Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2010:BL4876

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
19-02-2010
Datum publicatie
22-02-2010
Zaaknummer
10/45
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

duivenhok - lichte of reguliere bouwvergunning - aantasting uitzicht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

procedurenummer: AWB 10/45

uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 februari 2010 als bedoeld in artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

de [verzoekers],

allen wonende te [woonplaats],

verzoekers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Littenseradeel (hierna: het college),

verweerder,

gemachtigde: S. Mollema-de Jong, werkzaam bij de gemeente Littenseradeel.

Procesverloop

Bij besluit van 8 december 2009 heeft het college aan [de vergunninghouder] ontheffing als bedoeld in artikel 3:23 van de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro) van een voorschrift van het [bestemmingsplan] verleend voor het plaatsen van een duivenhok op [het perceel].

Bij besluit van 23 december 2008 heeft het college een lichte bouwvergunning verleend voor het duivenhok. Verzoekers hebben bij brief van 15 januari 2010 het college meegedeeld bezwaren te hebben tegen de aan [de vergunninghouder] verleende bouwvergunning en ontheffing. Tevens hebben verzoekers zich tot de voorzieningenrechter gewend met het verzoek om de bouwvergunning te schorsen.

Het verzoek is ter zitting behandeld op 5 februari 2010. Verzoekers zijn in persoon verschenen. Het college is verschenen bij zijn gemachtigde. Daarnaast is [de vergunninghouder], vergezeld door zijn echtgenote in persoon verschenen. Hij neemt op de voet van artikel 8:26 van de Awb als belanghebbende deel aan het geding

Motivering

Feiten

1.1 Op 3 augustus 2009 heeft [de vergunninghouder] een lichte bouwvergunning aangevraagd voor het plaatsen van een duivenhok op het perceel. Blijkens de bouwtekeningen is het duivenhok circa 9,50 meter lang en circa 2,50 meter breed en bedragen de goot- en nokhoogte circa 2,30 meter onderscheidenlijk circa 3,42 meter. (Schuin) tegenover dit perceel liggen gescheiden door een watergang van circa 12 meter breed de woonpercelen van verzoekers. De afstand tussen de woning van [de vergunninghouder] en die van verzoekers bedraagt circa 40 meter.

1.2 Het college heeft op 17 september 2009 in het huis-aan-huisblad "Nijs fan ‘e keatsebaen" bekendgemaakt dat het voornemens is voor het plaatsen van het duivenhok ontheffing te verlenen van het bestemmingsplan. Op 2 oktober 2009 hebben verzoekers ten aanzien van dit voornemen schriftelijk zienswijzen naar voren gebracht.

1.3 Bij brieven van 10 december 2009 heeft het college verzoekers bericht dat de door hun ingebrachte zienswijzen geen aanleiding geven om geen ontheffing te verlenen voor het duivenhok en dat daarom bij besluit van 8 december 2008 die ontheffing is verleend.

Bij besluit van 23 december 2008 heeft het college vervolgens de gevraagde bouwvergunning verleend. Bij brief van 15 januari 2010 hebben verzoekers het college meegedeeld dat zij bezwaar hebben tegen de verleende lichte bouwvergunning en ontheffing.

Bij brief van 31 januari 2010 heeft vergunninghouder het college meegedeeld dat het bouwplan waarvoor bouwvergunning is aangevraagd, wordt gewijzigd. De nokhoogte van de duivenhok zal 2,98 meter bedragen.

Het geschil

2.1 Verzoekers stellen zich op het standpunt dat voor het plaatsen van het duivenhok een reguliere bouwvergunning is vereist, omdat de hoogte van het duivenhok meer dan 3 meter bedraagt. Ook stellen verzoekers vraagtekens bij de door het college verrichte welstandtoets, in aanmerking genomen dat enkel getoetst is aan de sneltoetscriteria en geen veldonderzoek is verricht; het duivenhok is niet vanaf hun woonpercelen beoordeeld. Voorts kunnen verzoekers zich niet vinden in de verleende ontheffing. Daarbij wijzen zij erop dat in het bestemmingsplan duidelijk is aangegeven dat binnen 5 meter van de watergrens niet gebouwd kan worden en zij door plaatsing van het duivenhok op minder dan 5 meter van de watergang in hun woongenot worden aangetast en wel door verlies van uitzicht. Dit brengt tevens mee dat de waarde van hun woning zal dalen. Verder wijzen verzoekers erop dat hun woongenot tevens wordt aangetast door de op het perceel aanwezig schutting en walbeschoeiing. Voorts merken verzoekers op dat gelet op de grootte van het duivenhok geen sprake is van het hobbymatig houden van duiven. Tenslotte zijn verzoekers van mening dat de bouwaanvraag voor het duivenhok tegelijkertijd met de bouwaanvraag voor de op het perceel staande woning ingediend had moeten worden.

