Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2010:BL4460

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
16-02-2010
Datum publicatie
18-02-2010
Zaaknummer
98351 / KG RK 09-552
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 1033 Rv. Verzoek tot wraking van arbiters.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2010, 243
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rekestnummer: 98351 / KG RK 09-552

Beschikking van 16 februari 2010

in de zaak van

[A],

wonende te [woonplaats],

verzoeker tot wraking,

hierna te noemen: [A],

advocaat: mr. A.J. Boonstra, kantoorhoudende te Groningen,

1. De procedure

1.1. Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van deze rechtbank op 24 juli 2009, heeft [A] de voorzieningenrechter verzocht de wraking van de arbiters - zoals vermeld in het verzoekschrift - gegrond te verklaren, kosten rechtens.

1.2. De mondelinge behandeling van het verzoekschrift heeft plaatsgevonden op 27 november 2009. [A] is daarbij verschenen, bijgestaan door zijn raadsman mr. Boonstra voornoemd. De wederpartij in de arbitrale procedure, [B] (hierna te noemen: [B]), is eveneens verschenen, bijgestaan door zijn raadsman mr. G.J. Niezink, advocaat te Groningen. Namens de gewraakte arbiters is verschenen [arbiter 1].

1.3. Ter zitting heeft de advocaat van [A] het standpunt van zijn cliënt mede aan de hand van pleitnotities toegelicht. Ook [B] en [arbiter 1] hebben hun standpunt omtrent het wrakingsverzoek ter zitting kenbaar gemaakt.

1.4. Vervolgens is beschikking gevraagd, welke (nader) is bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

In deze procedure zal van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan.

2.1. [A] en [B] zijn broers. Vanaf 1972 hebben zij samen een akkerbouwbedrijf geëxploiteerd. Hiertoe hebben zij een samenwerkingsovereenkomst gesloten, waarbij zij een vennootschap onder firma zijn aangegaan. [A] heeft de vennootschap in 1996 opgezegd.

2.2. Sinds 1997 trachten [A] en [B] te komen tot een splitsing van het vennootschapsvermogen. Over de wijze van splitsing is tussen hen een geschil gerezen. Sinds 1 mei 2001 exploiteren [A] en [B] ieder afzonderlijk een landbouwbedrijf.

2.3. Artikel 16 van de samenwerkingsovereenkomst bepaalt:

Alle geschillen, ook die slechts door één van partijen als zodanig worden beschouwd, zowel feitelijk als juridisch, welke in het vervolg met betrekking tot de uitleg van bepalingen dezer akte, of ter zake van de firma in het algemeen tussen de vennoten mochten opkomen, zullen alleen en uitsluitend in het hoogste ressort worden beslist door drie scheidsmannen, overeenkomstig het bepaalde in artikel 624 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering te benoemen. De wijze van behandeling van het geschil zal door de scheidsmannen bij akte worden geregeld, terwijl deze akte als akte van compromis zal gelden.

2.4. Bij beschikking van 26 september 2005 heeft deze rechtbank in het tussen partijen bestaande geschil als arbiters benoemd de heren [arbiter 1], [arbiter 2] en [arbiter 3]. In verband met langdurige ziekte is de heer [arbiter 3] door partijen gezamenlijk van zijn opdracht ontheven. Bij afzonderlijke tussen partijen tot stand gekomen akte van compromis is de heer [arbiter 4] als vervanger van arbiter [arbiter 3] benoemd.

