Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2010:BL6154

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
21-01-2010
Datum publicatie
03-03-2010
Zaaknummer
AWB 09/2341 tot en met 09/2345
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank draagt inspecteur op om opnieuw uitspraak op bezwaar te doen in verband met schending voorschrift artikel 10.3 lid 3 Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2010/957 met annotatie van Jansen
FutD 2010-0636
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht, belastingkamer

procedurenummers: AWB 09/2341 tot en met 09/2345

uitspraak van de meervoudige kamer van 21 januari 2010 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[eiseres],

gevestigd te [vestigingsplaats],

eiseres,

gemachtigde [gemachtigde eiseres],

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Oost/kantoor Doetinchem,

verweerder,

gemachtigde [gemachtigde verweerder].

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres voor de jaren 2001, 2004, 2005 en 2006 aanslagen (aanslagnummers [nummers]) vennootschapsbelasting opgelegd. Tevens heeft verweerder eiseres voor het jaar 2003 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [nummer]) vennootschapsbelasting opgelegd.

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 3 november 2008 de belastingaanslagen over de jaren 2001 en 2003 tot en met 2005 gehandhaafd. Eiseres heeft daartegen bij brieven van 26 november 2008, ontvangen bij rechtbank Arnhem op 2 december 2008, beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 18 december 2008 de aanslag over het jaar 2006 gehandhaafd. Eiseres heeft daartegen bij brief van 23 december 2008, ontvangen bij rechtbank Arnhem op 24 december 2008, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en verweerschriften ingediend.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Na mededeling daarvan aan partijen heeft rechtbank Arnhem de beroepen op 18 september 2009 verwezen naar rechtbank Leeuwarden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2009 te Leeuwarden.

Namens eiseres zijn daar verschenen haar bestuurder, [bestuurder], en haar gemachtigde, [gemachtigde eiseres]. Namens verweerder zijn verschenen de gemachtigde, [gemachtigde verweerder], bijgestaan door [bijstand].

Partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan elkaar.

Verweerder heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij de pleitnota van eiseres gevoegde bijlagen. Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

Motivering

Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

1.1 De aanslag vennootschapsbelasting 2001 is door verweerder vastgesteld met dagtekening 31 augustus 2005.

1.2 In de brief van verweerder van 18 mei 2005, ondertekend door [gemachtigde verweerder], wordt aan eiseres meegedeeld dat het aangegeven belastbaar bedrag over 2001 zal worden gecorrigeerd. In deze brief staat onder andere het volgende vermeld:

"Onder verwijzing naar ons telefoongesprek van vanochtend bevestig ik u hierbij dat de aanslag vennootschapsbelasting 2001 van [eiseres] ter behoud van rechten zal worden opgelegd. Op verzoek van mevrouw [X] heb ik de aangifte gecorrigeerd met € 32.915. Achtergrond van de correctie is het lopende boekenonderzoek waarbij de in 2001 gestelde zetelverplaatsing nader wordt onderzocht."

1.3 De navorderingsaanslag vennootschapsbelasting 2003 en de aanslagen vennootschapsbelasting 2004, 2005 en 2006 zijn namens verweerder opgelegd door [gemachtigde verweerder].

1.4 Verweerder heeft in zijn brief van 17 april 2007 aan de gemachtigde van eiseres meegedeeld dat het bezwaar tegen de navorderingsaanslag vennootschapsbelasting 2003 zal worden behandeld door [Y].

1.5 Op 9 mei 2007 heeft een hoorzitting plaatsgevonden inzake de bezwaarschriften tegen de navorderingsaanslag 2003 en de aanslagen 2004 en 2005. Bij deze hoorzitting waren namens eiseres aanwezig [gemachtigde eiseres] en [A], namens verweerder waren aanwezig [Y] en [gemachtigde verweerder]. In het verslag van de hoorzitting is opgenomen dat eiseres schriftelijk en mondeling heeft verklaard er geen bezwaar tegen te hebben dat [gemachtigde verweerder] betrokken is bij de behandeling van de bezwaarschriften.

1.6 [Y] was met ingang van januari 2008 niet meer werkzaam bij de Belastingdienst.

1.7 Verweerder heeft op 3 november 2008 uitspraak op bezwaar gedaan op het bezwaarschrift tegen de aanslag vennootschapbelasting 2001. Deze uitspraak is ondertekend door [gemachtigde verweerder].