2.2 Het college stelt zich op het standpunt dat in redelijkheid ontheffing is verleend van het bestemmingsplan. Daarbij heeft het college in aanmerking genomen dat het voor het onderhouden van een watergang niet meer noodzakelijk is dat niet binnen een afstand van 5 meter van een watergang wordt gebouwd, het onderhoud geschiedt vanaf het water, en dat het uitzicht van verzoekers door plaatsing van het duivenhok binnen die 5 meter niet onevenredig wordt aangetast. Nu het bouwplan verder voldoet aan het bestemmingsplan en voldaan is aan redelijke eisen van welstand moet, aldus het college, de lichte bouwvergunning worden verleend.

Beoordeling van het verzoek

Met betrekking tot de ontvankelijkheid en het beoordelingskader van het verzoek

3.1 Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek overweegt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken van beletselen om verzoekers te kunnen ontvangen. Voorts is genoegzaam aangetoond dat verzoekers een spoedeisend belang hebben bij de gevraagde voorlopige voorziening.

3.2 Voor zover de beoordeling van het verzoek met zich brengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter. In dit verband merkt de voorzieningenrechter op dat voor beantwoording van de vraag of de gevraagde voorziening, gelet op de betrokken belangen toewijsbaar is, bepalend is of de lichte bouwvergunning en de verleende ontheffing, in bezwaar (in hoofdzaak) stand kunnen houden.

Met betrekking tot het omvang van het geding

3.3 Gelet op de in artikel 46, zesde lid, van de Woningwet voorgeschreven concentratie van rechtbescherming, staan in deze procedure de naar aanleiding van de bouwaanvraag genomen en bestreden besluiten, zijnde het besluit tot verlening van ontheffing en tot verlening van de bouwvergunning, ter beoordeling. Nu die besluiten enkel betrekking hebben op de bouw van een duivenhok op het perceel is de rechtmatigheid van de op het perceel aanwezige walbeschoeiing en schutting in dit geding niet aan de orde.

3.4 Hoewel de vraag gesteld kan worden of het college, gelet op het bepaalde in artikel 46, vierde lid, van de Woningwet, de beslissing op de bouwaanvraag in dit geval niet had moeten voorbereiden overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb, nu op die wijze het besluit tot ontheffing is voorbereid, ziet de voorzieningenrechter hierin geen grond om het verzoek toe te wijzen, omdat verzoekers hierdoor niet in hun belangen zijn geschaad. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat zij bezwaar hebben kunnen maken tegen dat besluit en dat in het kader van die bezwaarprocedure het ontheffingsbesluit in de heroverweging betrokken zal moeten worden.

De verleende ontheffing en bouwvergunning

3.5 De voorzieningenrechter stelt vast dat noch in de wet noch in enig andere rechtregel steun kan worden gevonden voor de opvatting van verzoekers dat voor de bouw van verschillende bouwwerken op een perceel een gezamenlijke aanvraag om bouwvergunning ingediend moet worden. De voorzieningenrechter vermag ook niet in te zien op welke wijze verzoekers hierdoor benadeeld worden, nu tegen elke beslissing op een bouwaanvraag belanghebbenden rechtsmiddelen kunnen aanwenden.

3.6 De voorzieningenrechter volgt verzoekers evenmin in hun standpunt dat voor de bouw van het duivenhok een reguliere bouwvergunning vereist is. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning. Artikel 43, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet bepaalt, voor zover van belang, dat in afwijking van artikel 40, eerste lid, geen bouwvergunning is vereist voor het bouwen dat bij algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als van beperkte betekenis. Deze algemene maatregel van bestuur betreft het Besluit bouwvergunningsvrije en licht bouwvergunningplichtige bouwwerken (Bblb).