2.5. Na een arbitraal tussenvonnis d.d. 6 februari 2007 heeft op 13 maart 2007 een mondelinge behandeling ten overstaan van de arbiters plaatsgevonden. In het daarvan opgemaakte proces-verbaal staat onder meer vermeld:

"Gebleken is dat partijen tezamen met hun broer, de heer [C], de zaterdag voorafgaande aan de mondelinge behandeling een constructief gesprek hebben gevoerd waarbij ook de verdeling van de gronden aan de orde is gekomen. In vervolg op dit gesprek stelt de heer [B] voor de juridische standpunten vooralsnog niet te behandelen en na te gaan of een minnelijke regeling tot de mogelijkheden behoort. De heer [B] stelt in dat kader voor de gronden toe te delen overeenkomstig het feitelijk gebruik daarvan. De heer [A] kan zich in een verdeling naar het feitelijk gebruik vinden indien vervolgens financieel tussen partijen wordt afgerekend in verband met de overbedeling van eigendom, danwel overbedeling van pacht. Ter zitting is vast komen te staan dat de volgende gronden thans feitelijk gebruikt worden door de volgende persoon:

Eigendom vennootschap

Plaatsnaam Kadastraal nummer Grootte Feitelijk gebruiker

[woonplaats] EE, K 493 5.73.70 [B]

[woonplaats] Nes, C 325 0.86.70 [A]

[woonplaats] Nes, C 1170 4.22.95 [A]

[woonplaats] Nes, C 1174 1.56.30 [A]

[woonplaats] Burum, A 1459 6.50.82 [A]

[woonplaats] Nes, C 1173 1.74.60 [A]

[woonplaats] Nes, C 348 1.75.40 [A]

[woonplaats] Nes, C 210 0.70.20 [A]

[woonplaats] Nes, C 120 1.87.70 [A]

[woonplaats] Nes, C 123 2.44.40 [A]

[woonplaats] Nes, C 124 1.37.40 [A]

Pacht ([naam])

Plaatsnaam Kadastraal nummer Grootte Feitelijk gebruiker

[woonplaats] 26.24.30 [B]

Pacht (kerk)

Plaatsnaam Kadastraal nummer Grootte Feitelijk gebruiker

[woonplaats] 4.06.29 [B]

Nalatenschap

Plaatsnaam Kadastraal nummer Grootte Feitelijk gebruiker

[woonplaats] Burum, A 1467 [A]

[woonplaats] Burum, B 397 [A]

[woonplaats] Burum, B 823 [A]

[woonplaats] Nes, C 208 [A]

[woonplaats] Nes, C 336 [B]

[woonplaats] Nes, C 398 [B]

[woonplaats] Nes, C 1171 [B]

[woonplaats] Nes, C 1172 [A]

(…)

De verdeling van het gebruik en de eigendom zal leiden tot vergoeding over en weer. Partijen verzoeken arbiters daartoe de percelen en het gebruik te taxeren. Partijen spreken beiden uit dat deze taxatie tussen hen bindend zal zijn.

Namens de heer [A] wijst mr. Boonstra in dat kader nog op de juridische aspecten van de taxatie, waarbij hij verwijst naar het "model" in zijn conclusie van antwoord, tevens akte houdende twee excepties, een uitspraak van de Hoge Raad alsmede mr. Heisterkamp, Tekstuitgave Pachtwet, artikel 56c, nr. 566y, pagina 652c (bovenaan), noot 1.

(…)

Ten aanzien van het vervolg van de procedure is het volgende overeengekomen:

- De heer [arbiter 2] zal namens het Scheidsgerecht overgaan tot taxatie van de gronden en het gebruik ingevolge de pachtovereenkomsten;

- Arbiters wijzen een tussenvonnis waarbij de besproken minnelijke regeling en de in dat kader uitgebrachte taxatie tot uitgangspunt worden genomen en de overbedeling van eigendom danwel de overbedeling van gebruik vervolgens financieel worden uitgewerkt;

- De heer [B] zal in de gelegenheid worden gesteld bij akte te reageren op het tussenvonnis. Bij dezelfde akte zal hij zijn vordering in conventie nader uitwerken wat betreft de in het voorgaande omschreven restpunten;

- De heer [A] zal in de gelegenheid worden gesteld zich nader uit te laten over het tussenvonnis en hetgeen de heer [B] in conventie nog heeft aangevoerd. Bij dezelfde akte zal hij zijn vorderingen in reconventie nog nader uitwerken;

(…)

