Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2010:BL4048

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
16-02-2010
Datum publicatie
17-02-2010
Zaaknummer
17/880052-09 VEV
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overval coffeeshop, overval juwelierszaak.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 317
Wetboek van Strafrecht 312
Wetboek van Strafrecht 311
Wetboek van Strafrecht 310
Wetboek van Strafrecht 63
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 43b
Wetboek van Strafrecht 43a
Wetboek van Strafrecht 36f
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector straf

parketnummer 17/880052-09 VEV

verkort vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 16 februari 2010 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in P.I. Midden Holland, HvB De Geniepoort te Alphen aan den Rijn.

De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 2 februari 2010.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. S. Urcun, advocaat te Rotterdam.

Telastelegging

De telastelegging is overeenkomstig het bepaalde in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering nader omschreven als weergegeven in de schriftelijke vordering.

Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie daarvan is aan dit vonnis gehecht en de inhoud daarvan moet geacht worden hier te zijn overgenomen.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- veroordeling voor het onder 1., 2., 3. en 4. telastegelegde;

- oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren;

- hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] tot een bedrag van € 10.321,80, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

- hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] tot een bedrag van € 5.155,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

- hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] tot een bedrag van € 1.500,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

- hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] tot een bedrag van € 1.500,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Bewijsoverweging

De raadsman heeft ten aanzien van het onder 1. en 2. telastegelegde vrijspraak bepleit, nu er volgens de raadsman onvoldoende wettig bewijs is om te komen tot een bewezenverklaring. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat er slechts één verklaring is die weergeeft dat verdachte betrokken is geweest bij de twee voornoemde telastegelegde feiten.

De officier van justitie heeft ter zitting veroordeling ten aanzien van het onder 1. en 2. telastegelegde gevorderd. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat de gedetailleerde verklaring van medeverdachte [Naam medeverdachte 1] wordt ondersteund door de verklaring van medeverdachte [naam medeverdachte 2], de verklaring van de vader van [naam medeverdachte 2], de aangifte van [naam] en de teruggevonden auto met daarin de gestolen goederen.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat op 12 november 2008 coffeeshop [naam ] is overvallen en dat er in de periode van 12 en 13 november 2008 een auto van het merk Ford, type Escort is gestolen.

Medeverdachte [Naam medeverdachte 1] heeft hierover een gedetailleerde verklaring bij de politie afgelegd op 22 maart 2009 omstreeks 11:10 uur. [Naam medeverdachte 1] heeft verklaard dat verdachte betrokken was bij voornoemde feiten. De rechtbank merkt daarbij op dat [Naam medeverdachte 1] bij de rechter-commissaris deze verklaring niet heeft ingetrokken, maar geen namen van betrokkenen meer heeft willen noemen.

De rechtbank is van oordeel dat deze verklaring van [Naam medeverdachte 1] op meerdere punten wordt ondersteund door andere wettige bewijsmiddelen, waaronder de verklaringen van de aanwezigen in de coffeeshop en de aangifte van de diefstal van de auto.

Voorts heeft medeverdachte [naam medeverdachte 2], net als [Naam medeverdachte 1], verklaard dat hij, [Naam medeverdachte 1] en verdachte met de trein naar Leeuwarden zijn gegaan. Uit een onderzoek bij de NS is gebleken dat [Naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] een uitstel van betaling hebben gekregen op deze treinreis, zoals [Naam medeverdachte 1] ook heeft verklaard.

Verder blijkt dat de gestolen auto, zoals is verklaard door [Naam medeverdachte 1], is aangetroffen in Zwolle, waarbij onder meer een gripzakje met weed werd gevonden en waarvan de eigenaar van de auto heeft verklaard dat deze niet aan hem toebehoort.

De rechtbank acht op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 1. en 2. is telastegelegd.

