Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2010:BL9717

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
24-03-2010
Datum publicatie
02-04-2010
Zaaknummer
17/880089-10 RDK
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Hoger beroep, artikel 67 Wetboek van Strafvordering, gronden, gevallen, vreemdelingenbewaring

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 63
Wetboek van Strafvordering 67
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2010, 170
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector straf

parketnummer 17/880089-10

Appelnummer 10/147

beschikking van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, op het hoger beroep van de officier van justitie, in de zaak tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats],

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

U.a.h. gedetineerd in het politiebureau te Leeuwarden.

Procesgang

De officier van justitie heeft op 12 maart 2010 hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken d.d. 12 maart 2010, waarbij de vordering tot bewaring werd afgewezen.

Het hoger beroep is op 17 maart 2010 behandeld in raadkamer, zoals blijkt uit het daarvan opgemaakte proces-verbaal. Verdachte is verschenen, evenals zijn raadsman, mr. Van Kammen.

Motivering

De rechtbank zal eerst beoordelen of sprake is van een 'geval' waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, als bedoeld in artikel 67 van het Wetboek van strafvordering (Sv).

Volgens artikel 67, tweede lid, Sv kan voorlopige hechtenis worden gelast indien geen vaste woon- of verblijfplaats van verdachte in Nederland kan worden vastgesteld en hij verdacht wordt van een misdrijf, waarvan de rechtbanken kennis nemen en waarop, naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf is gesteld.

Verdachte wordt verdacht van een overtreding van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht. Dit betreft een misdrijf, waar de rechtbanken kennis van nemen, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden is gesteld.

Verdachte staat niet als ingezetene ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie persoonsgegevens. Hij heeft gesteld dat hij contacten heeft bij Respons en Vluchtelingenwerk. Daarmee heeft hij echter naar het oordeel van de rechtbank nog geen vaste woon- of verblijfplaats.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat sprake is van een "geval" waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten als bedoeld in artikel 67 Sv.

De rechtbank komt, gezien het proces-verbaal van politie, nr. 2010023430-1, op ambtseed opgemaakt en ondertekend op 11 maart 2010, tot het oordeel dat ernstige bezwaren zijn gerezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het op de vordering tot inbewaringstelling vermelde feit.

De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of er gronden voor voorlopige hechtenis aanwezig zijn.

De officier van justitie heeft ernstig gevaar voor vlucht als eerste grond aangevoerd. Immers staat verdachte niet ingeschreven in enig bevolkingsregister in Nederland en heeft hij geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

Van ernstig gevaar voor vlucht als bedoeld in artikel 67a, eerste lid, Sv. is sprake als moet worden aangenomen dat verdachte zich aan zijn berechting of onderwerping aan de op te leggen straf zal onttrekken. In het algemeen doet zich dit voor als verdachte niet de Nederlandse nationaliteit bezit en geen relevante banden met Nederland heeft, terwijl hem een vrijheidsbenemende straf of maatregel boven het hoofd hangt.

Verdachte wordt verweten als ongewenst verklaard vreemdeling in Nederland te verblijven. Hij heeft in het jaar 2000 in Nederland een vergunning tot toelating als vluchteling aangevraagd. Deze is afgewezen en het daartegen ingediende bezwaar is ongegrond verklaard. In het voorjaar van het jaar 2001 was verdachte uitgeprocedeerd. Verdachte heeft meermalen in vreemdelingenbewaring verbleven in afwachting van zijn uitzetting, maar dit is niet gelukt.

Op 25 september 2008 is verdachte een beschikking tot ongewenstverklaring uitgereikt, omdat hij een gevaar vormde voor de openbare orde en geen rechtmatig verblijf in Nederland had. Sindsdien heeft hij twee keer maandenlang in vreemdelingenbewaring verbleven en is getracht hem uit te zetten. Verdachte is beide keren in vrijheid gesteld omdat hij niet binnen een redelijke termijn uitgezet kon worden. Na de onderhavige afwijzing van de vordering tot bewaring door de rechter-commissaris is hij wederom in vreemdelingenbewaring genomen.

De rechtbank is van oordeel dat in dit geval geen sprake is van bepaalde gedragingen van de verdachte, of bepaalde, hem persoonlijk betreffende omstandigheden, waaruit blijkt van een ernstig gevaar voor vlucht. Gedurende de perioden van vreemdelingenbewaring is vergeefs getracht verdachte uit te zetten. Nadat verdachte in vrijheid werd gesteld, heeft de politie, al dan niet via hulpverleningscontacten van verdachte, met korte onderbrekingen zicht gehouden op verdachte. Verdachte heeft weliswaar geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, maar dat is op zich niet voldoende om ernstig gevaar voor vlucht aan te nemen. Dit geldt temeer nu verdachte al een aantal keren gedurende een lange periode in vreemdelingenbewaring heeft verbleven. Een mogelijke nieuwe vreemdelingenbewaring van lange duur heeft verdachte blijkbaar niet doen besluiten om te vluchten. De maximale strafbedreiging voor het als ongewenst vreemdeling in Nederland verblijven, zal dit naar de inschatting van de rechtbank ook niet doen.

De rechtbank constateert daarnaast dat verdachte zich thans wederom in vreemdelingenbewaring bevindt, zodat vluchten op dit moment geen optie is voor verdachte.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat het bevel tot bewaring niet kan worden gegrond op ernstig gevaar voor vlucht.

Als tweede grond voor de bewaring heeft de officier van justitie aangevoerd dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte een misdrijf zal begaan waardoor de veiligheid van staat in gevaar kan worden gebracht. De officier stelt daartoe dat het feit dat verdachte tot ongewenst vreemdeling is verklaard, impliceert dat de verdachte een gevaar vormt voor de openbare rust, - orde of nationale veiligheid. Het plegen van overtreding van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht is aldus een aantasting van de veiligheid van staat volgens de officier van justitie.

In titel I van boek II van het Wetboek van Strafrecht staan de misdrijven tegen de veiligheid van de staat omschreven. Uit de stukken blijkt niet dat gevreesd moet worden dat verdachte zich aan een van deze misdrijven schuldig zal maken.

De rechtbank constateert daarnaast dat verdachte bij beschikking van de Staatssecretaris van Justitie van 4 augustus 2008 ongewenst is verklaard omdat is aangenomen dat verdachte een gevaar vormt voor de openbare orde. Gevaar voor de openbare orde impliceert naar het oordeel van de rechtbank niet gevaar voor de nationale veiligheid. Hoewel gevaar voor de nationale veiligheid een grond kan opleveren om een vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland ongewenst te verklaren, is daar in het geval van verdachte geen sprake van.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat er geen aanleiding is aan te nemen dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte een misdrijf zal begaan waardoor de veiligheid van staat in gevaar kan worden gebracht. Daarom kan ook dit niet als grond voor het bevel tot bewaring dienen.

De officier van justitie heeft ten slotte in de appelmemorie als grond voor de bewaring aangevoerd dat er gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen zou kunnen ontstaan, aangezien een ongewenst verklaarde vreemdeling geen middelen van bestaan heeft. Hij zal zich daarom genoodzaakt zien door middel van het plegen van strafbare feiten in zijn onderhoud te voorzien. Dat blijkt volgens de officier van justitie ook wel uit de Justitiële Documentatie van verdachte.

De rechtbank constateert dat uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij, nadat zijn bezwaren tegen de afwijzing om het toe te laten als vluchteling op 6 april 2001 ongegrond zijn verklaard en hij uitgeprocedeerd is geraakt, slechts één keer een transactie aangeboden heeft gekregen voor een winkeldiefstal in 2007. Verdachte heeft zich derhalve gedurende een periode van negen jaar illegaal verblijf in Nederland staande weten te houden zonder een noemenswaardig strafblad op te bouwen. De rechtbank acht de grond dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte een misdrijf zal begaan waardoor de gezondheid of veiligheid van personen in gevaar wordt gebracht, dan wel algemeen gevaar voor goederen kan ontstaan niet aanwezig.

De rechtbank zal het door de officier van justitie ingestelde beroep ongegrond verklaren en de beslissing van de rechter-commissaris bevestigen.

Beslissing op het hoger beroep:

De rechtbank verklaart het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep ongegrond en bevestigt bovengenoemde beslissing van de rechter-commissaris.

Deze beschikking is gegeven op 24 maart 2010 door mrs. J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter, H. Mol en F. Kleefman, rechters, bijgestaan door J. van Nood-de Jong, griffier. Deze beschikking is getekend door de voorzitter en de griffier.