2.6. Bij brief aan de arbiters van 27 april 2007 heeft mr. Boonstra namens [A] - in reactie op voormeld proces-verbaal - onder meer het volgende medegedeeld:

"Ter zitting is mijnerzijds voorts aangegeven, dat cliënt met een verdeling instemt overeenkomstig het gebruik zoals dat nu is. Echter hierbij is nadrukkelijk vermeld, dat er daarbij vanuit gegaan wordt dat voor de pachtrechten een vergoeding bepaald wordt overeenkomstig het model weergegeven in de memorie van antwoord. Indien de waarde van de pachtrechten op nihil of op een gering bedrag wordt gesteld, dan wil mijn cliënt dus ook bij helfte delen in de goedkope pachtgronden, zo is ter zitting gesteld. In dat geval stemt mijn cliënt dus niet in met een verdeling overeenkomstig het huidige gebruik."

2.7. Bij brief van 17 januari 2008 heeft de secretaris van het scheidsgerecht het door arbiter [arbiter 2] opgestelde concept-taxatierapport aan [A] en [B] toegezonden. Bij faxberichten van zijn raadsman van 4 en 28 februari 2008 alsmede bij brief van 13 februari 2008, heeft [A] op het concept-rapport gereageerd. Vervolgens heeft [B] gereageerd bij faxbericht van zijn raadsman d.d. 29 februari 2008. Hierop is weer gereageerd door de raadsman van [A] bij faxbericht d.d. 5 maart 2008.

2.8. Op 7 augustus 2008 heeft wederom een mondelinge behandeling ten overstaan van de arbiters plaatsgevonden. In het daarvan opgemaakte proces-verbaal staat onder meer vermeld:

"(…)

2.3. Arbiters zijn op voorhand van mening dat - indien partijen het niet eens kunnen worden over een verdeling van de gronden - een verdeling overeenkomstig huidig feitelijk gebruik ervan in de rede ligt en vervolgens financieel tussen partijen dient te worden afgerekend, in verband met de overbedeling van eigendom, dan wel overbedeling van pacht.

(…)

10.2. Ten aanzien van het vervolg van de procedure is het volgende overeengekomen:

(…)

- De heer L. [arbiter 2] zal een nieuw taxatierapport opstellen dat aan partijen wordt toegezonden.

- Partijen worden in de gelegenheid gesteld zich binnen vier weken na verzending van het taxatierapport over het concept-rapport uit te laten.

- Arbiters zullen overgaan tot het wijzen van een eindvonnis. "

2.9. Arbiter [arbiter 2] heeft vervolgens een nieuw concept-taxatierapport opgesteld, gedateerd 2 maart 2009.

2.10. Bij arbitraal tussenvonnis van 26 maart 2009 hebben de arbiters onder meer overwogen:

"11.1. Gelet op het bepaalde in artikel 3:185 lid 1 BW kan het scheidsgerecht de verdeling van het vennootschapsvermogen, aangezien de deelgenoten over deze verdeling niet tot overeenstemming kunnen komen, zelf vaststellen, rekening houdend naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang.

11.2. Het scheidsgerecht is van oordeel dat, gelet op al hetgeen partijen ter zake van de verdeling van (het gebruik van) onroerende zaken naar voren hebben gebracht, de op de voet van art. 3:185 lid 1 BW vast te stellen verdeling er op neer dient te komen, dat elk van partijen die gronden in gebruik kan behouden die hij ook voorafgaand aan de verdeling reeds feitelijk in gebruik had.

11.3. Voorts is het scheidsgerecht van oordeel dat een situatie moet worden vermeden waarin de ene partij weliswaar een perceel in gebruik krijgt toegedeeld, maar de andere partij eigenaar van dat perceel wordt.

