Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2010:BM1508

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
02-04-2010
Datum publicatie
19-04-2010
Zaaknummer
10/160 en 10/279
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BO8251, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verzoek voorlopige voorziening. Beroep kortgesloten. Dwangsom. Begunstigingstermijn. Beroep ongegrond. Gelet op de betrokken belangen, ziet de voorzieningenrechter desalniettemin aanleiding om met toepassing van artikel 8:81 van de Awb een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat het bestreden besluit met terugwerkende kracht zal worden geschorst tot 1 mei 2010. Daartoe overweegt hij dat de begunstigingstermijn inmiddels is verstreken en dat verzoekster na deze uitspraak nog enige tijd nodig zal hebben om alsnog aan de last onder dwangsom te kunnen voldoen. Voorts overweegt de voorzieningenrechter dat de gemachtigde van het college ter zitting heeft verklaard dat het college op zich bereid is te wachten met het effectueren van het bestreden besluit tot een maand na deze uitspraak, maar dat de mogelijkheid bestaat dat wordt verzocht om een beschikking tot invordering van de verbeurde dwangsommen. De voorzieningenrechter acht het, gelet op de onderhavige voorzieningenprocedure en de poging alsnog een mediationtraject op te starten, niet redelijk dat gedurende de tijd die nodig is om de bedrijfsactiviteiten (tijdelijk) te verplaatsen en de achterste loods af te breken, reeds dwangsommen worden verbeurd of ingevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

procedurenummers: AWB 10/160 en 10/279

uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 april 2010 op grond van artikel 8:84 en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

de vennootschap onder firma [X], gevestigd te [vestigingsplaats],

verzoekster (hierna: [verzoekster]),

gemachtigde: mr. A.J. Spoelstra, werkzaam bij Pietersma & Spoelstra ruimtelijke ordening en milieuadviseurs te Drachten,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tytsjerksteradiel, verweerder (hierna: het college),

gemachtigde: W.P. Spijker-Huisman, werkzaam bij de gemeente Tytsjerksteradiel.

Procesverloop

Bij brief van 15 december 2009 heeft het college [verzoekster] mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende het opleggen van een last onder dwangsom (hierna: het bestreden besluit). [verzoekster] heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Het beroep is bekend onder procedurenummer 10/160. Tevens heeft [verzoekster] zich bij brief van 11 februari 2010 tot de voorzieningenrechter gewend met het verzoek een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek is geregistreerd onder procedurenummer 10/279.

De rechtbank h[Y] (hierna: [Y]) in deze zaak aangemerkt als derde belanghebbende.

Het verzoek is ter zitting behandeld op 5 maart 2010. Namens [verzoekster] is verschenen haar vennoot [Z], bijgestaan door voornoemde gemachtigde. Namens het college is voornoemde gemachtigde verschenen. [Y] is niet verschenen. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting geschorst, teneinde de mogelijkheid te onderzoeken om via mediation tot een oplossing in deze zaak te komen. Ter zitting heeft de voorzieningenrechter met partijen afgesproken dat geen nadere zitting zal worden gehouden wanneer mediation niet mogelijk blijkt te zijn. Per brief van 19 maart 2010 heeft de gemachtigde van [verzoekster] meegedeeld dat [Y] niet bereid is tot mediation. Daarop heeft de voorzieningenrechter het onderzoek gesloten.

Motivering

Inleidende overwegingen

1.1 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

1.2 Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek overweegt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken van beletselen om [verzoekster] te kunnen ontvangen. Voorts is genoegzaam aangetoond dat [verzoekster] een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening.

1.3 Indien, zoals in het onderhavige geval, het verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan terwijl beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dit het geval. De voorzieningenrechter zal daarom onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

Feiten

2.1 [verzoekster] exploiteert op [het perceel] te [vestigingsplaats] (hierna: het perceel) een bedrijf dat zich bezighoudt met het vervaardigen en plaatsen van garages, schuren en systeembouwhokken, alsmede met de handel in hout en aanverwante artikelen. Ten behoeve van dit bedrijf bevinden zich op het perceel onder meer twee bedrijfsloodsen.

2.2 [Y] woont op [het buurperceel] te [vestigingsplaats]. Dit perceel is gelegen op geringe afstand van het perceel van [verzoekster].