De raadsman heeft bepleit dat de verklaringen van de medeverdachten ten aanzien van het onder 3. telastegelegde niet tot het bewijs kunnen worden gebezigd, nu deze verklaringen niet betrouwbaar zijn wegens onderlinge tegenstrijdigheid.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

De medeverdachten [naam medeverdachte 3], [naam medeverdachte 2] en [Naam medeverdachte 1] hebben alle drie bij de politie verklaard dat verdachte betrokken was bij de overval in Strijen; medeverdachte [naam medeverdachte 4] heeft zich beroepen op zijn zwijgrecht.

De stelling van de raadsman dat deze verklaringen onbetrouwbaar zijn, is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden. Het enkele feit dat in de verklaringen op punten tegenstrijdigheden voorkomen, maakt deze verklaringen op zichzelf nog niet onbetrouwbaar. Dit kan immers te wijten zijn aan de feilbaarheid van het menselijk geheugen, teweeggebracht onder invloed van emoties door het delict of door tijdsverloop. Het gaat om de totale indruk die de verklaring maakt en de wijze waarop zij is afgelegd.

De verklaringen van [naam medeverdachte 3], [naam medeverdachte 2] en [Naam medeverdachte 1] komen in hoofdlijnen overeen.

De rechtbank verwerpt daarmee het verweer van de raadsman en zal deze verklaringen dan ook voor het bewijs gebruiken.

Deze verklaringen worden ondersteund door het aantreffen van een bloedspoor van een van de slachtoffers op de kleding van verdachte en het vastgestelde telefoonverkeer tussen het telefoonnummer van verdachte en die van de medeverdachten, waarbij is vastgesteld dat het telefoonverkeer vlak vóór de overval is aangestraald bij een mast te Strijen.

De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat hij de broek, waarop het bloed is aangetroffen, van [naam medeverdachte 2] heeft gekocht onaannemelijk, nu [naam medeverdachte 2] een voor zichzelf belastende verklaring ten aanzien van dit feit heeft afgelegd en ontkent dat hij een broek aan verdachte heeft verkocht. De rechtbank ziet geen aanleiding om op dit punt te twijfelen aan de verklaring van [naam medeverdachte 2].

De rechtbank acht op grond van het voorgaande het onder 3. telastegelegde, zoals hierna vermeld, wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1., 2., 3. en 4. telastegelegde bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 12 november 2008, te Leeuwarden, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit het bedrijfspand van coffeeshop "[naam ]", gevestigd aan of bij het [naam], heeft weggenomen een hoeveelheid geld, te weten een bedrag van 875,80 euro uit de kassa en 250 euro muntgeld uit de kluis en ongeveer 200 euro aan fooiengeld uit de kluis en een hoeveelheid weed (hennep), toebehorende aan coffeeshop "[naam ]" en [naam] en een hoeveelheid geld, toebehorende aan klanten van die coffeeshop,

welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [naam], een medewerkster, en [namen klanten] te weten klanten van die coffeeshop, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en zijn mededaders

- in die coffeeshop de woorden hebben gezegd/geroepen:"Dit is een overval.", althans woorden van gelijke aard of strekking en

- [naam klant] een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op korte afstand op het hoofd hebben gericht en

- die [naam klant] de woorden hebben toegevoegd: "Dit is een overval, geef wat je hebt.", althans woorden van gelijke aard of strekking, en

- die [naam klant] tegen het lichaam hebben gestompt en

- die [naam] in een hoek van de bar hebben geduwd en

- een mes aan die [naam] en de klanten van die coffeeshop hebben getoond en

- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan die [naam] en de klanten van die coffeeshop hebben getoond en hebben gericht op een klant en

- die [naam] aan haar kleding hebben meegetrokken in de richting van de in die coffeeshop aanwezige kluis en

- die [naam] een mes in de zij hebben geduwd/gedrukt en

- die [naam] de woorden hebben toegevoegd: "Maak de kluis open en snel.", althans woorden van gelijke aard of strekking en

- tegen de klanten de woorden hebben toegevoegd: "Pak allemaal geld uit jullie broekzak." en/of "Beurs op tafel. Schiet op, ik heb geen tijd." en/of "Alle zakken leeg, ik wil alles op tafel zien.", althans telkens woorden van gelijke aard of strekking,

terwijl nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan;

2.