1.8 Verweerder heeft, eveneens op 3 november 2008, uitspraak op bezwaar gedaan op de bezwaarschriften tegen de navorderingsaanslag vennootschapsbelasting 2003 en de aanslagen vennootschapsbelasting 2004 en 2005. Deze in één geschrift vervatte uitspraken zijn ondertekend door [Z].

1.9 Verweerder heeft op 18 december 2008 uitspraak op bezwaar gedaan op het bezwaarschrift tegen de aanslag vennootschapsbelasting 2006. Deze uitspraak is ondertekend door [Z].

1.10 Alle bij punt 1.7 tot en met 1.9 genoemde uitspraken verwijzen voor de motivering naar een bijgevoegde notitie. Deze notitie is ondertekend door [Z] en [gemachtigde verweerder] en heeft geen dagtekening. Tussen partijen is niet in geschil dat deze notitie dateert van begin november 2008.

1.11 De bij punt 1.10 genoemde personen zijn kamergenoten en hebben over de zaken van eiseres werkafspraken gemaakt.

Geschil

2.1 In geschil is het antwoord op de vraag of de feitelijke leiding, en daarmee de fiscale vestigingsplaats, van eiseres zich in de periode van 7 december 2001 tot en met 31 december 2006 op [eiland] heeft bevonden.

2.2 Eiseres beantwoordt deze vraag bevestigend en verweerder ontkennend.

2.3 Ter zitting heeft eiseres zich nader op het standpunt gesteld dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het voorschrift van artikel 10:3, derde lid, Awb, omdat de aanslagen zijn vastgesteld door dezelfde ambtenaar die ook (mede) de uitspraken op bezwaar heeft gedaan. Als eiseres op dit punt door de rechtbank in het gelijk wordt gesteld, wil zij graag dat de rechtbank beslist om de zaken terug te wijzen naar verweerder om opnieuw op de bezwaarschriften te beslissen.

2.4 Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen en, op grond van het hiervoor bij punt 2.3 vermelde standpunt, tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar en terugverwijzing naar de inspecteur om opnieuw op de bezwaren te beslissen.

2.5 Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

2.6 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

Beoordeling van het geschil

3.1 De rechtbank zal om redenen van proceseconomie eerst oordelen over de vraag of, zoals door eiseres gemotiveerd is gesteld, artikel 10:3, derde lid, Awb is geschonden.

3.2 In zijn arrest van 8 februari 2002, nr. 36.234, BNB 2002/138, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat voormeld artikel ertoe strekt "te waarborgen dat ingeval een bevoegdheid niet door degene aan wie die bevoegdheid is geattribueerd, maar krachtens mandaat namens deze wordt uitgeoefend, in de bezwaarschriftprocedure een zorgvuldige heroverweging van het aldus genomen primaire besluit plaatsvindt (…). Deze strekking brengt mee dat ook ingeval degene aan wie een bevoegdheid is geattribueerd, de feitelijke uitoefening van die bevoegdheid (…) overlaat aan een ander, de heroverweging in de bezwaarschriftprocedure moet geschieden door een ander dan degene die in feite het primaire besluit heeft genomen. Het gaat hier om een essentieel voorschrift bij overtreding waarvan moet worden geoordeeld dat de beslissing op het bezwaarschrift onbevoegd is genomen."

3.3 De rechtbank zal op grond van het bij punt 3.2 vermelde arrest moeten beoordelen of in het onderhavige geval in de bezwaarfase sprake is geweest van een zorgvuldige heroverweging door een ander dan degene die het primaire besluit heeft genomen. De rechtbank meent dat van een dergelijke zorgvuldige heroverweging slechts kan worden gesproken als op het bezwaar wordt beslist door een persoon die niet eerder in bepalende mate betrokken is geweest bij het vaststellen van de hoogte van de aanslag.

3.4 Eiseres concludeert op basis van de hierboven weergegeven feiten dat geen sprake is geweest van een zorgvuldige heroverweging, omdat de hier in geschil zijnde belastingaanslagen in feite allemaal door [gemachtigde verweerder] zijn opgelegd en deze vervolgens tevens de uitspraken op bezwaar heeft gedaan, althans in overwegende mate inhoudelijk heeft bepaald. Verweerder heeft dit ter zitting betwist door te stellen dat de aanslag over het jaar 2001 niet door [gemachtigde verweerder] is vastgesteld, maar dat dit tijdens zijn vakantie door een collega is geschied. Daarnaast heeft verweerder ter zitting gesteld dat voor de jaren 2003 tot en met 2006 geen uitspraak op bezwaar is gedaan door [gemachtigde verweerder], maar dat dit is gedaan door [Z].

