Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2010:BM2110

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
22-04-2010
Datum publicatie
27-04-2010
Zaaknummer
AWB 09/2748
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Achterstallige betalingsverplichting van de werkgever in het kader van hoofdstuk IV van de WW, bestaande uit niet genoten vakantiedagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

procedurenummer: AWB 09/2748

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 april 2010 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[naam],

wonende te [woonplaats],

eiser,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv),

verweerder,

gemachtigde: mr. F.H.M.A. Swarts, werkzaam bij het Uwv te Leeuwarden.

Procesverloop

Bij brief van 7 oktober 2009 heeft verweerder eiser mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende de toepassing van de Werkloosheidswet (WW). Tegen dit besluit heeft eiser beroep aangetekend. De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 1 april 2010. Eiser is in persoon verschenen. Voor verweerder is zijn gemachtigde verschenen.

Motivering

Feiten

1.1 Bij formulier van 28 april 2009 heeft eiser verweerder verzocht op grond van hoofdstuk IV van de WW de achterstallige betalingsverplichtingen van de werkgever, [naam werkgever] te [vestigingsplaats werkgever], over te nemen.

1.2 Bij besluit van 6 juli 2009 heeft verweerder de uitkering toegekend. De hoogte heeft verweerder gebaseerd op de vakantietoeslag over de periode van 1 juni 2008 tot en met 30 april 2009 (€ 1.584,- bruto), het loon over de periode van 1 april 2009 tot en met 30 april 2009 (€ 1.800,- bruto), een dienstautovergoeding (€ 83,98 bruto), een onkostenvergoeding

(€ 39,95 netto) en een vergoeding voor niet opgenomen vakantiedagen (€ 83,38 netto).

1.3 Bij brief van 8 juli 2009 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Hij is van mening dat hij 16 dagen vakantiedagen niet heeft opgenomen, terwijl hij door verweerder één vakantiedag vergoed krijgt. Daarnaast heeft hij nog recht op provisie, hetgeen hij ook niet terugvindt in het overzicht van verweerder.

1.4 Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard ten aanzien van eisers aanspraken op de bonus/provisie en ongegrond verklaard ten aanzien van eisers aanspraak op een vergoeding wegens niet opgenomen vakantiedagen.

In geschil

2.1 In beroep heeft eiser gesteld dat de werkgever een betalingsverplichting jegens hem heeft wegens niet genoten vakantiedagen. Hij stelt hiertoe dat hij een gesprek heeft gehad met zijn leidinggevende, die hem heeft meegedeeld dat zijn contract niet verlengd zou worden. Tevens heeft de leidinggevende tijdens dit gesprek aangegeven dat hij verplicht was zijn vakantiedagen op te nemen. Eiser stelt dat hij tijdens dat gespek heeft aangegeven dat hij het hier niet mee eens was. Hij heeft vervolgens een brief van 8 april 2009 ontvangen van de werkgever, waarvan hij een afschrift heeft overgelegd, waarin wordt gerefereerd aan het hiervoor bedoelde gesprek en de afspraken die gemaakt zijn met betrekking tot het inleveren van de door de werkgever beschikbaar gestelde apparatuur en materialen. Er wordt niets gemeld over een afspraak ten aanzien van het opnemen van vakantiedagen. Eiser stelt uitdrukkelijk dat hij niet heeft ingestemd met het opnemen van vakantiedagen. Dat de werkgever hem in de periode van 9 april tot en met 30 april 2009 geen opdrachten meer heeft gegeven, geeft haar niet het recht hem te verplichten zijn vakantiedagen op te nemen.