11.4. De toedeling van percelen zal plaatsvinden op basis van het geactualiseerde taxatierapport van de heer L. [arbiter 2], dat aan dit vonnis is gehecht. (…) Naar aanleiding van hetgeen [A] bij Akte van 21 augustus 2008 naar voren heeft gebracht over de grondslag van de waardering van de eigendomsgronden van de vennootschap, overweegt het scheidsgerecht dat er in geval van verdeling van percelen als de onderhavige - niet zijnde de voortzetting van een bedrijf van een ouder door een kind als kennelijk door [A] bedoeld - geen aanleiding bestaat om de waarde op een lager bedrag dan de waarde in vrije staat vast te stellen. Het actualiseren van het taxatierapport was noodzakelijk, aangezien bij de verdeling van het vermogen van een vennootschap tot dat vermogen behorende goederen volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad in beginsel dienen te worden toegedeeld tegen de waarde ten tijde van de verdeling. Van de hoofdregel dient blijkens bedoelde vaste rechtspraak slechts te worden afgeweken indien partijen een andere peildatum zijn overeengekomen, dan wel op grond van redelijkheid en billijkheid een andere datum moet gelden. (…) Dat in dit geval tot het maken van een uitzondering op de hoofdregel aanleiding bestaat, is het scheidsgerecht niet gebleken. Elk van partijen wordt in de gelegenheid gesteld om zich uiterlijk 15 juni 2009 bij akte naar aanleiding van dit taxatierapport uit te laten.

11.5. Naar aanleiding van de van oktober 2007 daterende taxatie van de heer [arbiter 2] heeft [A] bij brief van zijn raadsman van 4 februari 2008 opgemerkt dat ter zitting van 13 maart 2007 zou zijn afgesproken dat alle gronden - zowel de gronden in eigendom als de gronden in pacht - getaxeerd dienen te worden, bij voorkeur perceelsgewijs, terwijl een taxatie van gebouwen zou ontbreken. Het scheidsgerecht gaat aan deze opmerkingen voorbij. Hetgeen ter zitting van 13 maart 2007 aan de orde is geweest, is vastgelegd in het proces-verbaal van 13 april 2007. Blijkens het proces-verbaal is ter zitting noch gesproken over een perceelsgewijze taxatie, noch over een taxatie van gebouwen. Het scheidsgerecht wijst er in dit verband op, dat [A] bij brief van zijn raadsman van 27 april 2007 op het proces-verbaal heeft gereageerd, en dat de bij brief van 4 februari 2008 gemaakte opmerkingen in zijn brief van 27 april 2007 niet voorkomen.

12. De verdeling van de eigendom van de onroerende zaken die partijen blijkens de in het tussenvonnis van 6 februari 2007 bedoelde samenwerkingsovereenkomst in de vennootschap onder firma hebben ingebracht.

12.1. Hetgeen werd overwogen in de overwegingen 11.2. en 11.3. impliceert dat de eigendom van de gronden waarvan de vennootschap voorafgaand aan de verdeling eigenaar was, wordt toegedeeld aan de feitelijk gebruiker. Dit betekent dat - tegen vergoeding van overwaarde als bedoeld in art. 3:185 lid 2 onder b BW - aan [B] wordt toegedeeld de eigendom van het perceel kadastraal bekend (…), terwijl aan [A] wordt toegedeeld de eigendom van de percelen kadastraal bekend (…).

13. De verdeling van de pachtrechten die partijen blijkens de samenwerkingsovereenkomst in de vennootschap hebben ingebracht.

13.1. Hetgeen in de overwegingen 11.2. en 11.3. werd overwogen impliceert voorts dat - eveneens tegen vergoeding van overwaarde als bedoeld in art. 3:185 lid 2 onder b BW - aan [B] wordt toegedeeld het gebruik van de percelen kadastraal bekend (…), terwijl aan [A] wordt toegedeeld het gebruik van de percelen, kadastraal bekend (…).

13.2. Dit betekent dat [B] na het effectueren van deze toedeling in pacht heeft een oppervlakte van in totaal 35.17.34 ha, en [A] 17.89.88 ha.

