Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2010:BL8315

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
23-03-2010
Datum publicatie
26-03-2010
Zaaknummer
AWB 09/1558
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Disciplinaire maatregel (korting op salaris) wegens het niet meewerken van een PIW-er aan een disciplinair onderzoek na het overlijden van een gedetineerde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

procedurenummer: AWB 09/1558

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 maart 2010 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[naam],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. A.E.M. van Wessum, werkzaam bij SRK rechtsbijstand te Zoetermeer,

en

de Minister van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. K.I. Arts, werkzaam bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Procesverloop

Bij besluit van 11 november 2008 heeft de waarnemend locatiedirecteur van de Penitentiaire Inrichtingen Overijssel (hierna: de P.I.) namens verweerder aan eiser een disciplinaire straf opgelegd met toepassing van artikel 81 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (hierna: het ARAR). Tegen dit besluit heeft eiser op 9 december 2008 bezwaar aangetekend.

Bij brief van 20 maart 2009 heeft eiser bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op zijn bezwaar. Op 24 juli 2009 heeft de plaatsvervangend sectordirecteur Gevangeniswezen namens verweerder alsnog op het bezwaar van eiser beslist en dit, overeenkomstig een advies van de adviescommissie bezwaarschriften Algemene wet bestuursrecht inzake personele aangelegenheden van het Ministerie van Justitie, ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar met toepassing van artikel 6:20 van de Awb mede gericht geacht tegen het alsnog genomen besluit. De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 2 februari 2010. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. T.G.J. Horlings, kantoorgenoot van eisers gemachtigde. Namens verweerder is genoemde gemachtigde verschenen, bijgestaan door [naam], personeelsadviseur, en [naam], locatiedirecteur.

Motivering

Feiten

1.1 Eiser is sinds 1999 werkzaam in dienst van verweerder, laatstelijk in de functie van medior penitentiair inrichtingswerker op de locatie Zwolle van de P.I. Overijssel.

1.2 Op 2 mei 2008 is een gedetineerde overleden op de afdeling waarop eiser werkzaam was. Op 8 mei 2008 is eiser in verband met deze kwestie verhoord door de Rijksrecherche. Bij brief van 9 juni 2008 heeft de waarnemend algemeen directeur van de P.I. aan eiser medegedeeld dat besloten is tegen hem een disciplinair onderzoek in te stellen in verband met mogelijk door eiser nagelaten handelingen en/of gedragingen, hetgeen aangemerkt zou kunnen worden als plichtsverzuim. Daarbij is aangegeven dat het vermeende plichtsverzuim bestaat uit het mogelijk niet professioneel en volgens de geldende regelgeving handelen in de aanloop tot het overlijden van de gedetineerde op 2 mei 2008 en dat het onderzoek zal worden uitgevoerd door het Bureau Integriteit en Veiligheid van de Dienst Justitiële Inrichtingen (hierna: het BI&V).

1.3 Eiser heeft bij brief van 24 juni 2008 bezwaar gemaakt tegen het opgelegde disciplinaire onderzoek, omdat hem niet duidelijk is waarom een verdenking van plichtsverzuim is ontstaan. Bij brief van 30 juni 2008 heeft de waarnemend algemeen directeur aan eiser bericht dat geen bezwaar kan worden gemaakt tegen het ingestelde onderzoek en dat eiser gelet op het binnen de P.I. geldende beleid inzake onderzoeken door het BI&V in beginsel verplicht is om mee te werken en zich te verantwoorden in geval van een disciplinair onderzoek. Eiser is desondanks bij zijn bezwaar gebleven en is niet ingegaan op een uitnodiging voor een gesprek over de gebeurtenissen. Vervolgens heeft verweerder op 30 juli 2008 het bezwaar tegen het opgelegde disciplinaire onderzoek niet-ontvankelijk verklaard. In augustus 2008 heeft een medewerker van het BI&V contact gezocht met eiser. Eiser heeft volhard in zijn mening dat hij eerst schriftelijk wil vernemen wat hem precies wordt verweten.