2.3 Bij besluit van 19 september 2007 heeft het college [verzoekster] bouwvergunning en vrijstelling verleend voor het oprichten van de achterste van de twee bedrijfsloodsen met daarbij een overkapping (hierna: de achterste loods). Naar aanleiding van het door [Y] tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het college dit besluit herroepen en de bouwvergunning alsnog geweigerd.

2.4 Per brief van 25 februari 2009 heeft [Y] het college verzocht handhavend op te treden tegen (onder meer) de achterste loods.

2.5 Bij besluit van 21 juli 2009 heeft het college [verzoekster] onder oplegging van een dwangsom gelast vóór 1 november 2009 de achterste loods te verwijderen. De dwangsom is vastgesteld op € 1.000,00 per week, met een maximum van € 20.000,00.

2.6 Bij het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van [verzoekster] tegen het besluit van 21 juli 2009 ongegrond verklaard. In het bestreden besluit heeft het college de begunstigingstermijn verlengd tot 1 maart 2010.

Beoordeling van het geschil

3.1 Tussen partijen is niet in geschil dat de achterste loods in strijd met artikel 40 van de Woningwet is gebouwd zonder bouwvergunning en dat het college daarom ingevolge artikel 125, eerste en tweede lid, van de Gemeentewet en artikel 5:32, eerste lid, van de Awb bevoegd was [verzoekster] onder oplegging van een dwangsom te gelasten deze loods te verwijderen.

3.2 Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

3.3 Tussen partijen is niet in geschil dat geen zicht bestaat op legalisatie, omdat het deel van het perceel waarop de achterste loods staat, onderdeel uitmaakt van het provinciale inpassingsplan voor de aanleg van de Centrale As. Voorts zijn partijen het erover eens dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan van het college kan worden gevergd af te zien van handhavend optreden. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het college in redelijkheid een begunstigingstermijn heeft kunnen stellen tot 1 maart 2010.

3.4 De voorzieningenrechter is van oordeel dat de door het college gestelde begunstigingstermijn niet onredelijk kort is. Daartoe overweegt hij dat het voor [verzoekster] mogelijk was de overtreding binnen deze termijn op te heffen. Ter zitting heeft de gemachtigde van [verzoekster] bevestigd dat het technisch mogelijk is de machines die in de achterste loods staan te verplaatsen en dat het naar verwachting ook mogelijk is binnen een maand tijdelijk een andere bedrijfsruimte te huren. Voorts overweegt de voorzieningenrechter dat de begunstigingstermijn niet bedoeld is om [verzoekster] tijd te gunnen om een definitieve locatie te vinden voor de bedrijfsactiviteiten die in de achterste loods werden verricht. De voorzieningenrechter verwijst in dit kader naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 maart 2008 (gepubliceerd op rechtspraak.nl onder LJN BC6404).

3.5 Het feit dat eerder wel een bouwvergunning is verleend voor de achterste loods kan niet leiden tot een ander oordeel, reeds omdat deze bouwvergunning vervolgens weer is ingetrokken. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat de achterste loods reeds was gebouwd voordat deze bouwvergunning werd verleend. Ook het feit dat het college na het intrekken van deze bouwvergunning niet meteen is overgegaan tot handhavend optreden geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Op dat moment lag er nog geen verzoek tot handhavend optreden, terwijl dit thans wel het geval is. Ook het feit dat de achterste loods reeds geruime tijd op de desbetreffende plaats stond en het college daar voorheen nooit handhavend tegen heeft opgetreden, geeft geen aanleiding de begunstigingstermijn onredelijk kort te achten. Zelfs indien het college steeds bekend is geweest met de overtreding, is het feit dat hij gedurende geruime tijd daartegen niet handhavend is opgetreden, onvoldoende om tot het oordeel te komen dat het college daardoor het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat daartegen niet meer handhavend zou worden opgetreden. Niet is gebleken dat het college in dit kader ooit enige toezegging aan [verzoekster] heeft gedaan.

3.6 Ten aanzien van het argument van [verzoekster] dat het college de begunstigingstermijn op grond van het door hem overgenomen advies van de commissie voor de bezwaarschriften in ieder geval had moeten verlengen tot 1 juni 2010, overweegt de voorzieningenrechter dat dit berust op een verkeerde lezing van het advies. Uit het advies blijkt duidelijk dat de commissie heeft geadviseerd de begunstigingstermijn te verlengen tot (in totaal) zeven maanden na het primaire besluit van 21 juli 2009. In het advies is zelfs expliciet de datum 1 maart 2010 genoemd. Dit argument kan dus niet slagen.