2.2 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij nog een aanspraak op de werkgever heeft vanwege het niet opnemen van 16 vakantiedagen. Verweerder heeft de werkgever van eiser op dit punt om inlichtingen gevraagd. De werkgever heeft verklaard dat eisers leidinggevende met eiser afspraken heeft gemaakt over de door de werkgever ter beschikking gestelde apparatuur en materialen. Daarbij is volgens de leidinggevende afgesproken dat eiser vanaf 9 april 2009 geen werkzaamheden meer zou verrichten en zijn zij overeengekomen dat eiser vanaf 9 april 2009 vakantiedagen zou opnemen. Verweerder acht het nauwelijks voorstelbaar dat geen sprake is geweest van het opnemen van de 16 vakantiedagen over de periode van 9 april tot en met 30 april 2009, omdat over deze periode waarin eiser niet heeft gewerkt wel loon is doorbetaald. Daarnaast heeft de werkgever in zijn administratie de periode van 9 april tot 1 mei 2009 als vakantieperiode geregistreerd. Dat eiser heeft gesteld dat hij geen schriftelijk vakantieverzoek heeft ingediend, acht verweerder een formeel aspect dat van ondergeschikt belang is.

Beoordeling van het geschil

3.1 Tussen partijen is niet in geschil dat de werkgever van eiser in staat van faillissement verkeert per 21 april 2009.

3.2 Ter beantwoording is de vraag of verweerder terecht heeft geweigerd de achterstallige betalingsverplichting van de werkgever in het kader van hoofdstuk IV van de WW, bestaande uit niet genoten vakantiedagen, over te nemen.

3.3 De rechtbank is van oordeel dat eiser op overtuigende wijze heeft bestreden dat hij heeft ingestemd met het opnemen van zijn resterende vakantiedagen. De rechtbank overweegt hiertoe dat indien hij wel had ingestemd, het voor de hand had gelegen dat de werkgever deze afspraak aan hem had bevestigd bij haar schrijven van 8 april 2009. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat de werkgever de vakantiedagen eenzijdig heeft vastgesteld, door in haar administratie op te nemen dat eiser vanaf 9 april 2009 zijn vakantiedagen heeft opgenomen.

3.4 Ter beoordeling staat vervolgens of verweerder er terecht vanuit is gegaan dat het aannemelijk is dat de werkgever in het onderhavige geval rechtgeldig eenzijdig vakantie voor eiser kon vaststellen over de periode vanaf 9 april 2009 tot 30 april 2009. De rechtbank overweegt dat in artikel 7:638, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) als hoofdregel is bepaald dat de werkgever de tijdstippen van aanvang en einde van de vakantie vaststelt overeenkomstig de wensen van de werknemer, tenzij gewichtige redenen zich daartegen verzetten. Eiser had een dienstverband voor bepaalde tijd, dat van rechtswege -en dus zonder opzegging- eindigde op 30 april 2009. De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt is dat de vakantiedagen daadwerkelijk worden genoten tijdens het dienstverband en voorts dat het eiser bekend was voor welke datum hij zijn vakantie moest genieten. Daarbij was sprake van de omstandigheid dat de werkgever vanaf 21 april 2009 in staat van faillissement verkeerde. Om deze redenen kon verweerder naar het oordeel van de rechtbank menen dat sprake was van gewichtige redenen als bedoeld in artikel 7:638, tweede lid, van het BW en kon hij er in redelijkheid van uitgaan dat de werkgever rechtgeldig eenzijdig de vakantie voor eiser kon vaststellen aan het einde van zijn dienstverband. De rechtbank voegt daar nog aan toe dat eiser ook daadwerkelijk geen opdrachten meer kreeg vanaf 9 april 2009 en voor hem ook geen beletselen waren om vakantie op te nemen. Indien het standpunt van eiser zou worden gevolgd zou een verzekerde bovendien door niet in te stemmen met het opnemen van zijn vakantiedagen, de vergoeding van de niet-genoten vakantiedagen afwentellen op de WW-kas die uit algemene middelen wordt gefinancierd en die kas daarmee benadelen.

3.5 Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht geweigerd de aanspraak van eiser op de werkgever wegens niet-genoten vakantiedagen over te nemen. De rechtbank concludeert dat het beroep van eiser ongegrond moet worden verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.H. de Groot, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J. Dijkstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 april 2010.

w.g. J. Dijkstra

w.g. C.H. de Groot

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Centrale Raad van Beroep

Postbus 16002

3500 DA Utrecht

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.