1.4 Na eerst het voornemen hiertoe kenbaar te hebben gemaakt, heeft verweerder eiser bij besluit van 11 november 2008 een middelzware disciplinaire straf opgelegd, inhoudende dat eisers salaris gedurende zes maanden, met ingang van 1 januari 2009 wordt vastgesteld op een bedrag dat één periodiek lager is dan het salaris zoals dat laatstelijk voor eiser van toepassing was. Verweerder heeft het tegen dit besluit gerichte bezwaar ongegrond verklaard.

Geschil

2.1 Verweerder heeft aan zijn besluit ten grondslag gelegd dat eiser toerekenbaar geen medewerking heeft verleend aan het onderzoek naar vermeend plichtsverzuim. Door zich niet te willen verantwoorden in het kader van een disciplinair onderzoek heeft eiser de twijfel omtrent zijn integriteit niet weggenomen. Het gedrag van eiser levert daarom ernstig plichtsverzuim op. Volgens verweerder is de opgelegde financiële straf in proportie met de ernst van het plichtsverzuim.

2.2 Eiser stelt dat verweerder heeft gehandeld heeft in strijd met eigen regels, door eiser zonder een deugdelijk feitenonderzoek in een BI&V-onderzoek te dringen. Aan eiser is niet duidelijk gemaakt welk handelen of nalaten aanleiding is geweest tot het instellen van het onderzoek. Volgens eiser heeft verweerder de grond voor het in te stellen disciplinaire onderzoek te weinig concreet omschreven. Eiser ziet het ingestelde onderzoek als een aanklacht tegen zijn persoon, waardoor hij in zijn integriteit en goede naam wordt geraakt.

Beoordeling van het geschil

Ten aanzien van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit

3.1 Het beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een besluit moet niet-ontvankelijk verklaard worden, nu verweerder op 24 juli 2009 alsnog een besluit op bezwaar heeft genomen en eiser als gevolg hiervan geen procesbelang meer heeft bij een beoordeling van dit beroep. De rechtbank ziet in dit verband aanleiding om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de door eiser gemaakte proceskosten terzake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand tot een bedrag van € 80,50 (beroepschrift één punt; gewicht van de zaak: zeer licht; waarde per punt € 322,00).

Ten aanzien van de opgelegde disciplinaire straf

3.2. Ingevolge artikel 50 van het ARAR is een ambtenaar gehouden de plichten uit zijn functie voortvloeiend nauwgezet en ijverig te vervullen en zich te gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt. Ingevolge artikel 80, eerste lid, van het ARAR kan de ambtenaar, die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, disciplinair worden gestraft. Ingevolge artikel 80, tweede lid, van het ARAR omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets, hetwelk een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen. In artikel 81, eerste lid, van het ARAR is aangegeven welke disciplinaire straffen kunnen worden opgelegd.

3.3 Met betrekking tot onderzoeken door het BI&V heeft verweerder de 'Richtlijn uitvoeren onderzoeken BI&V' (hierna: de richtlijn) vastgesteld. Hierin is vastgelegd wanneer en hoe het BI&V onderzoeken uitvoert. In de circulaire van verweerder van 9 januari 2003 (hierna: de circulaire) is een toelichting gegeven op de richtlijn. Ingevolge de circulaire kan het bevoegd gezag bij een vermoeden van een integriteitsinbreuk direct besluiten tot het verrichten van een disciplinair onderzoek. Voorts is hierin bepaald dat iedere ambtenaar in beginsel verplicht is om mee te werken en zich te verantwoorden in geval van een disciplinair onderzoek.

3.4 Naar het oordeel van de rechtbank is er geen aanleiding om de circulaire en de richtlijn in dit geval buiten toepassing te laten. De looptijd van de circulaire is weliswaar verstreken, maar verweerder heeft gesteld dat de inhoud nog steeds geldend is, nu de circulaire niet is ingetrokken of vervangen door een andere circulaire. Gelet hierop, acht de rechtbank de toepassing van de circulaire door verweerder niet onrechtmatig. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder op basis van de richtlijn en de circulaire in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het instellen van een disciplinair onderzoek naar aanleiding van het incident op 2 mei 2008 door het BI&V, zonder voorafgaand feitenonderzoek. Gelet op de ernst van het incident en de omstandigheden van het geval was er een gegrond vermoeden van een integriteitsinbreuk. Het onderzoek is ingesteld naar aanleiding van het overlijden van een gedetineerde en in verband hiermee het mogelijk niet professioneel en volgens de geldende regelgeving handelen, waarnaar ook een strafrechtelijk onderzoek is ingesteld. Daarbij had het onderzoek niet alleen betrekking op eiser, maar op alle medewerkers die op de dag van het incident op de betreffende afdeling werkzaam waren. De rechtbank merkt ten slotte op dat in de gegeven omstandigheden ook zonder de circulaire het instellen van een disciplinair onderzoek gerechtvaardigd geacht moet worden.

3.5 De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft meegewerkt aan het BI&V-onderzoek. Eiser heeft zich van meet af aan verzet tegen het onderzoek en heeft geweigerd om gesprekken te voeren met medewerkers van het BI&V. De door eiser geuite bereidheid om aan het onderzoek mee te werken, mits hem schriftelijk wordt duidelijk gemaakt wat hem precies wordt verweten, kan niet gelijkgesteld worden met het verlenen van (onvoorwaardelijke) medewerking aan het onderzoek. Door niet mee te werken en zich te verantwoorden in het kader van het ingestelde disciplinaire onderzoek heeft eiser zich schuldig gemaakt aan plichtsverzuim.

3.6 Eiser betoogt dat verweerder verzuimd heeft hem een concrete omschrijving te geven van hetgeen hem wordt verweten. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende. Over het instellen van een disciplinair onderzoek dient een betrokkene schriftelijk te worden geïnformeerd. Een kennisgeving betreffende het instellen van een disciplinair onderzoek omvat tenminste een omschrijving van het handelen of nalaten dat aanleiding is tot het onderzoek. Verweerder heeft in de kennisgeving van het onderzoek medegedeeld dat het mogelijk niet professioneel en volgens de geldende regelgeving handelen in de aanloop tot het overlijden van de gedetineerde op 2 mei 2008 zal worden onderzocht. Mede gezien het doel van een disciplinair onderzoek, namelijk het vaststellen en vastleggen van het feitencomplex ter zake van een mogelijke integriteitsinbreuk, acht de rechtbank deze omschrijving voldoende duidelijk. Een nog meer expliciete omschrijving van hetgeen eiser werd verweten was volgens verweerder niet mogelijk, omdat het onderzoek nu juist bedoeld was om meer zicht te krijgen op de feiten en de gedragingen van eiser en alle andere medewerkers die betrokken waren bij het incident op 2 mei 2008. Daarbij merkt de rechtbank op dat het de bedoeling van de kennisgeving is dat eiser niet wordt overvallen door een onderzoek, en dat het op basis van de omschrijving voor eiser volstrekt duidelijk moet zijn geweest waarop het onderzoek betrekking had.

3.7 Eiser heeft tenslotte aangevoerd dat hij het onderzoek heeft ervaren als een aanklacht, terwijl hij niets fout had gedaan. Deze subjectieve beleving rechtvaardigt echter niet zijn weigering om mee te werken aan het onderzoek. Het ging bij het ingestelde onderzoek om vermoedens ten aanzien van niet integer handelen en niet om een concrete verdenking. Door medewerking te verlenen had eiser mogelijk de twijfels ten aanzien van zijn integriteit kunnen wegnemen.

3.8 De rechtbank concludeert dat verweerder bevoegd was om eiser disciplinair te straffen wegens het toerekenbaar niet meewerken aan het BI&V-onderzoek naar aanleiding van het incident dat plaatsvond op 8 mei 2008. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er geen redenen op grond waarvan gezegd zou kunnen worden dat verweerder in redelijkheid geen gebruik had mogen maken van de strafbevoegdheid. De rechtbank is tenslotte van oordeel dat tussen de opgelegde straf en het hierboven vastgestelde plichtsverzuim geen onevenredigheid bestaat.

3.9 Het beroep van eiser tegen de beslissing op bezwaar van 24 juli 2009 wordt ongegrond verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling ter zake van dit beroep.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaarschrift van 9 december 2008 niet-ontvankelijk;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 80,50;

- verklaart het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 24 juli 2009 ongegrond.

Aldus gegeven door mr. E. de Witt, rechter, in tegenwoordigheid van mr. P.R.M. Poiesz als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2010.

w.g. P.R.M. Poiesz

w.g. E. de Witt

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Centrale Raad van Beroep

Postbus 16002

3500 DA Utrecht

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.