3.5 Met betrekking tot het vaststellen van de aanslag over 2001 overweegt de rechtbank als volgt. Gezien de inhoud en de ondertekening van de bij punt 1.2 vermelde brief acht de rechtbank aannemelijk dat [gemachtigde verweerder] in bepalende mate betrokken is geweest bij het vaststellen van de aanslag over het jaar 2001. Hieraan doet niet af verweerders stelling dat [gemachtigde verweerder] de uitvoering van het opleggen van de aanslag tijdens zijn vakantie heeft overgelaten aan een collega.

3.6 Met betrekking tot de jaren 2003 tot en met 2006 acht de rechtbank aannemelijk dat [gemachtigde verweerder] (mede) uitspraak op bezwaar heeft gedaan. Weliswaar zijn de uitspraken op bezwaar voor de jaren 2003 tot en met 2006 ondertekend door [Z], maar voor de motivering van die beslissingen wordt in de uitspraken verwezen naar een gezamenlijke notitie van [Z] en [gemachtigde verweerder]. De rechtbank betrekt daarbij tevens in haar overwegingen dat verweerder ter zitting heeft verklaard dat laatstgenoemde personen kamergenoten zijn en omtrent de zaken van eiseres werkafspraken hebben gemaakt. Op basis van deze feiten en omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden geconcludeerd dan dat [gemachtigde verweerder] in de bezwaarfase feitelijk een (mede)beslissende rol heeft vervuld.

3.7 De rechtbank kent geen betekenis toe aan het feit dat eiseres aanvankelijk heeft ingestemd - zie punt 1.5 - met de betrokkenheid van [gemachtigde verweerder] bij de behandeling van de bezwaarschriften. Naar eiseres ter zitting heeft toegelicht, ging zij met deze betrokkenheid akkoord in de veronderstelling dat de aangewezen behandelaar van de bezwaren, [Y], die niet eerder bij de zaak betrokken was geweest, uitspraak op bezwaar zou doen. Wegens uitdiensttreding van [Y] bij verweerder per 1 januari 2008 is dit feitelijk niet geschied en acht de rechtbank eiseres onder die omstandigheden niet aan haar aanvankelijke instemming gebonden.

3.8 De rechtbank kent eveneens geen betekenis toe aan de ter zitting gebleken omstandigheid dat de landelijke coördinatiegroep constructiebestrijding op enigerlei wijze betrokken is geweest bij de besluitvorming in de bezwaarfase. Nu van deze betrokkenheid niets blijkt uit de op de zaak betrekking hebbende stukken zoals deze door verweerder aan de rechtbank zijn toegezonden en hiervan evenmin is gebleken bij inzage in het dossier door eiseres, doet deze betrokkenheid van de landelijke coördinatiegroep niet af aan het bij overweging 3.6 vermelde oordeel dat [gemachtigde verweerder] een bepalende rol heeft gespeeld in de besluitvorming in de bezwaarfase.

3.9 Uit de overwegingen 3.5 tot en met 3.8 volgt dat [gemachtigde verweerder] alle hier in geschil zijnde aanslagen heeft vastgesteld en tevens (mede) op alle bezwaarschriften heeft beslist. Daarmee heeft naar het oordeel van de rechtbank de zorgvuldige heroverweging, zoals door de Hoge Raad blijkens het bij overweging 3.2 vermelde arrest vereist, in de bezwaarfase niet plaatsgevonden en dient te worden geoordeeld dat de beslissingen op de bezwaarschriften onbevoegd zijn genomen. Nu de beroepen reeds hierom gegrond zijn, behoeven de overige grieven geen behandeling meer.

3.10 Gelet op het voorgaande dienen de beroepen gegrond te worden verklaard en dient verweerder in alle onderhavige zaken opnieuw uitspraak op bezwaar te doen.

Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 966 (1 punt voor het indienen van de beroepschriften, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1,5, nu sprake is van meer dan vier samenhangende zaken).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- gelast de inspecteur opnieuw uitspraken op bezwaar te doen, voor welke uitspraken de rechtbank een termijn stelt van acht weken na dagtekening van deze uitspraken van de rechtbank;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 966;

- gelast dat verweerder de door eiseres betaalde griffierechten van 5 x € 297 = € 1.485 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. M. van den Bosch, voorzitter, dr. mr P. van der Wal en mr. J.W. Keuning, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Haanstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2010.

w.g. H.J. Haanstra

w.g. M. van den Bosch

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 1704, 8901 CA Leeuwarden.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.