Uit artikel 2, onder b, van het Bblb volgt dat geen bouwvergunning als bedoeld in artikel 40 van de Woningwet is vereist voor -voor zover hier van belang- het bouwen van een op de grond staand bijgebouw bij een bestaande woning, dat of die strekt tot vergroting van het woongenot, mits het bijgebouw voldoet aan de volgende kenmerken:

1°. gebouwd op:

a) het achtererf op meer dan 1 m van de weg of het openbaar groen, of

b) een niet naar de weg of het openbaar groen gekeerd zijerf op meer dan 1 m van het voorerf, en

c) indien de bruto-oppervlakte van het bijgebouw of de overkapping meer is dan 10 m2: meer dan 1 m van het naburige erf,

2°. niet hoger dan 3 m, gemeten vanaf het aansluitend terrein,

3°. zij- of achtererf door dat bouwen voor niet meer dan 50% bebouwd,

4°. de totale bruto-oppervlakte van de op het erf aanwezige bouwvergunningsvrij gebouwde bijgebouwen en overkappingen minder dan 30 m2, en

5°. niet gebouwd bij een woning of woongebouw als bedoeld in artikel 45, eerste lid, van de wet, bij een woonwagen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van de wet of bij een woning of woongebouw die of dat niet voor permanente bewoning is bestemd;

Tussen partijen is niet in geschil dat het duivenhok op minder dan 1 meter van het naburig erf is gesitueerd, zodat reeds om die reden een bouwvergunning is vereist.

Indien aan de in artikel, onder b, van de Bblb genoemde kenmerken niet is voldaan, is voor het bouwen van zo’n bijgebouw op grond van artikel 4 van het Bblb een lichte bouwvergunning vereist, mits:

1°. de hoogte, gemeten vanaf het aansluitend terrein, minder is dan 5 m, en

2°. de bruto-oppervlakte minder is dan 50 m2.

Vast staat dat het duivenhok voldoet aan de in artikel 4 van het Bblb genoemde kenmerken, zodat het college terecht heeft geconcludeerd dat voor het onderhavige bouwplan een lichte bouwvergunning is vereist.

3.7 Ingevolge artikel 44, tweede lid, van de Woningwet moet het college - voor zover hier van belang- een lichte bouwvergunning weigeren als het bouwplan niet voldoet aan het bestemmingsplan of de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld en aan de eisen van welstand.

3.8 Ter plaatse geldt het [bestemmingsplan] (hierna; het bestemmingsplan). Ingevolge dit bestemmingsplan rust op het perceel de bestemming Woondoeleinden. Gronden met deze bestemming zijn onder meer bestemd voor wonen. Ingevolge artikel 3, tweede lid, onder b, van de planvoorschriften gelden ten aanzien van ruimtelijk ondergeschikte gebouwen -voor zover hier van belang- de volgende bepalingen:

1. (…)

2. de goothoogte bedraagt ten hoogste 3 m, dan wel de bestaande hoogte indien deze meer is dan 3 m; in het laatste geval mag een uitbreiding van het ruimtelijk ondergeschikte gebouw dezelfde goothoogte hebben;

3. de bouwhoogte bedraagt ten hoogste 5 m, dan wel de bestaande hoogte indien deze meer is dan 5 m; in het laatste geval mag een uitbreiding van het ruimtelijk ondergeschikte gebouw dezelfde bouwhoogte hebben;

4. (…);

5. (…);

6. de afstand van een ruimtelijke ondergeschikt gebouw tot enige feitelijke grens van een watergang, bedraagt ten minste 5 m.

Vast staat dat het bouwplan op 1 meter afstand van een watergang ligt en in die zin niet voldoet aan de planvoorschriften. Het betoog van verzoekers dat het bouwplan tevens in strijd is met het bestemmingsplan, omdat op het perceel bedrijfsmatig duiven zullen worden gehouden, slaagt niet. [de vergunninghouder] heeft ter zitting verklaard dat hij hobbymatig duiven, circa 60 stuks, houdt. De voorzieningrechter ziet in de grootte van het duivenhok noch in het aantal duiven aanleiding om aan die verklaring te twijfelen. Ook anderszins zijn geen feiten en omstandigheden aangevoerd die steunen bieden aan voormeld betoog van verzoekers.

3.9 Ingevolge artikel 3.23 van de Wro kunnen burgemeester en wethouders ten behoeve van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen ontheffing verlenen van het bestemmingsplan. Bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Besluit Ruimtelijke Ordening. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een geval als bedoeld in artikel 4.1.1. van het Besluit ruimtelijke Ordening.

