondere titel waarvoor inschrijving in de registers vereist is.

4.5. De feiten waarop [gedaagde] zich in dit verband heeft beroepen, bestaan uit het feitelijk onderhouden van de groenstrook en het opnieuw en naar eigen inzicht beplanten daarvan gedurende meer dan twintig jaar. Deze gedragingen vormen naar het oordeel van de rechtbank geen daden waaruit de pretentie van eigendom blijkt. Evenmin blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit deze daden dat de macht van de gemeente als de oorspronkelijke bezitter over de zaak is geëindigd. De groenstrook is door de inspanningen van [gedaagde] niet zodanig ingericht geweest dat naar buiten de eigendomspretentie bleek. De groenstrook was bijvoorbeeld niet afgesloten voor derden. Hoewel het bij het beoordelen van bezit gaat om de uiterlijk waarneembare feiten, sluit het ontbreken van een voldoende duidelijke eigendomspretentie aan bij wat [gedaagde] ter comparitie heeft verklaard, namelijk dat hij nimmer de intentie heeft gehad om de eigendom van de grondstrook van de gemeente af te nemen.

4.6. Gelet op het voorgaande verwerpt de rechtbank het door [gedaagde] gevoerde verjaringsverweer.

4.7. [gedaagde] heeft tot slot tot zijn verweer aangevoerd dat de gemeente misbruik van eigendomsrecht maakt door niet eerder op te treden tegen het gebruik van [gedaagde] van de groenstrook. De rechtbank verwerpt dit verweer. Voor misbruik van recht aan de zijde van de gemeente is veel meer nodig dan dat de gemeente niet langer gedoogt dat [gedaagde] zonder recht of titel van haar grond gebruik maakt. [gedaagde] heeft die aanvullende feiten of omstandigheden niet gesteld.

4.8. De vordering van de gemeente zal worden toegewezen. De rechtbank zal [gedaagde] veroordelen de groenstrook te ontruimen en ontruimd te houden. Voor het opleggen van een dwangsom is (nog) geen plaats; de rechtbank gaat er van uit dat [gedaagde] vrijwillig aan het vonnis zal voldoen. De rechtbank neemt daarbij verder in aanmerking dat de groenstrook door partijen slechts bij benadering is aangeduid.

4.9. [gedaagde] zal als de hoofdzakelijk in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten. De proceskosten aan de zijde van de gemeente worden vastgesteld op € 1.251,98, zijnde € 85,98 aan kosten van de dagvaarding, € 262,00 aan vast recht en € 904,00 aan tegemoetkoming in het salaris van de advocaat. (2,0 punt x tarief II € 452,00)

5. De beslissing

De rechtbank:

1. veroordeelt [gedaagde] om binnen vier weken na betekening van dit vonnis het bij hem in gebruik zijnde gedeelte van het perceel kadastraal bekend gemeente [woonplaats], sectie A, nr. 5445 (dat wil zeggen het gedeelte gerekend vanaf de grens van de voortuin van [gedaagde] zoals die uit de kadastrale tekening blijkt) te ontruimen en ontruimd te houden;

2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de gemeente vastgesteld op € 1.251,98;

3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Smit en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2010.?