(…)

BESLISSING

Het scheidsgerecht, conform het bepaalde in art. 1054 Rv beslissend naar de regelen des rechts,

1. bepaalt dat beide partijen zich uiterlijk 15 juni 2009 kunnen uitlaten over het aan dit vonnis heechte geactualiseerde taxatierapport van de heer [arbiter 2], als bedoeld in de overwegingen 11.4 en 15.5.;

(…)

2.11. Bij memorie van 29 juni 2009 heeft [A] te kennen gegeven dat hij de arbiters wraakt en hen verzocht om zich als arbiter terug te trekken, met schorsing van het geding. In reactie hierop hebben de arbiters bij brief van 10 juli 2009 aan de raadsman van [A] medegedeeld dat zij niet in het wrakingsverzoek berusten.

3. De gronden van het wrakingsverzoek

3.1. [A] legt aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag dat de opdracht aan arbiter [arbiter 2] was om de landerijen te taxeren naar de waarde in vrije staat. Hierbij is geen uitzondering gemaakt voor de landerijen in pacht; ook deze dienden in vrije staat gewaardeerd te worden. Zijdens [A] is met de taxatie ingestemd, met als achterliggende gedachte dat de waardebepaling in vrije staat nodig is voor de uitwerking van zijn verdelingsmodel, zoals weergegeven in de memorie van antwoord. In een later stadium van de procedure bij de arbiters heeft [A] zich ook herhaaldelijk verzet tegen een verdeling op basis van de eigendom naar de waarde in vrije staat, in geval daarbij niet tevens het bij memorie van antwoord voorgestelde verdelingsmodel wordt gevolgd. Indien de in pacht zijnde landerijen niet voor een aanmerkelijke waarde in het verdelingsmodel worden opgenomen, wenst [A] de helft van de landerijen in pacht toegescheiden te krijgen.

3.2. Arbiter [arbiter 2] heeft in zijn taxatierapport reeds een uitspraak gedaan over de toedeling en deze vastgelegd, terwijl over de grondslagen van de verdeling nog niet is geoordeeld. Hierdoor leeft bij [A] de vrees dat bij arbiters sprake is van een gebrek aan onpartijdigheid en onafhankelijkheid. Voorts heeft [A] in de processtukken diverse varianten van toedeling aan de orde gesteld, die door [arbiter 2] niet worden gevolgd. Een en ander betekent volgens [A] dat de arbiter zich buiten zijn taxatieopdracht heeft begeven. Ook is [A] niet in de gelegenheid gesteld om te reageren op het concept taxatierapport, alvorens het tweede arbitrale vonnis is gewezen. Het voorgaande klemt te meer, nu in het laatste arbitrale vonnis de feitelijke verdeling zoals in het toedelingsoverzicht van arbiter [arbiter 2] is opgenomen, zonder meer is overgenomen, zonder in te gaan op de door [A] voorgestelde verdelingsmodellen. De vrees voor een gebrek aan onpartijdigheid en onafhankelijkheid betreft daarom niet alleen arbiter [arbiter 2], maar ook arbiters [arbiter 1] en [arbiter 4], aldus [A].

4. Het standpunt van [B]

4.1. [B] voert aan dat al in het eerste concept-rapport van arbiter [arbiter 2] overwegingen zijn gewijd aan de bij de vennootschap in gebruik zijnde pachtgronden. Beide partijen hebben zich uitvoerig over dit concept-rapport kunnen uitlaten en bezwaren zoals die thans in de wrakingsmemorie door [A] zijn verwoord, zijn toen door [A] niet naar voren gebracht. De huidige bezwaren van [A] zijn daarmee tardief. Klaarblijkelijk heeft [A] inhoudelijke bezwaren tegen het tweede arbitrale vonnis, waarin een aantal beslissingen zijn genomen en wil hij die beslissingen nu aantasten. Daarvoor is wraking van de arbiters evenwel niet de aangewezen weg. Beslissingen van de arbiters die [A] niet welgevallig zijn, betekenen niet dat er sprake is van een gebrek aan onpartijdigheid en onafhankelijkheid bij de arbiters.

4.2. [B] stelt verder dat arbiter [arbiter 2] geen uitspraken heeft gedaan over de toedeling van de landerijen. [arbiter 2] heeft concept-rapporten opgesteld, waarop partijen (hebben) kunnen reageren. Vervolgens hebben de arbiters de verdeling van de landerijen vastgelegd in het tweede arbitrale vonnis. Gelet op de specifieke deskundigheid van arbiter [arbiter 2] mocht hij een beoordeling geven van de waarde van de te verdelen landerijen en een pachtwaarde toekennen. De toedeling komt bovendien overeen met de feitelijke verdeling van het landbouwareaal, zoals [A] en [B] die zelf jaren geleden hebben gemaakt bij de beëindiging van hun samenwerking. Het is logisch dat bij de feitelijke verdeling daarbij aansluiting wordt gezocht en dat heeft niets te maken met een gebrek aan onpartijdigheid of onafhankelijkheid bij de arbiters, aldus [B]. Wél heeft [A] er volgens [B] terecht op gewezen dat partijen niet in de gelegenheid zijn gesteld om hun opmerkingen te maken omtrent het laatste concept-taxatierapport, alvorens het tweede arbitrale tussenvonnis werd gewezen. Dit levert evenwel geen grond voor wraking op. Het tweede concept-taxatierapport is inhoudelijk gelijk aan het eerste, maar de genoemde waarden zijn geactualiseerd. Arbiters kunnen [B] alsnog in de gelegenheid stellen om zijn commentaar op het tweede rapport te geven, waarna het tweede arbitrale tussenvonnis zo nodig kan worden gecorrigeerd.

5. Het standpunt van de arbiters

5.1. Tijdens de mondelinge behandeling op 13 maart 2007 is afgesproken dat arbiter [arbiter 2] een taxatie zou verrichten. Uitgangspunt daarbij was het voorstel van [B] om de percelen grond toe te delen overeenkomstig het feitelijk gebruik. [A] kon zich in dit voorstel vinden, mits er financieel tussen partijen zou worden afgerekend in verband met de overbedeling van eigendom, dan wel overbedeling van pacht. Vervolgens is in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling opgenomen dat "de percelen" en "het gebruik" zouden worden getaxeerd. Met "de percelen" is gedoeld op het bepalen van de vrije waarde van de percelen die de vennootschap in eigendom had. Met taxatie van "het gebruik" is gedoeld op het bepalen van de waarde voor de vennootschap van de met derden gesloten pachtovereenkomsten. Taxatie van de vrije waarde van de door derden verpachte percelen kan niet bijdragen aan de verdeling van het vennootschapsvermogen, omdat de vrije waarde van deze percelen niet in het vermogen van de vennootschap valt, maar - na het pachtvrij worden - in het vermogen van de eigenaar/verpachter.

5.2. De arbiters hebben tijdens de mondelinge behandeling van 7 augustus 2008 al kenbaar gemaakt dat zij op voorhand van mening waren dat een verdeling conform het feitelijk gebruik in de rede lag en dat vervolgens tussen partijen financieel diende te worden afgerekend, in verband met overbedeling van eigendom of pacht. Tegen die achtergrond valt volgens de arbiters niet in te zien hoe uit het vervolgens hanteren van dit uitgangspunt in de tweede taxatie zou kunnen worden afgeleid dat sprake is van een gebrek aan onpartijdigheid of onafhankelijkheid bij arbiter [arbiter 2] en - in het verlengde hiervan - bij de andere twee arbiters die het op dit uitgangspunt gebaseerde tweede arbitrale tussenvonnis hebben gewezen. Voorts betekent het feit dat arbiter [arbiter 2] de door [A] voorgestelde verdelingsvarianten niet heeft gevolgd, niet dat hij zich buiten zijn opdracht heeft begeven.

5.3. Partijen hebben op grond van het arbitrale tussenvonnis van 26 mei 2009 de gelegenheid om zich nog uit te laten over het tweede concept-rapport van arbiter [arbiter 2]. Hiermee wordt voorkomen dat partijen bij eindvonnis zouden worden geconfronteerd met een verrassingsbeslissing, waaraan een herzien taxatierapport zou zijn gehecht waarover partijen zich niet van tevoren hebben kunnen uitlaten, aldus de arbiters.

5.4. Indien de arbiters in het tweede arbitrale tussenvonnis het door hen gekozen verdelingsmodel onvoldoende zouden hebben gemotiveerd, kan dat geen grond opleveren voor wraking van de arbiters.

6. De beoordeling

6.1. De voorzieningenrechter stelt het volgende voorop. Tot de ook in een arbitrageprocedure geldende beginselen van een goede procesorde behoort dat arbiters onpartijdig en onafhankelijk dienen te zijn. Ingevolge artikel 1033 lid 1 Rv kan een arbiter worden gewraakt indien gerechtvaardigde twijfel bestaat aan zijn onpartijdigheid of onafhankelijkheid. Bij de beoordeling of voldoende aanleiding bestaat tot wraking, valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn van partijdigheid (zie HR 18 februari 1994, NJ 1994, 765). Voorts heeft te gelden dat arbiters zich in beginsel zullen moeten onthouden van bewijsgaring, in die zin dat zij niet zelf, buiten partijen om, bewijs mogen verzamelen (zie HR 18 december 1987, NJ 1988, 679). Arbiters behoren het in beginsel aan partijen over te laten om bewijs aan te dragen en zich te beperken tot beoordeling van het geleverde bewijs. Als arbiters juist zijn benoemd met het oog op hun specifieke deskundigheid, dan ligt het voor de hand dat een separaat deskundigenbericht in vele gevallen overbodig is, omdat arbiters zich zelfstandig een oordeel kunnen vormen. Arbiters zullen dat niet altijd kunnen doen zonder zelf onderzoek te verrichten. Daartoe mogen zij overgaan als partijen op niet voor misverstand vatbare wijze ermee hebben ingestemd dat arbiters hun beoordeling mede baseren op hetgeen zij door eigen onderzoek hebben vastgesteld. Dit onderzoek moet in overeenstemming zijn met de onpartijdigheid van de arbiters, de gelijkheid van partijen en de fundamentele beginselen van procesrecht, zoals onder meer voorgeschreven in artikel 1039 lid 1 Rv. Arbiters die in het kader van de bewijsvoering zelfstandig onderzoek verrichten en in zoverre tevens als deskundigen optreden, moeten vooraf zo nauwkeurig mogelijk aan partijen kenbaar moeten maken hoe zij te werk willen gaan en partijen daarin willen betrekken, waarbij arbiters strikt de hand moeten houden aan de naleving van het beginsel van hoor en wederhoor en in het bijzonder, als daarom wordt verzocht, de reële mogelijkheid moeten geven de resultaten van hun onderzoek ter discussie te stellen (zie HR 29 juni 2007, NJ 2008, 177).

6.2. De voorzieningenrechter stelt vast dat in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 7 augustus 2008 het voorlopig oordeel van de arbiters is vastgelegd dat een verdeling van de landerijen overeenkomstig het feitelijk gebruik daarvan in de rede ligt en dat vervolgens dient te worden afgerekend tussen partijen, op basis van overbedeling van eigendom dan wel overbedeling van pacht. Het voorlopig oordeel van de arbiters is overgenomen in het arbitrale tussenvonnis van 26 maart 2009. [A] en [B] zullen blijkens dit vonnis de landerijen toegedeeld krijgen die zij voorafgaand aan de verdeling reeds feitelijk in gebruik hadden. Deze beslissing omtrent de toedeling wijkt af van de door [A] voor de verdeling van de landerijen gedane voorstellen, die erop neerkomen dat toedeling overeenkomstig het feitelijk gebruik akkoord is, mits voor de pachtrechten een vergoeding wordt betaald overeenkomstig het model zoals weergegeven in de memorie van antwoord van [A]. Het enkele feit dat de arbiters aldus een inhoudelijke beslissing hebben genomen die [A] onwelgevallig is - omdat de arbiters diens zienswijze niet

delen - betekent echter niet dat de arbiters niet onafhankelijk of niet onpartijdig zijn. Bezwaren van [A] tegen een inhoudelijke beslissing van arbiters kunnen geen onderwerp zijn van een wrakingsprocedure.

6.3. [A] kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet worden gevolgd in zijn stelling dat arbiter [arbiter 2] in zijn taxatierapport reeds een uitspraak over de toedeling heeft gedaan en vastgelegd, terwijl over de grondslagen van de verdeling nog niet is geoordeeld. Ook deze wrakingsgrond faalt dus. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Zoals hiervoor reeds is overwogen, hebben de arbiters in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 7 augustus 2008 hun voorlopig oordeel omtrent de toedeling van de landerijen overeenkomstig het feitelijk gebruik vermeld. Daarmee hebben de arbiters zich dus al (voorlopig) uitgesproken over de grondslag van de toedeling. Naar aanleiding van en conform dit voorlopig oordeel van alle arbiters heeft arbiter [arbiter 2] vervolgens een financiële opstelling gemaakt van de landerijen die bij [A] respectievelijk [B] feitelijk in gebruik zijn en deze landerijen gewaardeerd. Anders dan [A] kennelijk meent, heeft arbiter [arbiter 2] in zijn taxatie dus niet een voorschot genomen op een oordeel van de gezamenlijke arbiters omtrent de toedeling van de percelen en heeft hij zich niet begeven buiten de taxatieopdracht. Uit een en ander kan dan ook niet worden afgeleid dat sprake is van een gebrek aan onpartijdigheid en onafhankelijkheid bij de arbiters.

6.4. [A] beklaagt zich er voorts over dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om te reageren op het concept-taxatierapport van arbiter [arbiter 2], hetgeen te meer zou klemmen, aldus [A], nu in het arbitrale tussenvonnis van 26 maart 2009 het verdelingsvoorstel van arbiter [arbiter 2] is overgenomen, zonder in te gaan op de door [A] voorgestelde verdelingsmodellen. De voorzieningenrechter oordeelt dat ook deze wrakingsgrond faalt. Zoals hiervoor al is geoordeeld, het taxatierapport van arbiter [arbiter 2] volgt in de daarin genoemde toedeling van de landerijen slechts het eerder gegeven voorlopig oordeel van de arbiters omtrent de toedeling en bevat dus geen zelfstandige beslissing strekkende tot toedeling van de landerijen. De discussie omtrent de toedeling van de landerijen is met het arbitrale tussenvonnis van 26 maart 2009 geëindigd. Hetgeen dan nog slechts voorligt, is de waardering van de toe te delen landerijen. Deze waardering wordt in het onderhavige geval bepaald door een deskundigenonderzoek verricht door één der arbiters. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is in dat verband tot dusverre in overeenstemming gehandeld met de eisen van een goede procesorde. [A] en [B] zijn naar aanleiding van het eerste concept-taxatierapport immers in de gelegenheid gesteld om hun standpunt daaromtrent kenbaar te maken, hetgeen zij ook hebben gedaan. Vervolgens heeft deskundige/arbiter [arbiter 2] zijn eerste concept-taxatierapport geactualiseerd, hetgeen geleid heeft tot het tweede concept-taxatierapport. Het is daarover dat partijen bij het arbitrale tussenvonnis van 26 maart 2009 in de gelegenheid zijn gesteld om zich nog nader uit te laten. In dit tussenvonnis is over de waardering van de landerijen nog geen beslissing genomen. [A] kan zijn bezwaren tegen de in het tweede concept-taxatierapport genoemde waarden dus nog steeds naar voren brengen.

6.5. Nu de door [A] aangedragen wrakingsgronden falen, dient het verzoek tot wraking van de arbiters ongegrond te worden verklaard.

6.6. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het uitspreken van een kostenveroordeling.

7. De beslissing

De voorzieningenrechter:

verklaart het verzoek tot wraking van de arbiters ongegrond.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.M. Telman en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. Postma op 16 februari 2010.?

fn 343