hij in de periode omvattende de dagen 12 november 2008 en 13 november 2008 te Leeuwarden tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto van het merk Ford, type Escort, kenteken

[kenteken], toebehorende aan [naam] waarbij verdachte en zijn mededaders het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak,

terwijl nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan;

3.

hij op 2 februari 2009 te Strijen, in de gemeente Strijen, tezamen en in vereniging met anderen, in/uit een woning, gelegen aan of bij de [adres] aldaar, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portemonnee en een hoeveelheid geld en twee mobiele telefoons (van het merk Nokia), toebehorende aan [slachtoffer] en [benadeelde partij 1],

welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] en [benadeelde partij 1],

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken

en met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer] en [benadeelde partij 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een kluissleutel, toebehorende aan genoemde [slachtoffer] en [benadeelde partij 1],

welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte, en zijn mededaders

- tegen die [slachtoffer] en/of [naam benadeelde partij 1] hebben gezegd:

* "Dit is een overval!" en

* "Ik maak je dood! Geld! De Kluis!" en

* "Waar is de kluis, waar is de kluis." en

* "Geef de (kluis)sleutel!" en/of "Waar is de kluis/sleutel?!" en

* "Er moet meer geld zijn. Ik maak je dood!" en

* "Niet kijken!" en

* "Plat liggen!" en

* "Ik schiet/maak je dood!",

althans, (telkens) woorden van gelijke aard of strekking, en

- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, gericht hebben (gehouden) op, althans hebben getoond aan, genoemde [slachtoffer] en [naam benadeelde partij 1] en

- die [naam benadeelde partij 1] gewapend met een mes hebben belaagd, en

- tegen/aan het lichaam van die [slachtoffer] en [naam benadeelde partij 1] hebben geduwd of getrokken en

- die [slachtoffer] en [naam benadeelde partij 1] aan de kleding hebben vastgepakt en

- die [slachtoffer] en [naam benadeelde partij 1] hebben gedwongen om op de grond te knielen of te liggen en

- die [slachtoffer] en [naam benadeelde partij 1] tegen het hoofd en het lichaam en in het gezicht hebben geschopt of getrapt en geslagen en

- met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen het hoofd van die [naam benadeelde partij 1] hebben geslagen en

- die [slachtoffer] hebben vastgepakt en vastgehouden en vervolgens mee naar beneden (kelder) getrokken en

- de broek van die [naam benadeelde partij 1] naar beneden hebben getrokken en

- de polsen en voeten van die [naam benadeelde partij 1] hebben vastgetapet,

zulks terwijl voornoemde handelingen van/door verdachte en/of zijn mededaders zwaar lichamelijk letsel voor die [naam benadeelde partij 1] ten gevolge heeft gehad,

terwijl nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan;

4.

hij op 5 februari 2009 te Leeuwarden, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, in/uit een winkelpand van juwelierszaak "[naam]", gevestigd aan of bij de [adres], heeft weggenomen een hoeveelheid

sieraden, te weten onder meer armbanden, kettingen, ringen, oorbellen en horloges, toebehorende aan [naam], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [naam] en [naam], een medewerkster, en [benadeelde partij 4], een klant, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en zijn mededaders,

- die [naam] een op een vuurwapen gelijkend voorwerp hebben getoond en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [naam] hebben gericht en

- die [naam] tegen de grond hebben gegooid en/of geduwd en

- die [naam] tegen het lichaam hebben gestompt en/of geslagen en

- die [naam] een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen/bij het hoofd hebben gehouden en op het hoofd hebben gericht en

- die [naam] hebben toegeschreeuwd; "Doe't open!" en/of "Doe die kassa open!", althans telkens woorden van gelijke aard of strekking en

- die [naam] een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, hebben getoond en

- die een [naam], toen deze zich had ingesloten in een toiletruimte, de woorden hebben toegevoegd: "Doe die deur open.", althans woorden van gelijke aard of strekking en

- met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen de deur van die toiletruimte hebben geslagen en een gat in die deur hebben gemaakt en

- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, aan die [benadeelde partij 4], hebben getoond en

- een hamer hebben opgeheven in de richting van die [benadeelde partij 4];

terwijl nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan.

De verdachte zal van het meer of anders telastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificatie

Het bewezene levert op de misdrijven:

1. Diefstal voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, terwijl tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf, wegens een daaraan soortgelijk misdrijf, in kracht van gewijsde is gegaan;

2. Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak,

terwijl tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf, wegens een daaraan soortgelijk misdrijf, in kracht van gewijsde is gegaan;

3. diefstal voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft,

terwijl tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf, wegens een daaraan soortgelijk misdrijf, in kracht van gewijsde is gegaan;

4. Diefstal voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen,

terwijl tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf, wegens een daaraan soortgelijk misdrijf, in kracht van gewijsde is gegaan.

Strafbaarheid verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking:

- de aard en de ernst van de gepleegde feiten;

- de omstandigheden waaronder deze zijn begaan;

- de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komt uit het uittreksel uit het algemeen documentatieregister en het voorlichtingsrapport;

- het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht;

- de vordering van de officier van justitie;

- het pleidooi van de raadsman.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van drie gewapende overvallen en aan diefstal in vereniging van een auto. Eén van de overvallen betreft een overval op een juwelier. Deze gebeurtenis heeft op de slachtoffers -de 82-jarige juwelier, een personeelslid en een aanwezige klant- grote impact gehad, hun gevoel van veiligheid is in ernstige mate aangetast. Een andere overval betreft de overval op een echtpaar in hun eigen woning. Bij deze overval is erg veel geweld gebruikt. De man is ernstig toegetakeld, met name door verdachte. Het moge duidelijk zijn dat ook in dit geval het leven van de slachtoffers nooit meer hetzelfde zal zijn.

Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

Er is over verdachte gerapporteerd. Uit de rapportage van Reclassering Nederland blijkt dat verdachte beschikt over gemiddelde verstandelijke capaciteiten. Voorts bestaan aanwijzingen dat de persoonlijkheidsontwikkeling een scheefgroei vertoont, in de zin van lacunaire gewetensfunctie, projectie van schuld, groepsbeïnvloeding en onrijpe psychoseksuele ontwikkeling. Opvallend is volgens de reclassering dat verdachte een houding probeert aan te nemen waarmee hij wil aantonen dat hij positief gaat veranderen als hij uit de gevangenis komt. Hij weet welke mensen hem daarbij moeten helpen en hij geeft de indruk dat hij zich vanaf nu aan de wet gaat houden. De reclassering heeft echter de indruk dat verdachte sociaal wenselijk gedrag laat zien. De kans op recidive is hoog, aldus de reclassering. Reclasseringstoezicht wordt geïndiceerd geacht.

Een plan van aanpak kon de reclassering nog niet opstellen omdat verdachte eerst psychologisch moest worden onderzocht. Verdachte heeft er echter voor gekozen hier niet aan mee te werken.

De officier van justitie heeft de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren geëist. Ook de rechtbank is van oordeel dat slechts een langdurige gevangenisstraf recht doet aan de feiten. Zij komt hierbij tot een iets lagere straf dan de officier van justitie heeft geëist. Hiermee vervalt de mogelijkheid tot het opleggen van een deels voorwaardelijke straf, met reclasseringstoezicht als bijzondere voorwaarde. Nu verdachte er echter voor heeft gekozen niet mee te werken aan psychologische rapportage, ziet de rechtbank hiervoor ook geen aanleiding.

Benadeelde partijen

[benadeelde partij 1] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 3. telastegelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de onderbouwing van het gevorderde verlies aan inkomsten uit arbeid voldoende concreet om de hoogte van deze schade vast te kunnen stellen. De vordering is derhalve gegrond en voor hoofdelijke toewijzing vatbaar tot het gevorderde bedrag van € 10.321,80, inclusief de gevorderde wettelijke rente vanaf de dag van het ontstaan van de schade.

De rechtbank zal het toe te wijzen bedrag aan immateriële schade niet bij wijze van voorschot opleggen, zoals gevorderd, nu dit niet past in het wettelijk systeem (zie HR 19 maart 2002, NJ 2002, 497). Het bedrag dat als voorschot is gevorderd zal de rechtbank derhalve toewijzen als een vast te stellen schadebedrag. Voor het overige is de benadeelde partij niet-ontvankelijk.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen.

[benadeelde partij 2] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 3. telastegelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend.

De rechtbank acht de vordering, die niet dan wel onvoldoende door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve gegrond en voor hoofdelijke toewijzing vatbaar, inclusief de gevorderde wettelijke rente vanaf de dag van het ontstaan van de schade.

De rechtbank zal het toe te wijzen bedrag aan immateriële schade niet bij wijze van voorschot opleggen, zoals gevorderd, nu dit niet past in het wettelijk systeem (zie HR 19 maart 2002, NJ 2002, 497). Het bedrag dat als voorschot is gevorderd zal de rechtbank derhalve toewijzen als een vast te stellen schadebedrag. Voor het overige is de benadeelde partij niet-ontvankelijk.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen.

[benadeelde partij 3] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 4. telastegelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend.

De rechtbank acht de vordering, die niet dan wel onvoldoende door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve gegrond en voor hoofdelijke toewijzing vatbaar, inclusief de gevorderde wettelijke rente vanaf de dag van het ontstaan van de schade.

De rechtbank zal het toe te wijzen bedrag aan immateriële schade niet bij wijze van voorschot opleggen, zoals gevorderd, nu dit niet past in het wettelijk systeem (zie HR 19 maart 2002, NJ 2002, 497). Het bedrag dat als voorschot is gevorderd zal de rechtbank derhalve toewijzen als een vast te stellen schadebedrag.

Voor het overige is de benadeelde partij niet-ontvankelijk.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen.

[benadeelde partij 4] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 4. telastegelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend.

De rechtbank acht de vordering, die niet dan wel onvoldoende door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve gegrond en voor hoofdelijke toewijzing vatbaar, inclusief de gevorderde wettelijke rente vanaf de dag van het ontstaan van de schade.

De rechtbank zal het toe te wijzen bedrag aan immateriële schade niet bij wijze van voorschot opleggen, zoals gevorderd, nu dit niet past in het wettelijk systeem (zie HR 19 maart 2002, NJ 2002, 497). Het bedrag dat als voorschot is gevorderd zal de rechtbank derhalve toewijzen als een vast te stellen schadebedrag. Voor het overige is de benadeelde partij niet-ontvankelijk.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 43a, 43b, 57, 63, 310, 311, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT, RECHTDOENDE:

Verklaart het onder 1., 2., 3. en 4. telastegelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld en verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte te dier zake tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1], wonende te [adres] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 10.321,80 (zegge: tienduizend driehonderd éénentwintig euro en tachtig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 februari 2009, in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1], te betalen een som geld ten bedrage van € 10.321,80 (zegge: tienduizend driehonderd éénentwintig euro en tachtig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 februari 2009, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 86 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en vice versa, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het meer gevorderde.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2], wonende te [adres] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 5.155,00 (zegge: vijfduizend éénhonderd vijfenvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 februari 2009, in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2], te betalen een som geld ten bedrage van € 5.155,00 (zegge: vijfduizend éénhonderd vijfenvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 februari 2009, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 60 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en vice versa, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het meer gevorderde.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3], wonende te [adres], toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1.500,- (zegge: vijftienhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 februari 2009, in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[benadeelde partij 3], te betalen een som geld ten bedrage van € 1.500,- (zegge: vijftienhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 februari 2009, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 25 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 3], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en vice versa, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het meer gevorderde.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4], wonende te [adres] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1.500,- (zegge: vijftienhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 februari 2009, in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[benadeelde partij 4], te betalen een som geld ten bedrage van € 1.500,- (zegge: vijftienhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 februari 2009, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 25 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 4], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en vice versa, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het meer gevorderde.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. Dölle, voorzitter, mr. Y. Huizing en mr. E. Visser, rechters, bijgestaan door mr. D.M.A. Jansen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 februari 2010.