3.10 In aanmerking genomen dat het verlenen van de onderhavige ontheffing een discretionaire bevoegdheid betreft, waarbij het college een grote mate van beoordelings- en beleidsvrijheid toekomt, heeft de voorzieningenrechter in hetgeen verzoekers hebben aangevoerd geen grond gezien voor het oordeel dat het college in redelijkheid niet van deze ontheffingsbevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat verzoekers door het bouwplan niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. Als al geoordeeld kan worden dat plaatsing van het duivenhok op 1 meter in plaats van op 5 meter afstand van de watergang tot een wezenlijke verslechtering van het uitzicht vanuit de woningen en vanaf de woonpercelen van verzoekers zal leiden, kan in redelijkheid niet gezegd worden dat die verslechtering onaanvaardbaar moet worden geacht. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de afstand tussen de woningen van verzoekers en die van [de vergunninghouder] circa 40 meter bedraagt en tussen hun tuinen circa 12 meter afstand is gelegen, dat verzoekers overwegend uitzicht hebben op de kortste gevel van het bijgebouw, zijnde 2,50 meter meter breed en dat de nokhoogte, na wijziging van het bouwplan circa 3 meter bedraagt. Verder is bij dit oordeel betrokken dat in de bebouwde kom, anders dan in het landelijke buitengebied, niet snel sprake zal zijn van onaanvaardbare aantasting van het woongenot, nu in een dergelijke omgeving een zekere beperking van privacy en uitzicht moet worden aanvaard, aangezien de afstanden tussen bebouwing in zo’n omgeving in de regel betrekkelijk klein (kunnen) zijn. Voorts merkt voorzieningenrechter op dat het bestemmingsplan zonder meer bouwplannen toestaat die het uitzicht van verzoekers ook kunnen aantasten, welke aantasting zij dienen te aanvaarden. In dit verband wijst de voorzieningenrechter erop dat de bouwhoogte van ruimtelijke ondergeschikte gebouwen op 5 meter afstand van de watergang maximaal 5 meter kan bedragen. Mocht al niet geoordeeld worden dat die bouwplannen in gelijke mate het uitzicht aantasten als het vergunde bouwplan, dan is aantasting van het uitzicht tengevolge van het vergunde bouwplan ten opzichte van de aantasting die verzoekers kunnen ondervinden van bouwplannen die zonder ontheffing op grond van het bestemmingsplan zijn toegestaan, dusdanig beperkt te achten dat ook om die reden in redelijkheid niet gezegd kan worden dat hun uitzicht door het vergunde bouwplan onevenredig wordt aangetast.

3.11 Het betoog van verzoekers dat het college bij zijn besluitvorming geen rekening heeft gehouden met de door verzoekers gestelde omstandigheid dat de waarde van hun woningen door het bouwplan zal dalen, treft geen doel. Bij de beslissing op een ontheffingsverzoek dient het schade aspect buiten beschouwing gelaten te worden, nu de wetgever in artikel 6.1 van de Wro een aparte, uitputtende, regeling heeft getroffen voor de vergoeding van schade veroorzaakt door bepaalde op de Wro gebaseerde besluiten, waaronder het onderhavige ontheffingsbesluit. Beantwoording van de vraag of verzoekers schade zullen lijden, kan daarom in het midden blijven. Verzoekers kunnen op grond van dit artikel een verzoek om schadevergoeding bij het college indienen voor de schade die zij menen te hebben geleden door het onderhavige ontheffingsbesluit.

3.12 Voor wat betreft de vraag of het college, zoals verzoekers aanvoeren, de bouwvergunning had moeten weigeren, omdat het bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Omdat voor het bouwplan een lichte bouwvergunning is vereist, kon het college bij de welstandtoets in beginsel volstaan met toetsing aan de zogenaamde sneltoetscriteria. De omstandigheid dat aan de hand van tekeningen en foto’s getoetst is of aan die criteria is voldaan, biedt onvoldoende grond voor het oordeel dat die toetsing niet zorgvuldig is geweest. Ook anderszins hebben verzoekers geen feiten en omstandigheden aangevoerd die aanknopingspunten bieden voor dit oordeel. Verder is niet gesteld, noch heeft de voorzieningenrechter aanwijzingen gevonden voor het oordeel dat het bouwplan niet voldoet aan die sneltoetscriteria.

3.13 Nu niet in geschil is dat aan de overige vereisten van artikel 44 van de Woningwet is voldaan, heeft het college terecht de bouwvergunning verleend.

3:14 Uit het vorengaande volgt dat er geen reden is om aan te nemen dat de lichte bouwvergunning in bezwaar (in hoofdzaak) geen stand zal kunnen houden. Om die reden wordt het verzoek dan ook afgewezen.

3:15 De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig om een partij te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek af.

Aldus gegeven door mr. E. de Witt, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. B.M. van der Doef als griffier. De beslissing is op 19 februari 2010 in het openbaar uitgesproken.

w.g. E. de Witt

w.g. B.M. van der Doef

Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend.