Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2010:BL9485

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
31-03-2010
Datum publicatie
01-04-2010
Zaaknummer
AWB 09/2268
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag om dubbele kinderslag in verband met uitwonende dochter. Dwingendrechtelijke bepalingen nopen tot afwijzing van deze aanvraag. Waddeneilanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

procedurenummer: AWB 09/2268

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 maart 2010 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[naam],

wonende te Terschelling West,

eiseres,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank,

verweerder,

gemachtigde: W. Venhuizen, werkzaam bij de vestiging Groningen van de Sociale verzekeringsbank.

Procesverloop

Bij brief van 30 juli 2009 heeft verweerder eiseres mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende de toepassing van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). Tegen dit besluit heeft eiseres beroep aangetekend. De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 2 maart 2010. Eiseres is in persoon verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Motivering

Feiten

1.1 Eiseres is de moeder van [naam] (hierna: [X]), geboren op [geboortedatum]. Omdat er op Terschelling alleen een VMBO-school is, gaat [X] sinds het schooljaar 2008/2009 in Sneek naar een school met een gymnasium. De ouders van [X] hebben in verband hiermee een woning in Sneek gekocht, waarin eiseres door de week met haar dochter verblijft.

1.2 Eiseres heeft bij wijzigingsformulier van 1 maart 2009 aan verweerder doorgegeven dat haar dochter uitwonend is in verband met het volgen van onderwijs. Gelet op de hiermee gepaard gaande kosten heeft eiseres gevraagd om dubbele kinderbijslag.

1.3 Bij besluit van 23 april 2009 heeft verweerder aan eiseres medegedeeld dat zij vanaf het eerste kwartaal van 2009 enkelvoudige kinderbijslag voor [X] krijgt. Daarbij is overwogen dat eiseres bij haar dochter woont, zodat er geen sprake is van een uitwonend kind en er dus ook geen recht kan bestaan op tweevoudige kinderbijslag.

1.4 Het tegen dit besluit gerichte bezwaar heeft verweerder bij de bestreden beslissing ongegrond verklaard.

Geschil

2.1 Eiseres heeft -kort samengevat- aangevoerd dat haar dochter vanaf Terschelling niet heen en weer kan reizen naar school en dat zij, gezien de leeftijd en de emotionele ontwikkeling van haar dochter, plaatsing in een gastgezin niet wenselijk acht. Daarom heeft eiseres ervoor gekozen om met haar dochter een tweede huishouden in Sneek in te richten. Eiseres is van mening dat de opvoeding en opvang van een kind het beste door de ouders zelf gedaan kan worden. Eiseres vindt het niet redelijk dat zij als gevolg van haar keuze veel extra kosten moet maken, waar niet een extra vergoeding tegenover staat. Als de verzorging en opvoeding zouden worden overgelaten aan een gastgezin, zou dit veel minder kosten en zou er wel tweevoudige kinderbijslag verstrekt worden. Eiseres vindt dit onterecht, discriminerend en het geeft haar een gevoel van rechtsongelijkheid.

2.2 Verweerder stelt dat [X] tot het huishouden van eiseres is blijven behoren en dat eiseres op grond hiervan maximaal enkelvoudige kinderbijslag kan krijgen. Het feit dat eiseres veel extra kosten maakt speelt hierbij geen rol. Verweerder heeft toegelicht dat hij, gelet op de wettelijke bepalingen, in de situatie van eiseres geen mogelijkheid heeft om tweevoudige kinderbijslag te betalen.

Beoordeling van het geschil

3.1 Ingevolge artikel 7, eerste lid, onder b, van de AKW heeft de verzekerde overeenkomstig de bepalingen van deze wet recht op kinderbijslag voor een kind dat jonger is dan 18 jaar en door hem in belangrijke mate wordt onderhouden.

In het derde lid, onder a en iº, is bepaald dat een kind als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, voor het vaststellen van het aantal kinderen voor wie recht op kinderbijslag bestaat voor twee kinderen wordt geteld, indien het door de verzekerde grotendeels wordt onderhouden en door of in verband met het volgen van onderwijs of een beroepsopleiding niet tot het huishouden van de verzekerde noch als eigen kind, aangehuwd kind of pleegkind tot het huishouden van een ander behoort.

3.2 Niet in geschil is dat [X] in het onderhavige geval is blijven behoren tot het huishouden van eiseres. De situatie als hiervoor onder 3.1 bedoeld, waarin tweevoudige kinderbijslag wordt verstrekt, is daarom niet aan de orde. In de wet is dwingend vastgelegd in welke situaties enkelvoudige dan wel tweevoudige kinderbijslag wordt verstrekt en aan verweerder komt op dit punt geen beleidsvrijheid toe. Dit betekent dat verweerder geen rekening kan houden met de belangen van eiseres, zoals de extra kosten die zij moet maken om haar kind zelf te verzorgen en te begeleiden op de vaste wal.

3.3 Verweerder mag in beginsel niet afwijken van bepalingen van dwingend recht. Dit neemt niet weg dat in de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep is aanvaard dat er bijzondere omstandigheden denkbaar zijn, waarin strikte toepassing van dwingendrechtelijke bepalingen zozeer in strijd is te achten met algemene rechtsbeginselen dat op die grond toepassing daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn. Die situatie is hier naar het oordeel van de rechtbank niet aan de orde, nu de wetgever er bewust voor heeft gekozen om bij thuiswonende kinderen geen dubbele kinderbijslag te verstrekken. De rechtbank merkt ten slotte nog op dat ter zitting is gebleken dat verweerder geen buitenwettelijk beleid voert, waarmee voor kinderen afkomstig van de waddeneilanden in een situatie als de onderhavige kan worden afgeweken van de wet.

3.4 Nu verweerders beslissing om aan eiseres enkelvoudige kinderbijslag toe te kennen in overeenstemming is met de wet, kan deze beslissing in stand blijven. Het beroep van eiseres wordt daarom ongegrond verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in tegenwoordigheid van mr. P.R.M. Poiesz als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2010.

w.g. P.R.M. Poiesz

w.g. P.G. Wijtsma

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Centrale Raad van Beroep

Postbus 16002

3500 DA Utrecht

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.