3.7 [verzoekster] heeft betoogd dat inmiddels een partiële herziening van het ter plaatse geldende bestemmingsplan in voorbereiding is. Deze herziening maakt het mogelijk de achterste loods te verplaatsen naar een nabijgelegen locatie. [verzoekster] verwacht dat deze herziening op 1 november 2010 voltooid zal zijn en hij is van mening dat de begunstigingstermijn daarom tot die datum had moeten worden verlengd. De voorzieningenrechter is met het college van oordeel dat geenszins zeker is dat de partiële herziening van het bestemmingsplan op 1 november 2010 in werking zal zijn getreden. Gelet op de procedure die in het kader van deze herziening moet worden gevolgd en de daartegen openstaande rechtsmiddelen is het zeer wel mogelijk dat de inwerkingtreding van de herziening veel langer op zich zal laten wachten. Bovendien is onzeker of de herziening überhaupt vastgesteld zal worden en in stand zal blijven. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat sprake is van onzekere toekomstige gebeurtenissen, die geen aanleiding geven voor het oordeel dat het college redelijkerwijs een langere begunstigingstermijn had moeten vaststellen.

3.8 Voorts heeft [verzoekster] betoogd dat de continuïteit van het bedrijf in gevaar komt, indien de achterste loods moet worden afgebroken voordat deze kan worden verplaatst naar een nabijgelegen locatie. Het verplaatsen van de activiteiten die verricht werden in deze loods naar een verder weggelegen locatie zal volgens [verzoekster] grote praktische problemen en hoge kosten met zich meebrengen. Daarom zal er in dat geval wellicht voor worden gekozen deze activiteiten te beëindigen, hetgeen zal leiden tot het ontslag van vier werknemers. De voorzieningenrechter is van oordeel dat [verzoekster] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het bestreden besluit tot dermate grote praktische en financiële problemen zal leiden dat het ontslag van vier werknemers moet worden aangemerkt als een onontkoombaar gevolg van dat besluit. Daarom geeft dit geen aanleiding de gestelde begunstigingstermijn onredelijk te achten.

3.9 Het voorgaande brengt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat het beroep ongegrond is.

3.10 Gelet op de betrokken belangen, ziet de voorzieningenrechter desalniettemin aanleiding om met toepassing van artikel 8:81 van de Awb een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat het bestreden besluit met terugwerkende kracht zal worden geschorst tot 1 mei 2010. Daartoe overweegt hij dat de begunstigingstermijn inmiddels is verstreken en dat [verzoekster] na deze uitspraak nog enige tijd nodig zal hebben om alsnog aan de last onder dwangsom te kunnen voldoen. Voorts overweegt de voorzieningenrechter dat de gemachtigde van het college ter zitting heeft verklaard dat het college op zich bereid is te wachten met het effectueren van het bestreden besluit tot een maand na deze uitspraak, maar dat de mogelijkheid bestaat dat wordt verzocht om een beschikking tot invordering van de verbeurde dwangsommen. De voorzieningenrechter acht het, gelet op de onderhavige voorzieningenprocedure en de poging alsnog een mediationtraject op te starten, niet redelijk dat gedurende de tijd die nodig is om de bedrijfsactiviteiten (tijdelijk) te verplaatsen en de achterste loods af te breken, reeds dwangsommen worden verbeurd of ingevorderd. De voorzieningenrechter acht een termijn tot 1 mei 2010 voldoende lang om alsnog aan de last te kunnen voldoen.

Proceskosten

4. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep met procedurenummer 10/160 ongegrond;

- treft in de zaak met procedurenummer 10/279 de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit met terugwerkende kracht wordt geschorst tot 1 mei 2010.

Aldus gegeven door mr. A.T. de Kwaasteniet, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. F.F. van Emst als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 april 2010.

w.g. A.T. de Kwaasteniet

w.g. F.F. van Emst

Tegen de uitspraak in het verzoek om voorlopige voorziening met procedurenummer 10/279 kan geen rechtsmiddel worden aangewend.

Tegen de uitspraak in de hoofdzaak met procedurenummer 10/160 staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:13 gelezen in samenhang met artikel 6:24 van de Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u dan waarom u de uitspraak niet juist vindt.